[p. 60]
Voor onze ontvoerden
Nu helpt er geen morren, nu baat geen verweer
Met vlegel en zeis en met roestig geweer;
Nu redt u geen vaart in de woelige stêen,
Met bogen en bijlen, naar Belfort en Steen,
Met hoog het oproerig gelui door de lucht.
Nu zoeke wie vluchten kan heil in de vlucht.
De schurftige benden, lijk brakken gedrild.
Gaan razende los op het weerlooze wild,
En spieden en speuren langs wegel en voor
En snuiven de lucht van het dwalende spoor.
Gij kranige kerels, die hongerig staat
Of slentert langs haven en dokken en straat,
Die tuurt op den eenzamen dijk of geen boot
Komt binnengevaren met werk en met brood;
Gij, durvende zwoegers, die daalt naar den nacht
Der aarde en uit dreigende diepte der schacht,
Lijk domplen de duikers naar parelen, houwt
Uw kostbare buit, het zwart-glanzende goud;
Gij, volk der fabriek, die met hamer en veil
Uw dag moet verdienen, met bout of met bijl,
Die rad en die riem en witgloeienden brand
Bedwingt of geleidt naar den wil van uw hand.
[p. 61]
En gij die in kommer de korrelen zaait,
Maar dankend den oogst van uw zomeren maait.
Die ploegt en die egt en bij zuivrenden vorst
Het koren met dansende vlegelen dorscht;
Eruit al die werkt of die werken gewend.
Nu staakt en geen vreemde als uw meester erkent;
Eruit die, als vloek of als zegen, in 't zweet
Uws voorhoofds uw brood als een banneling eet;
Geen spa meer gestoken, geen haamrende klop
Op 't ronkende staal meer, de raderen stop.
Geen slag meer gewrocht op het daavrend getouw.
Een kus aan uw kindren, een hand aan uw vrouw,
En voort met wat linnen en armelijk geld,
Een korst en wat spek, eer het brutte geweld
Lijk slaven van de' eigenen drempel u sleurt
En 't klagende kroost barsch uit de armen u scheurt.
Reeds wachten de makkers; daar vonkelt een zwaard;
Daar brult een bevel en de uhlanen te paard
Omsinglen de vangst en zij rijden er rond,
Lijk draaft om een kudde een laaghartige hond.
Eerst wordt ge gekeurd als een koopvaardig dier,
Een paard, of een rund of een schonkige stier,
Dan: voort heel de bende; waarheen? Geen die't weet;
Geen weet er den weg noch het eind van zijn leed.
De trein gaat in gang, en een schrillende schreeuw
Breekt los met het brallende lied van den Leeuw.
[p. 62]
Arm volk van mijn land, dat van last en ellend'
Steeds 't donkerste deel en het bitterste kent,
Maar trotsch en onbuigbaar uw dienstbaarheid draagt,
Weest stil als de raadlooze honger u plaagt,
Weest stil als de drijver u port en u dreigt;
Verwint uwen wrok en uw wrevel en zwijgt,
Want welt er een woord uit opstandige ziel,
Dan voelt ge den hoon van zijn hand of zijn hiel;
Verdraagt uwe schande en verduwt uw verdriet;
Nog leeft er een God die zijn kinderen ziet
En merkt al de maat van verdienste 'en van schuld;
Nog staat op den wal met getergde geduld
Een leger dat dra met de wapens u wreekt
En huilend den dwang van uw ketenen breekt.