[p. 23]
Elisabeth,
die moeder zijt,
En koningin en duldend lijdt,
Om 't lijden van uw land in rouw,
Gij lijkt die hooge en heilge Vrouw
Die ging waar armoe schuilde en nood
En in de vouwen van haar schoot
Het wonder droeg van spijs en drank,
Die bloeiden tot een rozenrank;
Want waar uw beeltnis binnentreedt,
Is 't of op alle donker leed.
Waarheen u meelij lokt en leidt,
Opeens een stille wijding glijdt;
En waar gij naast elk ziekbed gaat
Daalt lijk een licht op elk gelaat
En, trotsch om 't lijden dat hij droeg,
Toont elk u fier waar 't staal hem sloeg
En 't eermerk brandde van een wond.
Hij dankt en groet en voor een stond
Vergeet hij 't leed dat even zwijgt;
En menig man, naar wien gij nijgt
En vraagt naar huis en kind en vrouw,
Is 't of hij schuchter schreien wou.
Maar de arme wien 't vijandig schroot
Op 't licht der dagen de oogen sloot,
Zit bij 't aanhooren van uw taal
Lijk luistrend naar een vreemd verhaal
En zoekt met dof en dwalend oog
Naar 't beeld dat naar hem overboog;
[p. 24]
En even leeft nog op en richt
Het hoofd omhoog wie stervend ligt
En stamelt iets dat géén verstaat,
Al starend star op uw gelaat;
Dan: of hij moeder naast zich zag
Sluit de oogen met een glimmelach.
En als gij weer zijt heengegaan,
Zie 'k heel de zaal vol bloemen staan
En in elk hart is dankgebed
Voor Koningin
Elisabeth
,
Hospitaal te Hoagstade
Paaschzaterdag 1916.