[p. 48]
Sam. De Vriendt
Winter 1914
[p. 49]
Lente over de loopgraven
Lijk een perzikbloei, gebroken
Uit een bladerloozen tak,
Is een. merellied ontloken
Op een doode hoevedak.
Over 't gruis van stal en schure.
Boven 't puin van huis en wal,
Gaat, bij licht- of loomer duren
't Rythme van, den klanken val.
Wondrend rijzen we in dien zegen
Uit de schansen met een lach,
Lijk, in luw-doorzonden regen,
Kindren staan, ten zomerdag.
't Oog, van winternacht omduisterd,
Duizelt van een forscher zon;
't Moe-gemokerde oor beluistert
't Borlen van een jonge bron.
Vóór ons hart -, dat hoop ontwende en
't Heil van louterend geween -,
't Veēren van haar tred herkende,
Komt de lente ons toegetreēn,
[p. 50]
Breekt de ontkruinde stam der boomen,
De IJzer langs, in bot en loot;
Komt gesterat', van bloemen zoomen
't Glanzend spoor van vaart en sloot.
Vór een mildre morgenzonne
Dieper in ons dekking daalt,
Is een merel-haan begonnen,
Die zijn klare vreugd verhaalt.
Uit den duistren poel der vreeze,
Boven 't vlak van schuw verdriet.
Is ter rilde keel gerezen
De eerste jubel van een lied.