[p. 94]
Gebed
Laat me U, Heer, in deemoed danken,
Die me wondde in bangen nacht,
En me lijk de wijngaardranke
Bloedde en schond in groei en kracht. -
Heere, die mijn geest kwaamt teuglen.
Die naar steiler hoogten stak,
En de steigerende vleuglen
Van mijn starren hoogmoed brak;
Die me lijk uwe uitverkoornen
Leerde hoe men bidden moet,
En Dien 'k langs uw weg van doornen
Volgde met mijn rozenhoed;
Heer, die merkte al van mijn dagen 't
Nadrend eind ter wijzerplaat,
Maar me in roerend welbehagen
Weer naar 't leven keeren laat.
Heere, naar Uw wil herboren,
Uit de louterende vlam,
Laat me bij de needren hooren
In den dienst van 't Offerlam;
[p. 95]
Laat me van dees sponde rijzen,
Van uw Bloed en Vleesch gevoed,
Reede als wie ter blijde reize 't
Deinzend dorp ten afscheid groet.
Heere, wend me van de paden
Die 'k in 't zingend duister zocht;
Laat dees dagen van genade
Duren tot mijn laatsten tocht.
Heere, die mijn dwalende oogen
Richtte naar Uw lichtend spoor,
Treed me naar de luchte bogen
Van uw verre woning voor.