terug  begin  verderprepost
[p. 63]

Voor mijn jongens

1 Januari 1916
 
Hoe staat ge daar grootsch met uw zwijgenden trots,
 
De koppen gebruind en de voeten vereelt,
 
Zoo stoer met uw helm en geweer lijk gebeeld
 
Uit brons of arduin of uit ruwere rots.
 
 
 
Mijn jongens, hoe staat ge daar sterk en wat steekt
 
Er diep in uwe oogen een donkere brand;
 
Wat steekt er een kracht in den greep van uw hand
 
En wil in het spaarzame woord dat ge spreekt.
 
 
 
Schoon kerels, die vrij waart te huis en geen hoon
 
Of dwang hebt geduld en die kendet geen nood;
 
Die werkte als ge wildet, maar wrocht voor uw brood,
 
Hoe zwaarder uw arbeid hoe rijker uw loon.
 
 
 
Nu hebt ge den honger gekend en den dorst;
 
Nu hebt ge geslapen op stroo als een hond,
 
In hak en in schuur of in 't lijk van den grond
 
En nachten gesloofd voor een karige korst.
 
 
 
Nu hebt ge in den dans en den daver gestaan;
 
Nu hebt ge er zien vallen, verminkt en vermoord,
 
De besten het eerst; maar geen zucht of geen woord:
 
Te sterk voor een klacht en te trotsch voor een traan.
[p. 64]
 
Nu hebt ge den angst en den twijfel gekend,
 
Voor 't lot en voor 't leven van ouder en kroost;
 
En over den Yzer zoo vaak als om troost
 
Uw blik naar de torens van Vlaandren gewend.
 
 
 
Maar geen die zijn woord en zijn wapen verried;
 
De geest is nog helder en hoog bleef het hart.
 
Ge dookt als een schande de mom van uw smart
 
En stapt naar den dood met een lach en een lied.
 
 
 
Ondwingbaar jong ras, met uw duldenden moed
 
En staalharde zielen, van al wat er vecht
 
En valt onder 't vaandel van roof of van recht:
 
Is uw bloed het zuiverste en edelste bloed.
[p. 65]
II
 
O volk van mijn hart, dat zwijgt maar dat lijdt,
 
Daar ge machteloos staat met uw wrok en uw spijt,
 
Als de vijand, nabij, uit zijn gracht in 't gelaat
 
U den spot om uw leed en uw zwakte slaat;
 
 
 
Dat jaar na jaar, lijk een booswicht verband,
 
Te hunkeren staat voor de poort van uw land,
 
En dulden moet dat een beestige bent
 
Uw huis en uw land en uw kinderen schendt;
 
 
 
Dat een schunnige schurk aan uw tafel te gast
 
Op het heil van zijn vorst en zijn wapenen brast;
 
Dat hij 't vee komt rooven uit wei en uit stal
 
En den oogst van uw velden oogsten zal....
 
 
 
.... Maar eens ontbrandt met een grootscher gloed
 
In 't oosten en 't water van d'IJservloed,
 
De dag dat op bajonnet en op lans
 
Begint de laatste doodendans;
 
 
 
Eens breekt het uur dat van wal tot wal
 
Tot den aanval zal schettren het koortsig geschal
 
En huilend uw donkere stroom zich een baan
 
Door stortende dammen en dijken zal slaan.
[p. 66]
 
En al wat aan haat in uw borst heeft gebroeid
 
Rukt los in getier, lijk een stier die loeit;
 
En ge stormt op den vijand, man tegen man,
 
En velt wie de vlucht niet meer redden kan.
 
 
 
Ge slaat met het staal en ge schopt met den hiel,
 
Ge vecht met uw vuist en ge'n ziet wie er viel
 
Aan uw zij, met een zucht op den daavrenden grond
 
En zoekt met zijn hand naar den beet van een wond.
 
 
 
Weer voelt ge de ruimte, weer rukt ge vrij
 
Door het veld en weer hoort ge uit de huizenrij,
 
Daar ge roepend door straten en stegen rent,
 
De taal en de stem van een volk dat ge kent.
 
 
 
Geen regen van kogels, geen dondrend gevaart'
 
En dempt of en damt meer 't geweld van uw vaart;
 
Reeds ziet ge, zoo stoer naar den hemel gebouwd,
 
Het Belfort van Brugge op een lucht van goud.
 
 
 
Uw adem is heet en uw hijgende borst
 
Is schor van geschreeuw en heesch van dorst;
 
Een haastige dronk en weer voort met uw vlag:
 
De nacht valt te vroeg op dees heerlijken dag.
[p. 67]
 
Zoo rukt ge weer binnen uw dorpen en stêen;
 
Met hun kerken gemarteld in bogen en steen;
 
De mannen ontvoerd, heel wijken verbrand
 
En vrouwen die weenen om schuldlooze schand....
 
 
 
O vreeslijke wraak, o razend verdriet,
 
Als ge zóó uw landeke wederziet
 
En drilt in uw vuist den stam van een speer
 
Of een zwaard of den kolf van uw trouwe geweer.
 
 
 
Dan sleept ge als een huilenden hond uit zijn nest
 
Wie met 't brood van uw kindren zijn maag heeft gemest
 
En nu kermt om erbarmen, en sleurt hem en slaat
 
Hem te grond met uw staal en den grijns van uw haat.
 
 
 
Het land is verlost uit zijn moordend gevang;
 
'T is rumoer in de stad en getier en gedrang;
 
Het leger is daar met de kindren vooraan,
 
En weer waait boven 't hoofd ons driekleurige vaan.
 
 
 
Het volk is dronken van vreugd en 't geluid
 
Der klokken bonst al de torens uit;
 
De beiaard zingt victorie in 't land,
 
Wijl ontzaglijk in 't oosten de nacht ontbrandt.
prepostterug  begin  verder