[p. 81]
Heb dank....
Voor B. D. V.
Nog vóór in 't luwer licht de zegen
Der lente ontlook in tuin en wei,
Opeens een bonte en geur'ge regen
Van bloemen op mijn witte sprei.
Het was een trage val van vlieren,
Die voor mijn wondrend oog begon.
Van rozen en van anjelieren,
Die bloeiden onder milder zon;
Een gouden val van gloeiend-gele
Mimosa en een donz'ge dauw
Van botten en van warm-fluweelen
Violenbadjes, donker-blauw.
In al die pracht mijn blanke handen,
Twee bloemen die herbloeien gaan....
En door mijn luikende oogenranden
De dubble sterre van een traan....
O, na een nacht waar dof en doover
Aldoor de pijn der wonden waakt,
Te rijzen in den kleur'gen toover
Die licht u 't leed der dagen maakt;
[p. 82]
Te zien hoe zwelt als rozenknoppen
Uw hoop naar schooner dageraad,
En voelen hoe met vaster kloppen
Het bloed weer door uw polsen slaat....
Heb dank die mij dees broze weelde
Uit verre en zonnig zuiden zondt;
Ik breng uw gave, rijkbedeelde,
Met stille wijding aan mijn mond.
Hospitaal te Hoogstade.
2de Paaschdag.