De strijd rondom het wetsvoorstel-Coremans-De Vriendt had evenwel een sterke invloed op de ontwikkeling van de Vlaamsgezindheid van het volk uitgeoefend en de ongewone bijval van de Vlaamse huldedagen, die in 1897 plaats vonden, was er voorzeker voor een goed deel aan te danken. De praktische gevolgen, welke deze hervorming in het onmiddellijke voor het openbaar leven en alvast voor de gewone man konden meebrengen, waren gering. Maar bij geen enkele voorgaande parlementaire taalstrijd had het Vlaamse volk zo scherp de schampere aanvallen van de Waalse tegenstanders en de miskenning door zijn eigen ontrouwe vertegenwoordigers gevoeld als bij deze gelegenheid. Het was gewoon geraakt aan de ongemakken van een verfranst regiem, dat reeds meer dan een halve eeuw geduurd had en het was niet in staat om zich een tastbare voorstelling te maken van de stoffelijke en zedelijke verliezen, welke het gevolg waren van deze stelselmatig gewilde achteruitstelling. Maar bij het voorstel van Coremans-De Vriendt ging het om ‘gelijkheid’ en dat verstond ook de eenvoudigste werkman. Niet ieder reageerde met een zelfde vinnigheid, maar een burgerschap van tweede rang was niemand gelegen. Zo
hebben het dwaas verzet van sommige senatoren en de onzinnige aanvallen van Vlaamsonkundige parlementairen bij de strijd rondom de Gelijkheidswet meer bijgedragen tot de verlevendiging van het Vlaamse volksgevoel dan in jaren door de eigen Vlaamse verenigingen werd bereikt!
Het jaar 1897 kwam inmiddels ten einde zonder dat de Kamer van de volksvertegenwoordigers het door de Senaat verminkte voorstel opnieuw in openbare zitting had behandeld. Het verslag van de heer van Cauwenbergh was neergelegd en rondgedeeld, maar met de bespreking scheen geen haast gemoeid. Op 10 februari 1898 werd zelfs de onmiddellijke behandeling geweigerd, omdat de regering verkoos dat eerst een einde zou worden gemaakt met het onderzoek van de begrotingen. Het ongeduld van het Vlaams land sprak elke dag luider uit het aantal van vertoogschriften, welke niet alleen door Vlaamse verenigingen maar ook door gemeenteraden uit het Vlaamse land aan de Kamers werd toegezonden. Bij de Senaat alleen werden er tweehonderd vierentachtig ontvangen. De openbare behandeling van het voorstel, dat inmiddels door de commissie van de Kamer in zijn eerste artikel in meer bijzonderheden was uitgewerkt, begon eindelijk op 9 maart; op 18 maart werd het voorstel zonder verdere wijzigingen aangenomen met 99 stemmen tegen 19 en 4 onthoudingen. Tussen de voor-stemmers waren 81 katholieken en 7 leden van de oppositie; de 4 onthouders behoorden allen tot de linkse groeperingen(60).
De Senaat ging ditmaal met bekwame spoed te werk. Reeds op 5 en 6 april werd de openbare bespreking aangevangen en op 13 april voortgezet na een onderbreking door het Paasverlof veroorzaakt. Zij eindigde op vrijdag 15 april met de aanneming van de wet met 47 stemmen tegen 39 en 3 onthoudingen(61). Meester Edmond Picard(62) had zich bij de verdediging van de hervorming door zijn warm pleidooi onderscheiden en ook de Waalse

2 / Gedenkkader met zes lauwerkronen: Frans Van Cauwelaert zesmaal eerste van de klas in Hoogstraten
senator Poncelet(63) oogstte de dankbaarheid van de Vlamingen door de vrijmoedige wijze op welke hij ten haren gunste was opgetreden. Deze zo moeizaam verkregen uitslag werd door de Vlamingen terecht als een gedenkwaardige overwinning gevoeld. De politieke persoonlijkheden die zich voor het ontstaan en de bekrachtiging van de Gelijkheidswet bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt - auteurs, verslaggevers of ministers, maar meer in het bijzonder de eersten, volksvertegenwoordigers E. Coremans en J. De Vriendt, - werden over geheel het Vlaamse land uitbundig gevierd en toegejuicht. ‘Voor de eerste maal,’ zo riep Adolf Pauwels(64) uit op de jubelmeeting welke reeds de dag na de stemming in de Senaat te Antwerpen werd gehouden, ‘voor de eerste maal hebben alle Vlamingen zich geschaard onder één vlag. Nu we onze taalgrondwet hebben verkregen zullen de andere wetten volgen.’
Zoveel optimisme zou nog dikwijls op harde proef worden gesteld, maar de strijdlust van de Vlamingen had intussen een zichtbare aanvuring gekregen. Dit bleek onder meer uit de vinnige twisten tot welke zekere Waalse kandidaturen voor de provinciale verkiezingen die in hetzelfde jaar zouden plaats vinden o.a. te Antwerpen en te Gent hebben geleid. De gezindheid van de verkiezingskandidaten en hun bekwaamheid om zich van de Vlaamse taal bij openbare besprekingen te bedienen, had trouwens sedert de veralgemening van het stemrecht bij de grondswetsherziening van 1893 een werkelijke betekenis gekregen. Reeds bij de eerste algemene verkiezingen die op 14 oktober 1894 op grond van het nieuwe stelsel plaats vonden werden, onder de invloed van de opkomende arbeidersbeweging, enkele vertegenwoordigers naar het Parlement gezonden, die zoals de heer Aug. Huyshauwer(65) van Gent zich
slechts op gebrekkige wijze van de Franse taal konden bedienen, of die zoals de stichter van de Christelijke Volkspartij, Priester Daens(66), van het gebruik van de Vlaamse taal in de Kamer een beginselkwestie wensten te maken.
Het gebruik van de Vlaamse taal was tot dan toe zo goed als onbekend gebleven. Wel hadden Edw. Coremans op 27 november 1888 in de Kamer en Baron de Coninck(67) op 6 maart 1890 in de Senaat een korte rede in onze taal gehouden, maar dat was slechts bij wijze van antwoord op een uitdaging van Waalse zijde gebeurd(68). Wel hadden een zeker aantal gekozenen reeds de gewoonte aangenomen bij hun aanstelling de grondwettelijke eed in het Vlaams af te leggen. Bij de samenstelling van de grondwetgevende Kamers van 1892 werden er, in de Kamer, 41 Vlaamse tegen 27 Franse eden en in de Senaat 20 Vlaamse tegen 12 Franse eden door gekozenen uit het Vlaamse land afgelegd; en het kon niet eenmaal gebeuren zonder dat van Waalse zijde geprotesteerd of de spot gedreven werd met deze in de ogen van sommigen vrijpostige handelswijze. Maar verder was men voorlopig met het gebruik van de Vlaamse taal in onze wetgevende Kamers niet gekomen. Edw. Coremans zelf was, om redenen van opportunistische aard, tegen een stelselmatig gebruik van het Vlaams
in de Kamer. Men schrijft zelfs zijn voor de Antwerpse Vlamingen onbegrijpelijk verzet tegen de kandidatuur van vader De Beucker(69) toe aan het feit dat deze de Franse taal niet voldoende machtig was en in elk geval zich principieel van de Vlaamse taal wenste te bedienen. Deze omstandigheden gaven voor de anders zo gevierde Coremans aanleiding tot pijnlijke incidenten op de Vlaamse Katholieke Zitdag, die in augustus 1893 te Brugge werd gehouden, en bij de plechtige herdenking van de dood van Conscience, die weinige dagen later, op 9 september, te Antwerpen plaatsvond(70).
De kwestie van het Vlaams-spreken in het Parlement bleef echter gesteld. Met het oog op de verkiezingen die in september 1894 moesten worden gehouden zagen verschillende Vlaamse gekozenen zich genoopt de belofte af te leggen dat zij zich van de Vlaamse taal in de Kamer zouden bedienen, evenwel zonder dat voorlopig van die goede wil veel terecht is gekomen. Het was echter voortaan onmogelijk voor Vlaamsonkundige kandidaten om zich in het Vlaamse land als verkiesbare kandidaat te doen aanvaarden, hetgeen in vroegere jaren maar al te geredelijk werd aanvaard; zelfs een zo gezaghebbend man als minister van Staat Woeste(71) kon zijn mandaat voor het arrondissement Aalst slechts redden door de hulpvaardigheid van Antwerpse Vlaamse leiders, de volksvertegenwoordigers E. Coremans en Flor. Heuvelmans(72). Het gebruik van de Vlaamse taal werd vooralsnog niet alleen gestuit
door de onmogelijkheid van de Waalse leden om een Vlaamse rede te volgen en hun weigering om ze duldzaam te aanhoren; het werd ook bemoeilijkt door de ongeschiktheid van de parlementaire diensten. Er waren geen Vlaamskundige snelschrijvers. Na het verzoek door Coremans op 16 november 1894 in de Kamer uitgebracht om in deze leemte te voorzien, heeft het nog ettelijke jaren geduurd vooraleer een bevredigend resultaat werd bereikt. En zelfs in 1899 moest volksvertegenwoordiger Van Brussel(73), gekozene voor het arrondissement Sint-Niklaas, die de Franse taal geheel onmachtig was, nog klagen dat al de bescheiden die hem door de Kamer werden toegezonden uitsluitend in de Franse taal waren gesteld(74). Wanneer de Gentse volksvertegenwoordiger De Guchtenaere(75) in de geheime zitting welke de Kamer op 22 december 1898 hield voor de bespreking van haar begroting vroeg, dat voortaan niet alleen de wetteksten - die sedert de Gelijkheidswet ook in het Vlaams moesten worden voorgebracht - maar ook de toelichtende memories in de beide officiële landstalen zouden worden gesteld, werd zijn voorstel met aanzienlijke meerderheid afgewezen(76).
De democratie had inmiddels voorgoed haar intrek in het Parlement genomen en haar toenemende invloed kwam natuurlijk ook aan onze Vlaamse taalbelangen ten goede. Althans voor zoverre het de vertegenwoordiging van het Vlaamse land betreft, want
de arbeidersgekozenen uit onze Waalse provincies bleken, bevreemdend genoeg, weinig begrip te tonen voor de democratische belangen die de wezenlijke inslag vormden van de Vlaamse eisen. Het houden van Vlaamse redevoeringen bleef dan ook nog vele jaren een sporadisch verschijnsel en gaf bijna telkens aanleiding tot nieuwe incidenten. Alleen voor deze die het Frans niet machtig waren, werd het recht om zich van hun eigen taal te bedienen ongestoord aangenomen; maar zij die franskundig deze wet van de schamele arme - zoals Juliaan De Vriendt zich zeer gevat uitdrukte - wensten te aanvaarden en zoals deze Brusselse vertegenwoordiger ‘Vlaamsch spraken uit overtuiging, plichtbesef en liefde voor de moedertaal’(77), moesten zichzelf voor het gebruik van dat elementaire recht heel wat ongenoegen getroosten. Zij bleven dan ook gering in getal. Alhoewel hun aantal gaande weg toenam, zijn zij een uitzondering gebleven tot op het ogenblik dat, door de inrichting van een bijzonder telefoonnet in de parlementaire vergaderzaal, het doorlopend en gelijktijdig vertalen van de Vlaamse redevoeringen het gebruik van de eigen taal ook voor de Vlaamse gekozenen op enkele uitzonderingen na veralgemeende.