[p. 28]
Aan den Yzer
O schoone stroom, die in den bocht van dubblen dijk,
Naar de aderslag van ebbe en vloed de zee beroerde,
Ter lage landen spoelde uw vruchtbaar zout en slijk
Of zeewaarts d' overvloed der klare vaarten voerde;
Die t' elke Lente als over 't duin een priller zon
De luwer dagen meldde met de lichter nachten,
Ter weiden zaagt ontluiken naar den horizon,
In bloei van bloeme' en gras, een bloei van bruine vachten;
Die naar den tragen tred der paarden droegt, langs brug
En veerhuis, de oude booten, waar de dorpen scholen,
En wist door heel het jaar op eiken heuvelrug
De blij bedrijv'ge zeilen van een grijzen molen.
Maar schooner om het lied van merel, zeis en kind,
Was telkens de ommegang der klare zomerdagen,
Als langs den stoffigen weg die door de weiden windt,
Ter hollen schuren keerde de oogst-geladen wagen;
Tot met den laatren Herfst de wind rees over zee
En door de naakter boomen van den dijk ging waren,
En weer ter domp'ge stallen dreef het dralend vee,
Dat in de winterrust de nieuwe dracht zou baren.
[p. 29]
Gij, die den vrede ried der lieden langs uw vaart
En zaagt den zegen van him dank-gevouwen handen
Aan d' ijlen wentelrook die steeg uit eiken haard
En d' Angelus der klokken over de avondlanden;
Gij, die de orkanen kende alleen uit West en Noord,
Hoe ging nu plots uit 't Oosten storm de lucht bestrijken,
En kleurde rood uw waarren van den volkenmoord
En dreven zeewaarts de' oogst der ongenoemde lijken.
Naar 't onbekende vluchtte al wie nog vluchten kon
En liet het loeiend vee dat door de weiden waarde,
En langs de rwier'ge dijken van uw stroom begon
De onmenschelijke strijd voor 't laatste strookjen aarde.
En de arme mannen keerden willig naar den slag
En, moe ter dood, maar zonder klacht of kreten, leerden
De wonderende wereld wat een heir vermag,
Dat met zijn borsten dekt zijn kindren en zijn heerden.
Elk stond of viel waar 't hoog bevel te staan gebood,
En menig regiment dat zich ten offer wijdde
En, - leeg de gordelriem van 't laatste moordend lood -,
Alleen met 't bloote staal den laatsten storm verbeidde.
[p. 30]
Maar huiver schrok de harten telkens de avond zeeg
En alle de einders spookten van het laaiend koren,
En boven 't golvend meer der rossige dorpen steeg
De reuz'ge vuurzuil van een wankelenden toren.
Dit was de rust na d'aftocht die hun lenden brak.
Hun spijs en drank verleerde en de arme voeten wondde:
In regen, slijk en wind, de hemelen voor dak,
En 's vijands bloed als aas voor dorstgeschroeide monden.
Maar moed verteert het hart en nood vermant de kracht,
En 't staal was hard dat steeds door dunner rangen maaide,
Wijl voor elk Duitsche hoofd, dat neerplofte in de gracht,
Een nieuwe helm verrees, een ander roer opzwaaide.
Noch bood een veil'gen dam het steen van fort en wal,
Noch gold een sterk verweer de vloed van Maas en Schelde;
't Gevaar stond hoog, toen de Yzer tegen 't hordental
Het wrekend dreigement der noordsche waatren stelde.
Gezegende Yzervloed, niet om den wederstand
Der dappren die de zege tot haar intocht noodde
En de' oogst der vaandels zullen dragen door het land.
Maar heilig zijt ge ons om de heugnis onzer dooden.
[p. 31]
Want in de 'nachtelijke diepten van uw schoot,
Waar kroon, noch kruis, noch graf hun dood zal doen bevroeden,
Langs berm en dijk of in het riet van gore sloot,
Kwam de edelste en de hechtste kracht des lands verbloeden.
Wij zullen onze kindren doopen in uw vloed
En elk geslacht ter beevaart voeren naar uw velden,
Opdat hun wil dooraeme en aadre door hun bloed
Het sterkend zout der zee en de eer der doode helden.