[p. 68]
Moeder
I
Wanneer zal ik u weer begroeten,
Die me al te vroeg verweesd liet staan:
Wanneer zal ik u weer gemoeten,
Om nooit meer van u heen te gaan?
Lief moederken, 'k heb al dees dagen,
In 't lang-vertrouwd gelaat der dood,
Diep heimwee naar uw hart gedragen,
En de oude rust van uwen schoot.
[p. 69]
II
Misschien zal ik U wedervinden,
Een koorts'gen dag van zwaren strijd,
Aleer de dood mijn blik verblinde,
En 't edel zwaard mijn hand ontglijdt.
Misschien zal ik eens nederzijgen,
Een diepe wond aan hoofd of hart,
En naar een teugje drinken hijgen,
Gebroken van verbeten smart.
Misschien zal ik een nacht bezwijken,
En, vóór me zoeter dood bevrijdt,
In razende' angst mijn handen reiken
Om hulp, in schrikbare eenzaamheid.
Maar 'k weet, dat gij dan weer zult komen
Met zondoorstraalden glimmelach,
Gelijk ik in mijn rijkste droomen,
Uw roerend beeld geheiligd zag.
Gij zult, in 't akeliger zwijgen,
Na luid rumoer en wee gekarm,
Lijk vroeger naar mijn hals weer nijgen,
Den zachten boog van uwen arm.
[p. 70]
Gij zult naar mijn gelaat gebogen, -
Vermoeid en matter eiken stond, -
Mijn voorhoofd zeegnen en mijn oogen,
En zeegnen mijn gesloten mond.
Dan zult ge traag uw lippen leggen,
Daar waar de gloriewonden staan,
Die branden door mijn ziel en zeggen:
,,Mijn zoon, 't is de ure, laat ons gaan."
'k Zal opstaan en gelijk een blinde
U volgen, waar uw hand me leidt,
Tot waar ik plots het licht hervinde
En leven mag in eeuwigheid.
28 October 1915