terug  begin  verderprepost
[p. 103]

Voor Benny Royaards

 
Nu de avond op dees daagsche dingen
 
De poorten van zijn stilte sluit,
 
Hoor ik aldoor in droom weer zingen
 
Uw rijk en parelend geluid:
 
 
 
Wat schuchter vóór ge kennen leerde
 
Den vreemden gast, maar stil vertrouwd,
 
Zongt gij een liedje, mij ter eere,
 
Van vooglen in een wonder-woud.
 
 
 
Het leek een lief geruisen van vlerken,
 
In morgenkoelt van Paradijs;
 
Gezang van nachtegaal en lerken
 
En merels, elk met eigen wijs.
 
 
 
Het stroelde, lijk een straalke water
 
Uit jonge bron, uw keelken uit;
 
Het was een korrelend geklater
 
Van klanken en een frisch gefluit.
 
 
 
De spieglen van uwe oogen blonken,
 
Uw rechte halsje zwol van klank;
 
Uw roze en malsche lippen dronken
 
De weelde van uw eigen zang.
[p. 104]
 
....Zoo blijft, mijn schattig-blonde jongen,
 
Uw stemmeke en uw beeld me bij,
 
Lijk ge eens van vooglen hebt gezongen,
 
Gij zelf een vogelken in Mei.

Aan den IJzer, Oktober 1915.

prepostterug  begin  verder