terug  begin  verderprepost
[p. 37]

Vuurpijlen

 
Als maan en sterren duiken
 
In de' afgrond van den nacht.
 
Gaat om ons hoofd ontluiken
 
Een heldrer sterrenpracht.
 
 
 
Met zwierig-lichte bogen
 
Gereze'uit lagen schans,
 
Treedt vóór ons wondrende oogen
 
Bij beurt hun vlucht'ge dans.
 
 
 
Hun spel, als vuur'ge pijlen,
 
Lijnt door de lucht een spoor;
 
Dan zweeft ter hoogte een wijle
 
Hun wissel-wufte gloor.
 
 
 
De baaierd wentelt open,
 
De dag straalt over de' aard;
 
De grachten staan bedropen
 
Van wonderlijke klaart'.
 
 
 
Daar is een rust gekomen,
 
Beangst en onvermoed;
 
Hoe rijzen nu de boomen
 
Den hemel te gemoet.
[p. 38]
 
De mannen speuren zwijgend,
 
In plots herwaakte wacht;
 
De stad staat doodsch en dreigend
 
Op de' achtergrond van nacht.
 
 
 
Dáár strekt de stroom, bewogen
 
Naar vree zijn vaart dooraëmt,
 
En dáár de arduinen bogen
 
Van spookrig bruggeraemt'.
 
 
 
En ver staan huize' en stallen,
 
Verschanst en schemer-diep,
 
Lijk puin van burcht en wallen
 
Dat naamlooze eeuwen sliep.
 
 
 
Kortstondig leeft de luister,
 
't Gesternte daalt en dooft;
 
Weer sluit het zwaardre duister
 
Den hemel om ons hoofd.
prepostterug  begin  verder