terug  begin  verderprepost
[p. 45]

H. communie in den IJzerdijk

Voor mijn aalmoezenier E.H.J. Pauwels
 
O Heer, hoe waardigt ge onze onwaarde
 
Te deelen aan uw morgenmaal,
 
Wijl 't doodsgebeuk ter daavrende aarde,
 
Rythmeert de priesterlijke taal.
 
 
 
Hoe zocht Ge ons langs de onveil'ge paden,
 
Waar heesch gehuil van stervende' ia;
 
Hoe koos Uw zorgende genade
 
Deze arme dekking voor uw disch:
 
 
 
Vier lage, naakte en aarden wanden,
 
Een wankle schraag als outerblad;
 
Alleen ter God-gewijde handen
 
Het schrijn dat 't Levend Brood bevat.
 
 
 
Wij zijn uw Majesteit genaderd,
 
Gescheurd, beslijkt van helm tot voet;
 
En door ons starre blikken adert
 
De heldre straal van koortsig bloed.
 
 
 
Wij doolden langs doorwoelde dijken
 
En wrochtte' in mijn en gang en gracht,
 
Tot vóór 't geschuwde licht ging strijken
 
De hope- en eindelooze nacht.
[p. 46]
 
Ons hoofd is ijl, ons kracht gebroken,
 
Onze avond is den slaap ontwend,
 
En handgranaat en bom bestoken
 
De rust die de arme dag nog kent.
 
 
 
De strijdverêelte handen keerden
 
Tot eervolle' arbeid brand en moord,
 
De hoongedrenkte mond verleerde
 
De milde honing van uw woord.
 
 
 
En leeg is 't hart; en haat verhardde
 
De liefde en 't kinderlijk geloof;
 
En hoop de me eens den nacht bestarde
 
Werd traag van maan en sterren doof.
 
 
 
Nooit was de zwakheid en ellende
 
Der hongerende ziel zoo groot;
 
Geen dakverstooten beedlaar kende
 
De wanhoop van zoo droeven nood.
 
 
 
Géen weet waar deze dag zal leiden,
 
Noch waar zijn leven ondergaat;
 
Toch laat ons, Heer, U dank belijden
 
Voor dezen jongsten dageraad.
prepostterug  begin  verder