[p. 89]
Voor sister Perny
I
De nacht is rust, de nacht is zegen
Voor wie, na moeizame arrebeid,
Zijn hoofd naar nijgend hoofd genegen,
Zijn hart voor lichter droom bereidt;
Voor wie door 't raam in de ijler twijgen
Een nest van meeden slapen ziet
En denkt hoe morgen rijst in 't zwijgen
De jubel van een schooner lied.
De nacht is kalm als avondmeren
Voor wie nog even luistrend draalt
En hoort hoe zacht op 't dons der veeren
Zijn zoontje rust en ademhaalt.
[p. 90]
II
Maar angstig zijn en pijnlijk duren
Ter schemerige wijzerplaat,
De moe-doorwaakte nachtlijke uren,
Als 't leed geen stonde uw sponde laat;
Wanneer, onduldig, 't hart gaat haken
Naar troost van licht en gij, gesmoord,
Door last'gen slaap of loomer waken,
Naast u gedempte kreunen hoort.
En trager schrijdt de nacht en droever.
Naar hooger laait de vlam der koorts.
Lijk naast een winderigen oever
Het spookrig gloeien van een toorts.
[p. 91]
III
Maar lijk de weifle klaarte hing
Der lamp op nachtelijke smart,
Zat wakend in de schemering
De liefde van uw vrouwehart.
Bij poozen rees uw beeld omhoog
En veerend ruischte uw lichte stap,
En naar mijn zorgende onrust boog
De vrede van uw witte kap.
Toen loken de oogen slaap-vermoeid
En wendde 't hoofd naar hoop van rust,
Lijk kindje's leed tot lach herbloeit
Als moeders mond de traantjes kust....