[p. 53]
Meilied
Voor Mej. M.E. Belpaire,
Maria,
'k mag vandaag niet keeren
Waar U een troon staat opgericht;
Ik kan uw heilig beeld niet eeren
Met bloemenbloei en kaarsenlicht.
De vrede is uit; de dagen dreigen
Vol strijd, en in den Meienacht,
Die zachtjes ruischt door 't groen der twijgen,
Sta 'k met 't geweer in hand op wacht.
Ik mag niet liggen neergebogen
Binst 't avondlof, in schemering,
En onder de bestemde bogen
U smeeken om uw zegening.
Maar 'k zie hoog over zee en landen
De heemlen hel van jonge maan,
En 'k zie, lijk vriendlijk lampebranden,
De glorieuze sterren staan.
't Kwam over ons een wondre vrede
En wijding toen de belle ging,
En vóór de blanke marmer treden
Een bleeke wolk van wierook hing;
Nu voel ik weide en land U loven
Met bloemen, geel en rood en paars,
En 't waait een geur uit doode hoven,
Van bloesemende perelaars.
[p. 54]
Ik hoor uit vrouw- en kindermonden
En ruwgeloovig mannenlied,
Deze' avond niet uw lof verkonden,
En hoor de dreunende orgel niet;
Maar weer is door den nacht begonnen,
Het kort geknal, en, verre en bij,
Het doodsgedaver der kanonnen,
Maria, Moeder,
bid voor mij.
Roodesterkte, Mel 1915