[p. 79]
Afscheid
Voor de Jongens die me droegen.
Mijn jongens, ver genoeg gedragen
Mijn wrak uit nachtelijken strijd;
Nu zullen andere armen schragen
Mijn wankelende krachtloosheid.
Laat neer den last, wij moeten scheiden.
Een hand, een groet en dan: vaarwel.
Ik ga Gods tragen dag verbeiden,
Gij keert ter daverende hel.
Lijk kindren uit één bloed verbonden
Ons eendre droom en eendre nood.
Toen schouder wij aan schouder stonden,
In 't dreigend aanzicht van den dood.
Wij hebben saam ons brood gebroken,
Elkaar gereikt den broederdronk,
En, trouw den zwijgende 'eed, gewroken
Wie stervend voor ons vaandel zonk.
Maar wie zal u naar 't vuur nu leiden
En voeren naar de zegepraal?
Mijn jongens, gaat, en God bevrijde
Uw leven voor het vliegend staal.