terug  begin  verderprepost
[p. 16]

De Vlaamse Beweging in de eerste jaren van grotere volksmedezeggenschap. 1896-1904

1
1897 een goed jaar voor de Vlaamse strijdbeweging: de huldedagen voor David, Ledeganck en Benoit. Betekenis van de Vlaamse gedachte

Op zondag 22 augustus 1897 werd te Lier het standbeeld ingehuldigd van Kanunnik David(1), wiens naam reeds geëerd werd door de stichting van het Davidsfonds(2); het werd de gelegenheid voor een indrukwekkende Vlaamsgezinde volksbetoging. Het wetsvoorstel-De Vriendt-Coremans(3), dat sedertdien de Gelijkheidswet is geworden en dat in de Kamer van de Volksvertegenwoordigers op 19 november 1896 met 92 stemmen tegen 3 en 1 onthouding was aangenomen, werd op 5 februari 1897 door de Senaat met 50 stemmen tegen 47 zodanig gewijzigd, dat het oorspronkelijk voorstel als verworpen moest worden beschouwd. In de plaats van de volkgelijkwaardigheid tussen de Vlaamse en de Franse wetteksten en de verplichting om ze gelijktijdig aan de stemmingen van de Kamers te onderwerpen, werd door senator

[p. t.o. 16]



illustratie
1 / De ouders van Frans Van Cauwelaert: Emilius Philibertus Van Cauwelaert en Seraphina Vossen

[p. 17]

Lejeune(4) voorgesteld dat de wetten in beide talen zouden worden afgekondigd, maar de Vlaamse wettekst werd maar voorgeschreven als toevoegsel bij het Koninklijk Besluit dat de wet bekrachtigt(5). De miskenning werd door de Vlamingen om zo pijnlijker gevoeld, dat bij de bespreking in de Senaat - in tegenstelling met de welwillende geest die bij de Kamer was gebleken - niet alleen veel onzin was uitgehaald over de noodlottige gevolgen welke uit de wettelijke taalgelijkheid voor het land zouden voortvloeien, maar dat sommige sprekers zich op een voor de vlaamsgezinden zeer krenkende wijze hadden uitgelaten. Oud-minister Bara(6) had zich daarin onderscheiden. Tournay-Detillieux(7) sprak van de flaminganten als de flamendiants, een benaming die zij - gelijk eenmaal de Geuzen - bij hun verdere propaganda voor de Gelijkheidswet als een eretitel gebruikten. Maar de meeste ergernis werd verwekt door de bespotting waaraan zij werden

[p. 18]

prijsgegeven in de rede van Baron Surmont de Volsberghe(8), senator voor het arrondissement Ieper. Nooit tevoren was in Vlaanderen een zo algemene ontroering rondom een taalaangelegenheid ontstaan. Meetings werden zondag na zondag in alle voorname steden belegd, vele gemeenteraden namen moties aan ten gunste van het wetsvoorstel-De Vriendt-Coremans en de dertien senatoren uit het Vlaamse land, die voor het amendement-Lejeune gestemd hadden, werden duchtig als ‘volksverraders’ uitgekreten. Op 23 februari moest te Brussel een grote volksbetoging plaats vinden, waarvan het initiatief door de Vlaamsche Volksraad(9) werd genomen en waarvan alle partijen konden deelnemen. Zij werd verboden en door schepene De Mot(10), die op dat ogenblik de dienst van burgemeester waarnam en die gerust kan worden beschouwd als een typische vertegenwoordiger van het onbegrip dat de Brusselse magistraten al te dikwijls voor de Vlaamse gedachte hebben getoond. De ontworpen volksvergadering mocht wel doorgaan in de Vlaamse Schouwburg, maar er mocht geen manifestatie worden gehouden in de straten van Brussel, uit - zoals hij later zelf moest bekennen - ingebeelde vrees voor woelingen. De volksgezinde burgemeester van Schaarbeek - de heer Kennis(11) - was immers zoveel wijzer geweest

[p. 19]

en stelde spontaan het gebied van zijn gemeente ter beschikking voor een betoging, die zowel door het aantal van haar deelnemers als door haar ordelijk verloop de beste indruk op de bevolking had nagelaten.

Het was in die gemoedsstemming dat de Davidsfeesten werden voorbereid en gehouden. De burgemeester van Lier, notaris Florent van Cauwenbergh(12), die tevens volksvertegenwoordiger was voor het arrondissement Mechelen en een hoog aanzien genoot, was verslaggever voor de Gelijkheidswet geweest in de Kamer bij haar eerste behandeling en zou het opnieuw worden voor haar definitieve aanneming. Het Lierse feestcomité, waarvan o.m. de onvermoeibare Vlaamse werker Dr. Aug. Laporta(13) deel uitmaakte, had zowel in de schoot van de regering als bij de Vlaamse katholieke verenigingen uit de provincie Antwerpen en de afdelingen van het Davidsfonds een bereidwillige medewerking gevonden voor een grootse volkshulde, met welke de onthulling van het standbeeld zou gepaard gaan en die als vanzelf een indrukwekkende manifestatie voor het wetsvoorstel-De Vriendt-Coremans moest worden. De HH. Begerem(14), minister van Justitie, en Schollaert(15), minister van Binnenlandse Zaken, die zich - de

[p. 20]

eerste vooral(16) - voor de verwezenlijking van de wettelijke taalgelijkheid verdienstelijk hadden gemaakt, werden rond half twaaf vóór het station bij hun aankomst te Lier opgewacht en konden nadien, van de pui van het stadhuis, samen met de ontwerpers van de oorspronkelijke voorstellen, E. Coremans en J. De Vriendt, de geestdriftige hulde en de nadrukkelijke gelijkheidseisen in ontvangst nemen van de duizenden betogers - Het Handelsblad(17) telde zesennegentig deelnemende groepen - die de straten van de anders zo rustige Nethestad van hun gelijkheidsgeroep en hun Vlaamse strijdzangen deden weergalmen.

Ook de studenten lieten zich bij deze gelegenheid niet onbetuigd. Het Vlaamsch Katholiek Studentenverbond(18) had een oproep tot deelneming aan de Davidsfeesten tot de studerende jeugd gericht. Het Klein-Seminarie van Hoogstraten, waar Eerw. Heer Th. Spaeninckx(19) als jong leraar sedert een goed jaar in alle stilte

[p. 21]

een actie was begonnen, die van grote invloed is geworden op de degelijkheid en de voornaamheid van de studentenbeweging in het aartsbisdom, was op zijn aansporing door een dertigtal studenten vertegenwoordigd. Zo zijn de Davidsfeesten voor mij de eerste grote Vlaamse betoging geworden, waaraan ik heb deelgenomen. Ik was er in gezelschap van mijn vriend en klasgenoot, de later zo gunstig bekende bijbelgeleerde Dr. Theodoor van Tichelen(20). Het is voor mij een onvergetelijke dag geworden(21).

 

Er volgden weldra op de Davidsfeesten twee andere opwekkende gelegenheden. Op zondag 29 augustus werd te Eeklo het standbeeld onthuld van Ledeganck(22), een werk van onze grote West-Vlaamse beeldhouwer Julius Lagae(23), aan wiens kunstvaardigheid wij ook het beeld van Guido Gezelle te Kortrijk en Albrecht Rodenbach-met-de-blauwvoet te Roeselare te danken hebben. Op zondag 12 september vierde Antwerpen op uitbundige wijze Meester Peter Benoit naar aanleiding van de verheffing van de Antwerpse muziekschool tot Koninklijk Vlaams Conservatorium(24).

[p. 22]

Deze feestelijkheden vertoonden een meer algemeen Vlaams karakter dan de viering van Kanunnik David, die begrijpelijkerwijze een meer overwegend katholiek uitzicht had aangenomen, alhoewel de godsdienstige plechtigheden, op welke Kardinaal Goossens(25) persoonlijk aanwezig was, slechts op de maandag werden gehouden. De viering van Ledeganck verkreeg ook een meer officiële betekenis door de aanwezigheid van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert, die door het vroegtijdig afsterven van Prins Boudewijn de troonopvolger was geworden(26). De feestrede werd gehouden door Zeereerwaarde Heer Claeys(27), lid van de Koninklijke Vlaamse Academie, en na hem spraken de burgemeesters van de drie zustersteden, de HH. Braun(28) voor Gent, Graaf

[p. 23]

Visart de Bocarmé(29) voor Brugge en Jan van Rijswijck(30) voor Antwerpen. Maar het hoogtepunt van de plechtigheid was de toespraak van Prins Albert zelf, die het jaar tevoren ook aanwezig was geweest op de 10e verjaringsplechtigheid van de Koninklijke Vlaamse Academie en er zijn redevoering, op stormachtige bijval, geëindigd had met de tot slagwoord geworden verzen: ‘Zij wilden wat was recht en wonnen wat zij wilden.’(31) Bij beide feestgelegenheden was het tevens opvallend hoe de Prins zich bezorgd had getoond, om zich uitsluitend en op keurige wijze van de Vlaamse taal te bedienen, hetgeen door de Vlamingen, die tot dan toe zo weinig aanmoediging en waardering van hogerhand hadden mogen ondervinden, als een verblijvend omen voor de toekomst werd aanvaard.

De Eeklose herdenking stond aldus minder in het teken van de strijd dan deze van Lier, en de frisse gelegenheidscantate door Peter Benoit getoonzet(32) en door meer dan duizend zangers uitgevoerd beantwoordde volkomen aan de opgewekte atmosfeer, waarin de viering werd gehouden. Maar bij de opening had zich een tragicomisch incident voorgedaan. Volksvertegenwoordiger Flor Heuvelmans(33) was er in geslaagd op onverwachte wijze

[p. 24]

bij de behandeling van de wet op de burgerwacht een amendement te doen aannemen waarbij de Vlaamse taal voor het beheer en de aanvoering van de burgerwacht in de Vlaamse gemeenten werd voorgeschreven(34). Het zou nu bij het bezoek van Prins Albert te Eeklo de eerste maal zijn dat de wet bij een officiële plechtigheid van toepassing zou worden. Met begrijpelijke nieuwsgierigheid werd het aantreden van de burgerwacht gevolgd, wanneer ze zich ging opstellen vóór het stadhuis. Toen een der wachten bij de naamafroeping op spottenden toon antwoordde met present, riep Maurits Josson(35), een flamingant uit Brussel, hem verontwaardigd toe: ‘spreek Vlaams!’ Woedend sprong de kapitein van de compagnie met blanke sabel op hem toe. Een paar wachten en de politiecommissaris sprongen, en Josson, die duchtig had tegengesparteld, werd met verhakkelde en verscheurde kleren binnen het stadhuis gebracht en opgesloten, vanwaar hij weldra triomfantelijk door een groep Vlamingen werd te voorschijn gehaald. Op 13 juni 1909 deed zich te Antwerpen in gelijkaardige omstandigheden het berucht gebleven geval voor van Majoor Kopaf, waarbij Majoor Albrecht(36), die de jagers-verkenners nog steeds in het Frans aanvoerde, met zijn sabel de hoed doorkliefde van de jongeheer Grote(37), die hem eveneens tot den eerbied van de wet openbaar had aangemaand. Het ontbreekt de Vlamingen niet aan zin voor humor en de vermakelijke zijde van

[p. 25]

beide incidenten bleef niet onbenut. Dergelijke toevalligheden mogen wel als tekenend worden beschouwd voor de geestesgesteldheid waarin de burgerij van onze Vlaamse provinciesteden in die tijd verkeerde. De moedwil met welke zekere officieren van de burgerwacht de wettelijke taalvoorschriften bleven miskennen, heeft tot meer incidenten aanleiding gegeven. Te Gent was het Karel van der Cruyssen(38) (die na een heldhaftige deelneming als vrijwilliger aan de strijd aan de IJzer de beroemde heropbouwer en abt van de abdij van Orval is geworden) - hij maakte deel uit van het artilleriecorps van de burgerwacht - die op 29 april 1900 aan de Franse bevelen weigerde te gehoorzamen. Hij werd als straf voor zes maand naar het onderrichtingspeleton verwezen, maar de maatregel bleef na tussenkomst van volksvertegenwoordiger Heuvelmans bij de minister zonder verder gevolg. Te Leuven was het L. Scharpé(39), professor aan de hogeschool, die aan de Franse bevelen weigerde te gehoorzamen. Hij werd eenvoudig naar huis gezonden maar bleef verder zonder bestraffing.

 

De viering van Peter Benoit was natuurlijk in de eerste plaats een Antwerpse aangelegenheid. Hij was weliswaar geen Antwerpenaar van geboorte en zijn benoeming aan het hoofd van de Antwerpse Muziekschool in 1867 was niet zonder moeite gegaan. Zij werd in feite aan het Antwerps gemeentebestuur, dat zich wilde vergenoegen met een muziekliefhebber die zich bereid verklaard had de school zonder bezoldiging te besturen, opgedrongen door de Minister van Binnenlandse Zaken, de Vlaamsgezinde Alfons Vandenpeereboom(40), die een jaarlijkse staatstoelage beloofde indien

[p. 26]

de plaats werd toevertrouwd aan de jonge toonkunstenaar P. Benoit, die met zijn oratorio ‘Lucifer’(41) pas te Brussel een overweldigende bijval had geoogst. Maar sedertdien was Peter Benoit door zijn inmiddels beroemd geworden kunstscheppingen, de merkwaardige ontwikkeling welke hij aan zijn muziekschool had gegeven en door de bezielende invloed die van zijn Vlaamse en volkse kunstvernieuwing was uitgegaan, een lievelingszoon geworden van de Scheldestad. Met Conscience(42) en Baron Leys(43) behoorde hij tot de trits van kunstenaars op welke het Antwerpen van de negentiende eeuw zich het meest heeft beroemd. De Antwerpse muziekschool was bij zijn aanstelling een onbeduidende onderwijsinrichting en de taal was er Frans zoals overal elders. Benoit begon met ze te vervlaamsen zowel in haar geest als in haar taalgebruik. Hij gaf haar zulke aantrekkingskracht dat zij, niettegenstaande haar geringe geldmogelijkheden, al de conservatoria van het land in aantal van leerlingen ver overtrof. Toen zij in 1897 tot Koninklijk Vlaams Conservatorium werd verheven, telde zij niet minder dan twaalfhonderd leerlingen.

Desniettemin was er een lange en volhardende strijd nodig, vooraleer deze zo natuurlijke voldoening werd verkregen. De zaak werd voor het eerst in het openbaar gebracht in 1878 op een toneelcongres, dat te Antwerpen plaats greep. Op 18 oktober 1879 besliste de gemeenteraad van Antwerpen, zich officieel tot de regering te wenden met het verzoek, van de Antwerpse Muziekschool een Koninklijk Vlaamsch Conservatorium te maken, aldus

[p. 27]

gevolg gevend aan een wens van het Nederlands Congres dat in augustus van dat jaar te Mechelen werd gehouden(44) en aan het verzoek van Jan van Beers(45) om in de titel zelf van het verhoopte conservatorium het Vlaams karakter van de instelling te vermelden. De kwestie bleef voortaan aan de orde van de dag. Bij elke bespreking van de begroting voor Binnenlandse Zaken werd zij te berde gebracht, maar het kostte nog acht jaar van inspanning, van onbevredigde onderhandelingen en van steeds door de Vlaamse verenigingen vernieuwde aandrang en protesten vooraleer het verhoopte doel werd bereikt(46). Het opgestapelde ongeduld bracht om zo uitbundiger enthousiasme teweeg, wanneer eindelijk het goede nieuws de openbaarheid bereikte. Peter Benoit bereidde zich voor om in de Dierentuin een laatste herhaling te dirigeren van zijn ‘Rubenscantate’(47) - het was op zaterdag 22 juli - wanneer de heuglijke tijding te Antwerpen bekend werd. Een machtige ovatie begroette zijn verschijnen op het podium en men schat dat niet minder dan vijfentwintig duizend mensen aanwezig waren, bij de uitvoering die de volgende dag in openlucht plaats vond, om de Vlaamse meester een enthousiaste begroeting te brengen.

Maar de gebeurtenis was te schoon en te gewichtig om er niet een grootse hulde van te maken voor de man die aan Vlaanderen door zijn kunst zoveel eer, door zijn strijdvaardige en zijn opwekkende liefde zoveel levensvreugde en fiere zelfbewustheid had geschon-

[p. 28]

ken. Benoit was reeds enkele jaren tevoren, op 23 juli 1892, ter gelegenheid van zijn zilver jubileum als bestuurder van de Antwerpse muziekschool, het voorwerp geweest van een indrukwekkende hulde, aan welke door geheel Vlaanderen en ook van Nederlandse zijde werd deelgenomen. Maar nu was er een gelegenheid, die niet kon worden overtroffen en die niet meer zou weerkeren, om aan Benoit de tol van dankbaarheid en verering te betalen, welke het Antwerpse volk en het strijdende Vlaanderen zich tegenover hem schuldig wisten.

De feestelijke betoging werd aangekondigd voor zondag 12 september. Het Vlaamse Antwerpen kwam onmiddellijk in beweging om er een onvergetelijke dag van te maken. De politieke tegenstellingen, welke zich toen heel wat scherper lieten gevoelen dan thans(48) het geval is, werden op zij gezet. De parochie van St.-Joris stelde haar jaarlijkse processie uit en de muziekmaatschappijen gingen om wedijver oefenen, ten einde de volksbetoging uitsluitend met muziek van de meester op te wekken en op te luisteren. Reeds op de vooravond werd het feest ingeluid door het machtig gebons van de Carolus-klok. De toren van O.L.V.-Kerk bracht opgewekte stemming door het uitzenden van het zo geliefde ‘Beiaardlied’(49) en door de bewoners van de buurt van Benoit werd aan de viering ook de maandag toegevoegd, met straatverlichting en volkse serenades. Maar de grote dag bleef natuurlijk de zondag. Prof. P. Frédericq schreef dat ‘het alles overtrof wat Vlaamsch België had te zien gekregen sedert Hendrik Conscience's verheerlijking te Brussel in 1881.’(50) De stad was in feesttooi. Triomfbogen waren ter ere van Benoit opgericht. In de harmonie werd door 1 200 zangers en orkestleiders zijn ‘Feestzang’(51) uitgevoerd onder leiding van Lod. Mortel-

[p. 29]

mans(52) en in de grote zaal van de Dierentuin was het Edw. Keurvels(53) die voor een groot concert had gezorgd met werken van de meester. Maar het toppunt van de hulde werd bereikt bij de ontvangst op het stadhuis, waar Benoit op plechtige wijze, in de beroemde Leyszaal, door de magistraat van de stad, onder het voorzitterschap van Jan van Rijswijck als burgemeester, de gouverneur van de provincie baron Osy(54), de militaire bevelhebber generaal Marchal(55), de consul-generaal van Nederland(56), allen in ambtsgewaad, en in de aanwezigheid van de meest vooraanstaande genodigden werd gehuldigd. Een machtige volksstoet, voor welke de grote markt niet eenmaal voldoende ruimte kon bieden en waaraan delegaties en muziekkorpsen uit geheel Vlaanderen met vlaggen en bloemen deelnamen, was meester Benoit naar het stadhuis voorafgegaan. Wanneer hij voor een open venster van de Leyszaal de toejuichingen van het volk kwam in ontvangst nemen, werd door de talloze menigte, op het teken van Edw. Keurvels een machtige ‘Strijdzang van de Vlamingen’(57) aangeheven zoals er zelden in Vlaanderen ten gehore werd gebracht. Het was in deze roes van geestdrift dat Benoit het hoogtepunt

[p. 30]

van zijn populariteit bereikte. Het was, eilaas, ook het einde van zijn zo moedig volgehouden en zegerijk gevoerde levensstrijd. Weldra begonnen de lichaamlijke en zedelijke kwellingen, die slechts op 8 maart 1901 met zijn leven eindigden.

 

Het is mogelijk, aan de feestelijkheden die de zomer van 1897 hebben gekenmerkt, een oordeel te ontlenen omtrent de plaats welke de Vlaamse gedachte op dat ogenblik reeds had ingenomen in de bekommernis van het volk. Men zou ze ten onrechte beschouwen als een louter dagverschijnsel. Voorzeker, de taalstrijd had nog op verre na het belang niet verkregen, welke hij enkele jaren later, o.m. bij de keuze van de openbare mandatarissen, zou aannemen. Maar de ontwaking van het Vlaamse volksbewustzijn was zichtbaar begonnen, en het jaar 1897 mag in de ontwikkeling van de Vlaamse strijdbeweging een goed jaar worden geheten. Wij zullen verder zien hoe de zucht naar een eigen geestesleven en de daartoe noodzakelijke hervormingen zich voortaan in een versnellend tempo bij de studerende jeugd en de hogeschoolgediplomeerden heeft laten gelden.

De snel voortschrijdende democratische omvorming van ons politiek en maatschappelijk leven heeft op beslissende wijze bijgedragen om van de Vlaamse eisen weldra een volkszaak te maken. Wij waren evenwel op dat ogenblik nog vrij ver verwijderd van een volledig en principieel programma van vervlaamsing van ons volksleven. Er werd bij gelegenheid gesproken van een Vlaamse hogeschool, maar aan de stelselmatige vervlaamsing van de Gentse universiteit werd nog niet gedacht, laat staan een ontdubbeling van de hogeschool te Leuven, welke nog vele jaren voor een chimera zou worden gehouden. Men wilde meer ruimte geven aan het onderwijs van en door de moedertaal in het middelbaar onderwijs, maar een algemene verplichting om het Vlaams als onderwijstaal te gebruiken werd niet als een bereikbaar doel beschouwd. Wat het gerecht, het leger en 's lands bestuur betreft, bleef men vrij algemeen bij hervormingen, die nodig waren voor de bescherming van de burgers en soldaten tegen al te schreeuwende misbruiken. Het zo ingrijpend program van taalregeling, dat door de officiële taalcommissie in 1856 werd ingediend, scheen sedert de brutale uitlating van Rogier(58) ‘il n'y a plus de griefs flamands’ voor

[p. 31]

goed uit het zicht te zijn verdwenen(59). De Vlaamse hervormingen, die sedertdien waren bereikt, werden als bij stoten en zonder algemeen plan naar voren gebracht. Het zag eruit alsof nog lang op deze weg zou worden voorgegaan.

(1)Jan Baptist David, o Lier 25 jan. 1801, † Leuven 24 maart 1866, 1823 priester van het aartsbisdom Mechelen, 1836-1865 te Leuven hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde en in de vaderlandse geschiedenis.
(2)Het Davidsfonds werd als katholieke cultuurvereniging gesticht te Leuven op 15 jan. 1875.
(3)Juliaan Jozef De Vriendt, o Gent 20 aug. 1842, † Oude God (Mortsel) 20 april 1935, kunstschilder en politicus, okt. 1894-1900 kath. volksverteg voor het arr. Brussel. - Edward Coremans, o Antwerpen 1 febr. 1835, † ald. 2 nov. 1910, promoveerde te Luik in de letteren en de wijsbegeerte en te Brussel in de rechten, maart 1868-1910 kath. (Meetingpartij) volksverteg voor het aar. Antwerpen. - De Vriendt en Coremans dienden in maart 1895 elk een wetsvoorstel in, om naast het Frans ook het Nederlands als gelijkwaardige officiële taal te doen erkennen; beide voorstellen werden in okt. 1895 versmolten tot één tekst die, na veel verzet, tot de zogenaamde Gelijkheidswet van 18 april 1898 heeft geleid.
(4)A.L. Jules Lejeune, o Luxemburg 5 mei 1828, † Elsene 18 febr. 1911, jurist, socioloog en politicus, okt. 1887-maart 1894, als extra-parlementair jurist, minister van Justitie, nov. 1894-juni 1900 kath. prov. senator voor Brabant, 28 maart 1894 minister van Staat.
(5)Het amendement-Lejeune, op 5 feb. 1897 met 50 tegen 47 stemmen door de Senaat aangenomen, luidde: ‘Tout arrêté royal sanctionnant une loi contiendra, à côté du texte adopté par les Chambres, un texte flamand de la loi. La loi sera promulguée en langue française et en langue flamande’. Op diezelfde dag werd in de Senaat ook over het geheel van het voorstel gestemd: 51 ja, 23 neen, 23 onthoudingen. Annales parlementaires, Sénat (voortaan afgekort met A.P.S.) 1896-1897, p. 303-314. - Voor de Kamerzitting van 19 nov. 1896 zie Annales parlementaires, Chambre (voortaan afgekort met A.P.C.) 1896-1897, p. 39-45. Voor meer bijzonderheden zie men o.a. L. Dosfel, De Belgische wetten op het gebruik der Nederlandsche Taal voor het volk toegelicht, Brugge, 1910. (Noot F.V.C.).
(6)Jules Bara, o Doornik 23 aug. 1835 † Sint-Joost-ten-Node 26 juni 1900, promoveerde 1875 in de rechten te Brussel, sept. 1862-juni 1894 liberaal volksverteg. voor het arr. Doonik, nov. 1894-juni 1900 prov. senator voor Henegouwen, 1865-1870 en 1878-1884 minister van Justitie, 8 juni 1884 minister van Staat.
(7)Julien Louis Tournay-Detillieux, o Brussel 7 jan. 1851 † ald. 29 juni 1911, promoveerde te Brussel in de rechten, juni 1880-1884 liberaal volksvertegenwoordiger voor het arr. Namen, okt. 1894-1900 senator voor het arr. Philippeville. Als erevoorzitter van de ‘Société de la propagande wallonne’ publiceerde hij Le flamingantisme. Conférences données à la Société de la propagande wallonne les 26 mars et 9 avril 1896, Brussel, 1896.
(8)Arthur Surmont de Volsberghe (baron), o Gent 5 okt. 1837 † Sint-Denijs-Westrem 30 okt. 1906, juni 1878-1900 kath. senator voor het arr. Ieper, 1900-1903 voor Kortrijk-Ieper, 1903-1904 prov. senator voor West-Vlaanderen. Voor zijn vernoemde rede zie A.P.S. 1896-1897, 29 jan. 1897, p. 249-251.
(9)Op initiatief van het op 7 juni 1891 te Brussel opgerichte Nationaal Vlaamsch Verbond waarvan de grondslagen reeds in juli 1890 waren gelegd en dat buiten alle partijgeest aan Vlaamse taalstrijd deed, werd te Brussel op 18 april 1892 de Vlaamsche Volksraad gesticht. Deze was ‘bedoeld als een Vlaamse volksvertegenwoordiging die alle vraagstukken zou bespreken die van belang waren voor het Vlaamse volk. (...) Het was een studerend parlement zonder leven en zonder politieke agitatie. Verbond en Volksraad bleven bestaan tot 1914’. H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, IV, Antwerpen, 1965, p. 232-233.
(10)Emile Jean André De Mot, o Antwerpen 20 okt. 1835, † Brussel 23 nov. 1909, advocaat, juni 1892-1894 liberaal volksvertegenwoordiger voor het arr. Antwerpen, 25 okt. 1881-23 nov. 1909 gemeenteraadslid, dec. 1881-okt. 1887 en jan. 1888-dec. 1899 schepen, dec. 1899-okt. 1903 burgemeester van Brussel.
(11)Guillaume Kennis, o Leuven 26 sept. 1839, † (tijdens de vergadering van de gemeenteraad) Schaarbeek 23 dec. 1903, ingenieursstudies te Luik, 1869-1903 kath. gemeenteraadslid, 1873-1878 en 1896-1903 burgemeester van Schaarbeek.
(12)Florent August van Cauwenbergh, o Lier 10 nov. 1841, † ald. 16 sept. 1923, promoveerde 1863 in de rechten te Leuven, notaris, 2 nov. 1872-26 dec. 1911 burgemeester van Lier, okt. 1894-dec. 1921 kath. volksverteg voor het arr. Mechelen, dec. 1921 tot zijn dood gecoöpteerd senator.
(13)August Laporta, o Lier 29 maart 1864, † ald. 29 mei 1919, promoveerde 1889 te Leuven in de geneeskunde, arts te Lier, speelde een vooraanstaande rol in de katholieke Vlaamse Beweging, inzonderheid als leider 1882-1914 van De Student. Tijdschrift voor het Vlaamsche Studentenvolk; Frans Van Cauwelaert droeg hem in 1908 zijn Verbandelingen en Voordrachten op. Verbleef tijdens Wereldoorlog I in Engeland.
(14)Victor Begerem, o Ieper 25 feb. 1853, † Gent 20 dec. 1934, promoveerde te Leuven in de rechten en in de politieke en administratieve wetenschappen, advocaat te Gent, juni 1886-1921 kath. volksverteg. voor het arr. Gent, maart 1894-juli 1899 minister van Justitie.
(15)Frans Victor Schollaert, o Wilsele 19 aug. 1851, † Sainte-Adresse (bij Le Havre) 29 juni 1917, promoveerde 1875 in de rechten te Leuven, advocaat aldaar, juni 1888 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Leuven, mei 1895-aug. 1899 minister van Binnenl. Zaken, nov. 1901-jan. 1908 en nov. 1912-juni 1917 voorzitter van de Kamer van Volksverteg., jan. 1908-juni 1911 hoofd van de regering en bovendien jan. 1908-sept. 1910 minister van Binnenl. Zaken, okt. 1908-aug. 1910 van Landbouw, aug. 1910-juni 1911 van Kunsten en Wetenschappen, 6 mei 1912 minister van Staat.
(16)Bedoeld wordt de wet-Begerem. Begerem had op 30 nov. 1893 een wetsvoorstel neergelegd omtrent de vrijheid van taalkeuze bij het afleggen van de door de wet bepaalde eden. Het werd in april-mei 1894 door de Kamers goedgekeurd.
(17)Het katholieke dagblad Het Handelsblad werd opgericht te Antwerpen in 1844; zie Van Cauwelaerts hulde aan dit blad en typering ervan p. 55. Het blad werd in 1957 door de N.V. De Standaard aangekocht en verschijnt sedertdien, met behoud van eigen titel, als een lokaal-Antwerpse uitgave van de ‘Standaard-groep’.
(18)Nadat het in sept. 1877 te Gent, met Albrecht Rodenbach (o 1856- † 1880) als ‘hoofdman’, gestichte Algemeen Vlaamsch Studentenverbond was verdwenen, werd te Leuven op 15 juni 1890, op katholieke grondslag, het Katholiek Vlaamsch Studentenverbond gesticht met als hoofdman o.m. dokter A. Laporta. Maar ook dit verbond ging, niet het minst wegens de tegenwerking van de kerkelijke hiërarchie, ten gronde. In 1903 kwam dan het (derde) Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond, het eigenlijke A.K.V.S. tot stand dat, heropgericht in 1919, ten gevolge van zijn politieke actie en Vlaams-nationale grondslag, na een conflict met de kerkelijke overheid in de late jaren twintig ten onder is gegaan.
(19)Thadée Spaeninckx o Tombeek (gehucht van Overijse) 23 maart 1872, † Baarle-Hertog 20 mei 1947, 1896 priester van het aartsbisdom Mechelen, 1896-1914 leraar aan het bisschoppelijk college te Hoogstraten waar hij dé promotor was van het gebruik van het beschaafd Nederlands zoals hij dat ook was van de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs in Vlaanderen; mei 1914-1918 directeur bij de Zusters van het Kind Jezus te Borsbeek, nadien wegens activisme in de gevangenis; dec. 1921 tot zijn dood directeur van de Broeders der Christelijke Scholen te Baarle-Hertog. Zie hiervoor en voor Spaeninckx' rol ook het art. En zo is het voor mij begonnen, dat F.V.C. op zijn vijfenzeventigste verjaardag schreef in het dagblad De Nieuwe Gids-De Antwerpse Gids, 10 jan. 1955, p. 1-2.
(20)Theodoor van Tichelen, o Stabroek 2 sept. 1877 † Sint-Gillis (Brussel) 4 dec. 1945, promoveerde 1905 in de wijsbegeerte te Leuven en studeerde 1906-1908 aan de Bijbelschool te Jeruzalem, 1911-1945 leider van het apologetisch tijdschrift Ons Geloof, schreef meerdere bijbelstudies en ook moraliserende verhalen.
(21)Voor deze Davidsfeesten zie het Gedenkboek der Davids-Feesten te Lier. 22 en 23 Augustus 1897. (Schriften door het Davids-Fonds uitgegeven, nr.110). Lier, s.d.,95 blz.
(22)Karel Lodewijk Ledeganck, o Eeklo 9 nov. 1805 † Gent 19 maart 1847, promoveerde 1835 in de rechten te Gent, vrederechter te Zomergem, 1842 provinciaal inspecteur lager onderwijs. Naast zijn literair werk weze hier vooral de Nederlandse vertaling van wetboeken vermeld.
(23)Julius Lagae, beeldhouwer, o Roeselare 15 maart 1862 † Brugge 1 juni 1931.
(24)Peter Benoit, o Harelbeke 17 aug. 1834 † Antwerpen 8 maart 1901, was sedert 2 aug. 1867 te Antwerpen directeur van de stedelijke muziekschool. Deze werd bij koninklijk besluit van 15 juni 1898 verheven tot Koninklijk Vlaamsch Conservatorium. Bij K.B. van 1 juli 1898 werd Benoit tot directeur benoemd; een jaar eerder nochtans, in juni 1897, was over de verheffing tot conservatorium een officieuze bevestiging meegedeeld.
(25)Petrus Lambertus Goossens, o Perk (Vilvoorde) 18 juli 1827 † Mechelen 25 jan. 1906, 1850 priester van het aartsbisdom Mechelen, 16 juli 1883 bisschop van Namen, 24 maart 1884 aartsbisschop van Mechelen, 1889 kardinaal.
(26)De prinsen Boudewijn en Albert waren zonen van Filips graaf van Vlaanderen (o1837 †1905), broer van Leopold ii. Sedert de dood van Leopold (o1859 †1869), enige zoon van Leopold ii, was eerst Boudewijn (oBrussel 4 juni 1869 †ald. 23 jan. 1891) nadien Albert (oBrussel 8 april 1875 †Marche-les-Dames 17 febr. 1934) vermoedelijk troonopvolger.
(27)Hendrik Claeys, oZomergem 7 dec. 1837 †Gent 17 nov. 1910, 19 dec. 1863 priester van het bisdom Gent, aanvankelijk leraar aan het bisschoppelijk college te Oudenaarde, nadien aan het Klein-Seminarie te Sint-Niklaas, 31 juli 1884 pastoor te Oostakker, 8 mei 1890 tot zijn dood pastoor van de Sint-Niklaaskerk te Gent; van bij haar stichting op 8 juli 1886 lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en bestuurder ervan in 1894; 14 okt. 1904 erekanunnik van Sint-Baafs te Gent; gevierd vlaamsgezind redenaar met welbekende luide stem.
(28)Emile Braun, oNijvel 2 dec. 1849 †Vichy (Fr.) 30 aug. 1927, ingenieursstudies te Gent, 1879-1895 hoofdingenieur aldaar, 1891-1898 liberaal lid van de Brabantse Prov. Raad, 17 nov. 1895 lid van de Gentse gemeenteraad, 26 dec. 1895-24 april 1921 burgemeester van Gent, mei 1900-april 1925 liberaal volksverteg. voor het arr. Gent-Eeklo.
(29)Amedée Charles Louis Visart de Bocarmé (graaf), oSint-Kruis (Brugge) 4 nov. 1835 †Brugge 29 mei 1924, promoveerde 1861 te Leuven in de rechten, 26 okt. 1875 tot zijn dood lid van de Brugse gemeenteraad, 12 febr. 1876 tot zijn dood burgemeester, jan.-aug. 1864 en juni 1868-1923 kath. volksverteg. voor het aar. Brugge.
(30)Jan van Rijswijck, oAntwerpen 14 febr. 1853 †Testelt 23 sept. 1906, promoveerde in de rechten na studies te Leuven en te Brussel, advocaat te Antwerpen, 1889 liberaal gemeenteraadslid en 1892-1906 burgemeester van Antwerpen.
(31)Prins Albert was op 18 okt. 1896 te Gent aanwezig geweest op de plechtige openbare zitting van de Koninklijke Vlaamse Academie. Zijn korte toespraak eindigde hij aldus: ‘De Vlamingen van heden blijven waardig hunner voorouders, die een onzer dichters, van wien wij eerlang het standbeeld in Vlaanderen zullen zien oprijzen(N.V.D.R. bedoeld wordt Ledeganck), in onsterfelijke woorden aldus heeft afgeschilderd: Zij wilden wat was recht, en wonnen wat zij wilden!’. Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1896, Gent, p. 613-653; prins Alberts toespraak p.650-652.
(32)Bedoeld wordt Benoits ‘Vokshulde aan een Dichter’ (ook ‘Ledeganck Cantate’), gecreëerd op tekst van Jan Boucherij oGent 17 nov. 1846 †Antwerpen 16 mei 1911), en te Eeklo gedirigeerd door Lodewijk Mortelmans (voor deze zie hierna, noot 52).
(33)J.T. Florimond Heuvelmans, oAntwerpen 12 jan. 1858 †'s-Gravenhage 21 april 1931, 1877 medestichter van het eerste A.K.V.S. (zie hoger, noot 18), promoveerde 1882 te Leuven in de rechten, advocaat te Antwerpen, juni 1892-1900 kath. (Meetingpartij) volksverteg. voor het arr. Antwerpen, na Wereldoorlog i wegens activisme tot levenslange dwangarbeid veroordeeld maar naar Nederland uitgeweken.
(34)N.a.v. dit wetsontwerp van minister Schollaert dienden Heuvelmans en Edw. Coremans op 29 juli 1891 met betrekking tot het taalgebruik een amendement in bij artikel 135. Dit amendement werd niet aangenomen. (A.P.C., 1896-1897, p. 2161-2163).
(35)Maurits Josson, oBrussel 7 mei 1855 †Leiden 13 dec. 1926, advocaat te Brussel, in de Transvaalse Oorlog secretaris van generaal Smuts en twee jaar lang krijgsgevangen, tijdens Wereldoorlog i activist en daarom naar Nederland uitgeweken.
(36)Edward Albrecht, oAntwerpen 6 sept. 1857 †ald. 27 mei 1930, officier, zijn optreden leidde tot een proces met veroordeling tot 25 fr. boete of drie dagen voorwaardelijk. Van de doorgehouwen hoed werden prentkaarten verspreid. Zie De Zaak Albrecht-Grote. Veroordeling van den majoor, in Het Handelsblad, 2 maart 1910.
(37)Josephus Grote, verzender, oAntwerpen 18 sept. 1885 †ald. 21 feb. 1963.
(38)Karel van der Cruyssen, oGent, 12 juli 1874 †Abdij van Orval 30 april 1955, architect te Gent, 1914 op veertigjarige leeftijd oorlogsvrijwilliger tot 1918, 1919 monnik te Soligny (Frankrijk); na zijn priesterwijding begon hij na aankoop van de ruïnes in 1926, aan de wederopbouw van de trappistenabdij van Orval (1949 ingehuldigd), waaraan hij van 1936 tot zijn dood als Dom. Albert Marie abt is geweest.
(39)Lodewijk Scharpé, oTielt 24 okt. 1869 †Betekom 4 mei 1935, promoveerde 1894 te Gent in de germaanse filologie, aanvankelijk beambte op het ministerie van Binnenlandse Zaken, 1898 docent en 1902 hoogleraar te Leuven.
(40)Alfons Vandenpeereboom, oIeper 7 juni 1812 †Sint-Gillis (Brussel) 10 okt. 1884, advocaat te Ieper, gemeenteraadslid, schepen en 1859 burgemeester aldaar, lid van de Westvlaamse Provinciale Raad, juni 1848-1879 liberaal volksverteg. voor het arr. Ieper, 1861-1868 minister van Binnenlandse Zaken, 4 febr. 1868 minister van Staat. Voor zijn Vlaamsgezinde bedrijvigheid zie H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, IV, p.32 en 48-50.
(41)De creatie van het oratorium ‘Lucifer’ op tekst van Emmanuel Hiel (o1834-†1899), had plaats te Brussel op 30 sept. 1866.
(42)Hendrik Conscience, oAntwerpen 3 dec. 1812 †Brussel 10 sept. 1883, leefde als letterkundige eerst te Antwerpen waar hij verschillende beroepen uitoefende, daarop 1856-1868 te Kortrijk als arrondissementscommissaris, en nadien tot zijn dood als conservator van het Wiertzmuseum te Elsene-Brussel.
(43)Hendrik Leys, historieschilder, oAntwerpen 18 feb. 1815 †ald. 26 aug. 1869.
(44)De tweeëndertig Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen grepen afwisselend in Vlaamse en Nederlandse steden plaats, het eerste te Gent in 1849, het laatste te Antwerpen in 1912. Het Nederlandse Congres van 1879 te Mechelen was het zeventiende.
(45)Jan van Beers, oAntwerpen 22 febr. 1821 †ald. 14 nov. 1888, leraar Nederlands en letterkundige, nov. 1875 tot zijn dood liberaal gemeenteraadslid te Antwerpen.
(46)Zie o.a. paul fredericq, De wording van het Koninklijk Vlaamsch Muziek-Conservatorium van Antwerpen, in Schets eener Geschiedenis der Vlaamsche Beweging (Vlaamsch België sedert 1830, Derde deel-eerste stuk, Gent, 1908), hoofdstuk iv, p. 172-175. (Noot F.V.C.).
(47)‘Vlaanderens Kunstroem’ of ‘De Rubenscantate’ werd in 1877, bij de driehonderdste verjaring van Rubens geboorte, door Benoit op tekst van Julius De Geyter (o1830 †1905) getoonzet en op 18 aug. 1877 te Antwerpen gecreëerd.
(48)F.V.C. schreef dit stuk in de jaren vijftig (vóór 1956).
(49)‘Het Beiaardlied’ (‘Dan mocht de beiaard spelen/Van al uw torentransen/Dan mocht de grijsheid kweelen/Dan mocht de Jonkheid dansen, ...’) is een onderdeel van de hiervoor vermelde ‘Rubenscantate’.
(50)p. fredericq, op. cit. p. 190. (Noot F.V.C.).
(51)Deze ‘Feestzang’ (‘O Land van Maas en Schelde !/O bloem- en vruchthof, lustwarand, ...’), heette oorspronkelijk, bij de opening van de Wereldtentoonstelling te Antwerpen in 1885, ‘Hymnus aan den Vooruitgang’ en was in dat jaar gedicht door Jan van Beers.
(52)Lodewijk Mortelmans, oAntwerpen 5 febr. 1868 †ald. 24 juni 1952, leerling van Benoit en zelf 1924-1933 directeur van het Antwerps conservatorium.
(53)Edward Keurvels, oAntwerpen 8 maart 1853 †Hoogboom 19 jan. 1916, leerling van Benoit, richtte 1890 te Antwerpen bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg het Nederlandsch Lyrisch Tooneel op; dit werd geen succes en moest worden opgegeven. In 1893 werd Keurvels medestichter van de Antwerpse Vlaamse Opera.
(54)Edward Jozef Frans Osy van Zegwaart (baron), oDeurne 25 maart 1832 †Ekeren 5 dec. 1900, 26 jan. 1889 tot zijn dood gouverneur van de provincie Antwerpen.
(55)Felix Paul Nicolas Marchal, oSint-Joost-ten-Node 5 juni 1836 †Schaarbeek 8 okt. 1908, sedert dec. 1893 met de graad van generaal-majoor commandant van de provincie Antwerpen.
(56)Bedoeld wordt Jacques De Kuyper, oRotterdam 5 mei 1835, †Antwerpen 15 feb. 1900, zakenman te Antwerpen, 10 juni 1888 tot zijn dood Nederlands consul-generaal aldaar voor de provincies' Antwerpen, Brabant en Henegouwen.
(57)Met ‘Strijdzang der Vlamingen’ wordt de ‘Strijdkreet’ (ook ‘Strijdlied’) bedoeld, door Benoit gecomponeerd naar een gedicht van K.L. Ledeganck: ‘Hoera! Hoera! Wij wilden wat was recht! Hoera! Hoera! en wonnen wat wij wilden.’ (Zie ook hoger noot 31).
(58)Charles Rogier, oSaint-Quentin 12 aug. 1800, †Sint-Joost-ten-Node 27 mei 1885, 1830-1831 lid van het Nationaal Congres, 1831-1854, 1856-1859 en 1863-1885 liberaal volksverteg. voor verschillende arrondissementen, 1831-1832 en 1834-1840 gouverneur van de provincie Antwerpen, tussen 1832 en 1868 herhaaldelijk minister. Voor Rogiers ontkenning van het bestaan van taalgrieven zie zijn verklaringen van 10 dec. 1858 in de Kamer. (A.P.C. 1858-1859, p. 197-205).
(59)Over deze taalcommissie, bij koninklijk besluit van 27 juni 1856 ingesteld, zie o.m. H.J. Elias, op. cit., II (Antwerpen 1963), p. 283-298 en 320-326.
prepostterug  begin  verder