[p. 100]
Simpele weelde
Géén kent dees roerend-simple weelde:
Wat bloemen onder schamel dak,
Lijk de arme die, - te schaars bedeelde, -
Het bitter brood der armoe brak;
Géén hart kan schooner vreugd belijden,
Géén oogen dragen dieper licht
Dan de oogen die in 't duister schreiden
Maar klaarden in verrukt gezicht:
Géén liefde draagt in knop geborgen
Zoo roode' en rijken rozenpronk,
Lijk zij wier kelk in waas'gen morgen
Den dauw der zerpe tranen dronk;
Géén kent 't geluk der zwijgende uren,
Als 't hart weer weent aan weenend hart,
Lijk de eenzame wiens dagen duren
In twijfel en verdoken smart. -
Gezegend hoofd, gezegende oogen
Die staart naar milder morgenrood;
Dra zult ge om spijs weer danken mogen,
Die hongert naar een beete brood;
[p. 101]
Dra zult ge aan mijnen hals weer hangen
En, wil- en weerloos als een kind,
Zien dalen naar 't gestild verlangen 't
Geluk dat voor ons bei begint.