terug  begin  verderprepost

1
Mijn intrede in de politiek en de verkiezing te Antwerpen. (Maart-mei 1910)

Ik beken dat ik vroegtijdig door de politieke drift werd aangestoken. Dat gebeurde rechtstreeks onder de prikkel van de christelijk-sociale en van de Vlaamse Beweging, die in mijn studententijd hun definitieve opgang zijn begonnen. Maar ik was ook van huis uit voor die invloeden zeer ontvankelijk. Mijn vader was zelfs met de politiek zeer ingenomen. Hij was een gewoon bezoeker van de grote katholieke partijvergaderingen te Brussel. In zijn familie, die het arrondissement Aalst bewoonde - want hij was afkomstig van Denderwindeke - had het Daensisme(1) in zijn begin veel aanhang gevonden, hetgeen levendig bleek uit de gesprekken die rondom de kermistafel werden gevoerd. Bovendien in mijn geboortedorp O.L.V.-Lombeek zelf - al telde het geen zevenhonderd inwoners - heerste een vinnige verdeeldheid, die geboren was uit de schoolstrijd van de tachtiger jaren. Maar de gedachte van een parlementaire loopbaan ontstond slechts - en

[p. 68]

dan nog buiten mij om - nadat het jaar 1909 mij tot de grote beslissing noopte, naar de hogeschool te Leuven terug te keren(2) en advocaat te worden.

Mijn verblijf aan de hogeschool te Fribourg (Zwitserland)(3) gaf me alle reden tot tevredenheid. Ik zal me steeds dankbaar gevoelen voor de welwillendheid met welke ik door de kantonnale regering tot hoogleraar werd benoemd en door de academische overheden in de schoot van het professoraal corps van de universiteit werd opgenomen. Maar mijn hart bleef in Vlaanderen. Elk Paas- en zomerverlof had ik in het moederland doorgebracht en mijn verlangen was groot om in België een bestendig arbeidsveld te vinden. Een gunstige kans scheen zich in 1909 voor te doen. Twee filosofische leerstoelen, waaronder deze van psychologie, kwamen vrij aan de hogeschool te Luik(4). Mijn hoop was dat, indien ik er in slaagde een van deze plaatsen te veroveren, het niet moeilijk zou vallen om achteraf naar Gent over te zeilen, wanneer met de vervlaamsing van ons hoger onderwijs zou worden begonnen. Al te vertrouwend? Het mag zijn. In elk geval ik werd niet benoemd niettegenstaande de gunstige toezeggingen welke ik van zekere invloedrijke en in dit geval ongetwijfeld invloeduitoefende persoonlijkheden had ontvangen. Het was voor mij, laat ik het bekennen, een grote ontgoocheling. Ik had me evenwel over deze ontnuchterende ervaring heengezet, had Mgr. Deploige(5), die ik om zijn oprechtheid steeds erkentelijk ben gebleven, me niet ge-

[p. 69]

waarschuwd dat ik [...].(6) Daarom heb ik in de zomer van 1909 het besluit genomen, me opnieuw aan de universiteit te Leuven in te schrijven als student, met de hoop mij als advocaat een onafhankelijk bestaan in het land te verzekeren.

Het was een volkomen verrassing dat ik reeds het volgende jaar tot volksvertegenwoordiger werd gekozen. Dat deze verkiezing te Antwerpen zou geschieden, was bij mij nooit opgekomen. Alles scheen er voor mij op te wijzen dat ik me eenmaal te Brussel zou vestigen en dat ook het arrondissement Brussel het terrein van mijn politieke actie zou worden. Er bestonden trouwens reeds gunstige voortekenen. Twee neven van moederszijde, Zeer Eerw. Heer Jan Vossen(7), pastoor van Sinte-Barbara te Sint-Jans-Molenbeek, en Eerw. Heer Emiel Vossen, onderpastoor van Sint-Niklaasparochie te Brussel(8), waren als geestelijke raadgevers zeer actief werkzaam in de christelijke arbeidersbeweging te Brussel en zeer bevriend met de HH. Renkin(9) en Carton de Wiart(10), met wie ze de wenselijkheid hadden besproken dat de

[p. 70]

democratische vleugel van de Brusselse katholieke partij zou worden aangevuld door een vertegenwoordiger die de taal van de arbeiders en van de buitenmensen van het arrondissement Brussel volkomen machtig was. Een gunstige gelegenheid scheen zich in 1912 te moeten voordoen, daar het aantal volksvertegenwoordigers dat jaar voor Brussel met twee zou worden vermeerderd. Zo kwam mijn naam ter sprake. Mij paste dat vooruitzicht uitstekend, want intussen kon ik met mijn rechtsstudiën nagenoeg klaar komen.

Maar het liep anders en wel op een wijze die geen mens had kunnen voorzien. Het was tegen Pasen 1910. Ik was voor enkele dagen naar Parijs gegaan, samen met mijn broeder August zaliger(11), om vooraleer onder het zomertrimester mijn lessen te geven aan de hogeschool te Fribourg, nader kennis te maken met het psycho-fysisch laboratorium van Prof. Binet(12), die zich bezighield met de studie van pedagogisch-experimentele vraagstukken die mij voor mijn eigen onderwijs bijzonder belang inboezemden. Daar krijg ik plots een telegram van Dr. Alf. van de Perre(13), die me meldt dat Edward Coremans om gezondheidsredenen zich bij de a.s. verkiezingen(14) niet meer verkiesbaar zou stellen, en me verzoekt om mijn kandidatuur voor zijn opvol-

[p. 71]

ging te laten stellen. Dit viel echter geheel buiten mijn vooruitzichten en kwam ook minder met mijn wensen overeen. De kans op Brussel trok me meer aan. Ik voelde me daar toen nog meer thuis, en 1912 paste ook beter bij mijn nieuwe studiën. Het was niet zonder een zekere verlegenheid dat ik, professor zijnde aan een vreemde hogeschool, me opnieuw op de banken had gezet van de universiteit te Leuven; het kwam me meer dan vreemd voor dat ik bij die vreemde combinatie nog deze zou voegen van lid van de Kamer. Ik dankte Dr. van de Perre voor zijn waardering en genegenheid, en gaf hem de redenen op waarom ik dacht op zijn anders zo vleiend verzoek niet te kunnen ingaan. Maar het viel goed uit. Toen ik thuiskwam vond ik daar een brief van de goede dokter, die me schreef dat hij mijn positie begreep en dat bovendien de omstandigheden zich naar mijn wens hadden geschikt. Edward Coremans had zich inmiddels bedacht en was weer bereid een nieuw mandaat te aanvaarden. De dokter voorzag evenwel dat Coremans zijn mandaat naar alle waarschijnlijkheid niet zou kunnen uitdoen en hij drong aan dat ik aanvaarden zou als zijn plaatsvervanger op te treden. Men zou zelfs van mij niet eisen dat ik aan de eerstkomende verkiezingsstrijd zou deelnemen. Hij zou desnoods bereid zijn om in mijn plaats als propagandist op te treden. Zijn enige voorwaarde was dat ik, onder het Paasverlof, vooraleer naar Fribourg te vertrekken, op één enkele meeting het woord zou voeren naast Edw. Coremans.

Aan zoveel edelmoedigheid kon ik geen weerstand bieden. De opvolging te mogen waarnemen van de man die veertig jaar lang de aanvoerder van de Vlaamse strijd in het Parlement was geweest als vertegenwoordiger van de stad en van het arrondissement, aan welke Vlaanderen zijn beste krachten had ontleend, was een zo groot voorrecht dat ik het voorstel van Dr. van de Perre aanvaardde. Het heeft maar van hem afgehangen dat hij niet zelf deze onderscheiding heeft genoten. Zijn vrienden van de Nederduitsche Bond, waarvan Coremans de mandataris was, hadden bij hem genoeg aangedrongen dat hij zelf als kandidaat zou optreden. Hij was bekend als een doordrijver en een man van zeldzame moed bij het verdedigen van zijn overtuiging en van wat hij als een rechtmatig volksbelang beschouwde. Sedert jaren stond hij vooraan in de strijd te Antwerpen; zijn fortuin verzekerde hem

[p. 72]

volkomen onafhankelijkheid en zijn aanzien was groot. Maar Dr. van de Perre was te onbaatzuchtig en te zeer gehecht aan zijn edele roeping als geneesheer om aan de aandrang van zijn vrienden toe te geven, en het heeft me in 1912 zeer veel moeite gekost om hem er toe over te halen een mandaat te aanvaarden, dat hij reeds twee jaar tevoren maar voor het opnemen had.

Mijn aanstelling als kandidaat-bijgevoegd volksvertegenwoordiger, op 3 april 1910(15), leed in de Nederduitsche Bond geen moeilijkheden, dank zij de edelmoedigheid met welke de heer Jeroom van Kerckhoven(16), die tot dan toe Coremans als mogelijk plaatsvervanger had gediend, voor mij zijn plaats afstond. Van deze voorname gezindheid gaf hij enkele weken later een nog treffender bewijs, wanneer hij na het onverwachte aftreden van Coremans opnieuw de plaats van bijgevoegde kandidaat aanvaardde om mij genoegen te doen.

De meeting, waarop ik mijn politieke doop te Antwerpen zou ontvangen, vond plaats op 9 april 1910(17) in de Burgerkring(18) onder het voorzitterschap van apotheker Arnold Hendrix(19). Edw. Coremans was aanwezig en werd als steeds met grote warmte door zijn vertrouwde Antwerpse vrienden toegejuicht. Naar een passend thema voor mijn eigen toespraak had ik niet ver te zoeken. Antwerpen is steeds een milde bron voor inspiratie geweest en de Vlaamse strijd stond in een teken van grote vinnigheid.

[p. 73]

De negen jaren van strijd die voor het wetsvoorstel-Coremans(20) waren nodig geweest, hadden de gemoederen zeer geprikkeld. Intussen had ook de actie voor de vervlaamsing van de hogeschool te Gent, die het hoogtepunt van de Vlaamse Beweging is geworden, een ruime ontplooiing genoten. Een jonge stem kon op zulke gegevens, bij een zo ontvankelijk publiek als het Antwerpse, niet anders dan een gemakkelijke bijval oogsten en ik vertrok met een gerust gemoed naar Zwitserland.

Maar toen gebeurde plots wat niemand had kunnen voorzien. Twee en half weken vóór de verkiezingen, op woensdag 5 mei, dan wanneer de verkiezingen moesten plaats vinden op de 29e mei, werd Edw. Coremans door een bruuske aanval van de Antwerpse linkerzijde op zijn tussenkomst als gemeenteraadslid bij de concessie van de Antwerpse Tramwegen genoopt zijn kandidatuur voor de Kamer in te trekken. De Commissie van de Krijgsdienstbaarheden - officiële benaming van de Antwerpse Meetingpartij(21) - bij hoogdringendheid vergaderd, besliste reeds de volgende dag, mijn naam in de plaats van Coremans op de lijst te nemen. Ikzelf was echter van dit alles onwetend en was niet weinig verbluft, toen ik de donderdagavond van Dr. van de Perre een telegram ontving dat ik onmiddellijk te Antwerpen verwacht werd, als gevolg van gebeurtenissen waarvan hij mij slechts mondelings de uitleg kon verschaffen. Ik had nog slechts een uur les die week te geven en vertrok overnacht naar België. Mijn vrouw(22) en mijn broeder August wachtten me af in het Noorderstation te Brussel. Ze brachten me op de hoogte van het Coremans-incident en ik spoorde onmiddellijk verder naar Antwerpen, waar Dr. A. van de Perre me verder op de hoogte bracht van de toestand. Hij drong er op aan dat ik de opvolging van Coremans niet zou weigeren. Ik kon dit niet zonder de Meeting-

[p. 74]

partij op het laatste ogenblik in grote moeilijkheden te brengen en ik had daartoe niet het recht nadat ik, zonder voorwaarde, aanvaard had zijn plaatsvervanger te worden. Ook het verlangen om in het land terug te keren en mijn plaats in de Vlaamse strijd op te nemen - verlangen dat me enkele maanden vroeger, niettegenstaande heel wat bezwaren, had doen beslissen aan mijn toekomst een nieuwe richting te geven - dreef me tot instemming en ik gaf toe. 's Namiddags kreeg ik nog het bezoek van twee strakke meetingisten, leden van de Nederduitsche Bond - de HH. Fl. Peeters(23) en Sips(24) - die me kwamen vragen of ik me wilde verbinden om, naar het voorbeeld van E. Coremans, altijd tegen de begroting van het ministerie van Oorlog - zo heette het toen(25) - te stemmen. Zo niet, konden zij mijn kandidatuur niet steunen, en er zouden wel meer leden van de Bond zijn die hetzelfde standpunt zouden innemen. Ik dankte de heren voor hun openhartigheid, maar verklaarde dat ik de gewenste verbintenis niet kon aangaan. Ik had geen de minste militaristische neiging, maar wilde vrij blijven om mijn mandaat in eer en geweten te vervullen. Kon de Nederduitsche Bond zich daarmee niet verenigen, dan zou ik gewoon de weg terug naar Fribourg ondernemen. De Nederduitsche Bond die in de valavond vergaderde, stoorde zich evenwel aan de bezwaren van de HH. Peeters en Sips niet. Mijn kandidatuur werd met grote meerderheid aanvaard. Ik heb achteraf in de Bond niet de geringste moeilijkheid ondervonden uit hoofde van mijn gunstige stemmingen in de militaire aangelegenheden. Het ontbrak gewis voor de Antwerpenaren en voor de Vlamingen in het algemeen niet aan grieven tegenover het legerbeheer, en deze grieven zouden onder de nakende wereld-

[p. 75]

oorlog ook tragische vormen aannemen, maar zelfs de meest traditionele meetingisten konden niet onverschillig blijven tegenover de toenemende spanning op internationaal gebied(26). Wanneer in 1912 de regering-de Broqueville(27), niettegenstaande de geruststellende verklaringen die bij de pas gehouden verkiezingen werden afgegeven, een belangrijke uitbreiding van de dienstplicht aan de Wetgevende Kamers voorstelde, is er in Antwerpen geen beroering gekomen.

Twee dagen na mijn aanstelling als effectief kandidaat, op zondag 8 mei, werd ik reeds ingespannen voor de verkiezingscampagne, en nam het woord op een meeting in de Vrede St.-Amands(28), naast de HH. A. Ryckmans(29), Ad. Henderickx en H. Marck(30). Te 2 uur verscheen ik op de ontvangst van de overheden, die door burgemeester Cootmans(31) genodigd waren op het gemeentehuis te Berchem, ter gelegenheid van de feestelijke opening van de eerste bres in de thans nog in afbraak zijnde oude vestinggordel van Antwerpen. Het is daar dat ik kennis maakte met de meeste van de uittredende vertegenwoordigers van de Meeting voor beide

[p. 76]

Wetgevende Kamers. De heer Delbeke(32), volksvertegenwoordiger, die toen minister was van Openbare Werken, verwelkomde mij vriendelijk met de bemoedigende woorden: ‘Soyez le bienvenu, vous êtes ici dans le pays des Frères ennemis ou la Thébaide’(33). De twee weken die volgden, werden uitsluitend gewijd aan de verkiezingsstrijd. Elke dag hield ik meeting. Ik was begrijpelijkerwijze weinig vertrouwd met de bijzondere strijdvragen, die de Antwerpse politiek in de jongste tijd hadden bezig gehouden, maar ik vond steeds een dankbaar gehoor voor de eisen van ons Vlaams program, de belangen van het onderwijs en voor een betoog van de onafscheidbaarheid van een oprechte vlaamsgezindheid en een actieve liefde voor de zedelijke en de stoffelijke verheffing van het volk. Op zondag 22 mei - veertien dagen na mijn overkomst uit Zwitserland - was ik een werkelijk gekozen lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers en alhoewel slechts een klein gedeelte van onze kiezers de gelegenheid had gehad me te zien of te horen, werd het hoogste aantal voorkeurstemmen op mijn naam uitgebracht, hetzij 2563 op een geheel van 7789 voor geheel de katholieke lijst.

Zo werd meteen, en geheel onverwachts, het lot over mijn toekomst geworpen. Aan een terugkeer naar de universiteit te Fribourg viel niet meer te denken. Ik voelde me wel enigszins verlegen, aan mijn medewerking zo vroegtijdig en zo onverwacht een einde te moeten stellen, alhoewel zulks bij de studieregeling aan de Zwitserse universiteiten minder bezwaar meebracht dan aan onze Belgische hogescholen, met hun strak leerprogram en examenregeling, het geval zou wezen; doch ik kon niet anders. Ik verwachtte dat de Kamers nog in de loop van de zomer zouden samenkomen en bovendien wenste ik, om de duur van mijn nieuwe hogeschoolstudiën zoveel mogelijk te verkorten, datzelfde jaar nog de twee examens in de Wijsbegeerte en de Letteren, voorbereidend

[p. 77]

op de Rechten, af te leggen. Hetgeen ook gebeurde(34).

Meer dan verheugend was voor mij het onthaal dat aan mijn verkiezing in het Vlaamse land, en niet alleen bij de katholieke bevolking, te beurt viel. Emmanuel de Bom(35) had niet geaarzeld, zelfs de week vóór de verkiezing, over mijn intrede in de politiek in De Nieuwe Rotterdamse Courant, waarvan hij de Antwerpse correspondent was, een meer dan lovend artikel te laten verschijnen, dat hem natuurlijk door de linkse pers zeer kwalijk werd genomen, maar dat met gretigheid werd overgedrukt in Het Handelsblad van 18 mei(36). Herman Teirlinck(37), die correspondent was van Het Vaderland, dagblad van Den Haag, schreef over mij na de verkiezing een artikel waarin hij mij ‘een prachtigen blauwvoet’ noemde en er aan herinnerde hoe we samen, in 1909 te Roeselare in de nacht die volgde op de inhuldiging van het standbeeld van A. Rodenbach(38), met Prof. Vermeylen(39),

[p. 78]

Stijn Streuvels(40) en Karel van de Woestijne(41) in een heerlijke feestroes, op een wagen door studenten getrokken, hadden rondgereden... tot de dageraad verscheen. Stijn Streuvels gaf ter gelegener tijde ook zijn harte lucht over deze blijde Rodenbachfeesten in Hooger Leven(42).

(1)Christen-democratische Vlaamsgezinde beweging genoemd naar priester Adolf Daens die, met zijn broer Pieter, in 1893 te Aalst een Christene Volkspartij stichtte die tot Wereldoorlog i naar de Kamer een of twee volksvertegenwoordigers afvaardigde.
(2)Frans Van Cauwelaert was reeds voordien van 1899 tot 1905 student geweest te Leuven en werd er resp. in juli 1904 kandidaat in de wetenschappen en geneeskunde, en in okt. 1905 doctor in de thomistische wijsbegeerte; nadien studeerde hij nog aan de universiteiten van Leipzig en München.
(3)F.V.C. was er van febr. 1907 tot het zomersemester 1910 buitengewoon hoogleraar in de experimentele en pedagogische psychologie.
(4)Blijkens een brief van Em. Vliebergh aan F.V.C. d.d. 7 nov. 1908 (Archief F.V.C.), dateren de benoemingskansen in Luik van eind 1908.
(5)Simon Deploige, oTongeren 15 okt. 1868 †Leuven 19 nov. 1927, promoveerde te Leuven in de letteren en wijsbegeerte, de rechten en de thomistische wijsbegeerte, 1890-1893 advocaat te Tongeren, 1891-1895 medewerker van Joris Helleputte in de Belgische Volksbond, 19 dec. 1896 priester, 1893 hoogleraar te Leuven aan het ‘Institut supérieur de Philosophie’, sedert 1906 tot zijn dood voorzitter hiervan. Deploige was dus bijzonder goed geplaatst, om F.V.C. over benoemingskansen te Leuven in te lichten.
(6)De zin van het ontbrekend vervolg - F.V.C. vertelde dit herhaaldelijk in zijn familiekring - is ongetwijfeld, dat kardinaal Mercier hem niet meer gunstig gezind was en diens benoeming aan een Belgische universiteit in de weg zou staan, zolang hij in de Vlaamse Beweging actief bleef. Dit wordt bevestigd o.m. door een brief van Mercier aan Deploige (s.d., maar kennelijk van 1909, Archief-Hoger Instituut Wijsbegeerte te Leuven), waarin de kardinaal F.V.C. verwijt eigenwijs te zijn en derhalve met hem niets meer te maken wil hebben.
(7)Jan Frans Vossen, oSint-Kwintens-Lennik 24 maart 1863 †ald. 9 mei 1925, 15 april 1888 priester van het aartsbisdom Mechelen, 1890 onderpastoor en 1912 pastoor van de Sint-Barbaraparochie in Sint-Jans-Molenbeek, sedert 1907 directeur van de sociale werken van het arr. Brussel.
(8)Emiel Frans Jozef Vossen, oSint-Kwintens-Lennik 22 juni 1866 †ald. 7 sept. 1916, broer van de voorgaaande, 27 aug. 1893 priester van het aartsbisdom Mechelen, 1894 onderpastoor in Tubeke, 1901 tot zijn dood onderpastoor van de Sint-Niklaasparochie in Brussel.
(9)Jules Renkin, oElsene 3 dec. 1862 †Brussel 15 juli 1934, promoveerde 1884 in de rechten te Leuven, advocaat te Brussel, juli 1896 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Brussel, 1907-1908 minister van Justitie, 1908-1918 van Koloniën, nov. 1918-nov. 1919 van Spoorw. Post en Telegr., dec. 1919-juni 1920 van Binn. Zaken, juni 1931-okt. 1932 eerste minister en tot febr. 1932 minister van Binn. Zaken en Openb. Gezondheid.
(10)Henri Carton de Wiart, oBrussel 31 jan. 1869 †ald. 6 mei 1951, promoveerde 1890 in de rechten te Brussel, advocaat aldaar, juli 1896 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Brussel, juni 1911-nov. 1918 minister van Justitie, nov. 1920-nov. 1921 eerste minister en minister van Binn. Zaken, 1932-1934 en 1949-1950 opnieuw minister, 21 nov. 1918 minister van Staat, 14 nov. 1921 graaf.
(11)August van Cauwelaert, oO.L.V.-Lombeek 31 dec. 1885 †Antwerpen 4 juli 1945, promoveerde 1911 in de rechten te Leuven, advocaat te Antwerpen, werd tijdens Wereldoorlog i aan het front zwaar gewond, nadien vrederechter te Kontich en politierechter te Antwerpen; als letterkundige o.m. sedert 1932 hoofdredacteur van het maandblad Dietsche Warande en Belfort.
(12)Alfred Binet, oNice 11 juli 1857 †Parijs 18 okt. 1911, Frans psycholoog, directeur van het psycho-fysiologisch instituut van de Sorbonne.
(13)Alfons Jozef van de Perre, oGeel 13 juli 1872 †Wjnegem 4 aug. 1925, promoveerde in 1897 in de geneeskunde te Leuven, arts eerst te Geel nadien te Antwerpen; als Vlaamsgezinde o.m. ijveraar voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs in Vlaanderen en in 1910 medestichter van het Katholiek Vlaamsch Secretariaat (zie daarover p. 184, noot 306); juni 1912-nov. 1919 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen.
(14)Bedoeld worden de Kamerverkiezingen van 22 mei 1910 in de provincies Antwerpen, Brabant, Luxemburg, Namen en West-Vlaanderen.
(15)Zie Het Handelsblad, 4 april 1910. (Noot f.v.c.).
(16)Jeroom van Kerckhoven(-Donnez), oHingene 22 juni 1842 †Antwerpen 4 sept. 1920, mei 1902-1912 plaatsvervanger op de lijst van de katholieke Meetingpartij, actief flamingant o.m. in de Nederduitsche Bond, waarvan hij enige tijd voorzitter was, en in het Algemeen Nederlands Verbond.
(17)Zie Het Handelsblad, 11 april 1910. (Noot f.v.c.).
(18)De Burgerkring werd in 1857 te Antwerpen gesticht aan de Coppenolstraat nr. 5; sedert 1876 huurde hij aan de Koningsstraat (eerst nr. 10, later nr. 6) een eigendom, dat in 1883 officieel als vergaderlokaal werd ingehuldigd. De Burgerkring bleef er gevestigd, tot hij in 1958 naar de Hoogstraat nr. 12 verhuisde.
(19)Arnold Jozef Hendrix, oPeer 12 mei 1866 †Antwerpen 26 febr. 1946, na studies te Leuven sedert 1890 apotheker te Antwerpen; behalve zijn prestaties op wetenschappelijk gebied - hij werd in 1939 de eerste voorzitter van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde - ook een strijdend figuur in de Vlaamse Beweging o.m. voor de vernederlandsing der Gentse universiteit.
(20)Bedoeld wordt het wetsvoorstel dat Coremans op 9 aug. 1901 bij de Kamer neerlegde, om in het vrij middelbaar onderwijs in Vlaanderen het taalgebruik te regelen in de zin van een gedeeltelijke vernederlandsing, zoals de wet van 1883 het reeds voor het officieel middelbaar onderwijs voorzag; pas in april-mei 1910 leidde zijn initiatief tot de wet-Franck-Segers.
(21)Voor deze Commissie en de Meetingpartij zie p. 55, noot 134.
(22)Louisa (eig. Sidonia Maria Aloysia) Verscheuren, oBlaasveld 30 okt. 1879 †Antwerpen 30 okt. 1946. F.V.C. huwde haar te Blaasveld op 6 sept. 1906.
(23)Flor Peeters, accountant te Antwerpen, nam reeds vóór Wereldoorlog i radicale Vlaamsgezinde stellingen in: zo verdedigde hij in 1913 op de Algemene Vergadering van het Algemeen Nederlands Verbond de bestuurlijke scheiding en pleitte voor een onafhankelijke Vlaamse partij; tijdens Wereldoorlog i was hij als activist o.m. lid van de Raad van Vlaanderen voor de prov. Antwerpen.
(24)Lodewijk Sips, oAntwerpen 16 aug. 1858 †ald. 17 jan. 1922, zakenman en expert in scheepvaartaangelegenheden, hardnekkig meetingist, antimilitarist en flamingant, tijdens Wereldoorlog i activist.
(25)Het ministerie van Oorlog bestond onafgebroken van 1831 tot dec. 1919; van dan af werd het omgedoopt tot ministerie van Landsverdediging.
(26)Met ‘toenemende spanning op internationaal gebied’ wordt gezinspeeld op het Agadir-incident in Marokko en de Italiaanse aanval op Tripolis, eind 1911-begin 1912. Zie ook verder, noot 218.
(27)Charles de Broqueville, oMol 4 dec. 1860 †Brussel 5 sept. 1940, juni 1892-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Turnhout, nov. 1919-april 1925 prov. senator voor Namen, daarop tot juni 1936 gecoöpteerd senator; 1911-1918 regeringshoofd, sept. 1910-nov. 1912 minister van Spoorwegen, febr.-april 1912 en nov. 1912-aug. 1917 van Oorlog, aug. 1917-jan. 1918 van Buitenl. Zaken, nov. 1918-nov. 1919 van Binnenl. Zaken, mei 1926-mei 1931 van Landsverdediging, okt. 1932-nov. 1934 eerste-minister.
(28)Katholieke werkmanskring en vergaderzaal te Antwerpen in de Dambrugsestraat 223-225.
(29)Alphonse Ryckmans, oMechelen 3 okt. 1857 †Antwerpen 3 jan. 1931, promoveerde 1879 in de rechten te Leuven, sedert 1879 advocaat te Antwerpen, dec. 1899-dec. 1911 en 1921 kath. gemeenteraadslid te Antwerpen, maart 1912-1921 prov. senator voor Antwerpen, nadien tot 1925 gecoöpteerd senator, april 1925 tot zijn dood senator voor het arr. Antwerpen.
(30)Hendrik Marck, oMechelen 1 okt. 1883 †Antwerpen 11 april 1957, promoveerde 1907 in de rechten te Leuven, advocaat, dec. 1918 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen.
(31)Jan Florent Cootmans, oBerchem (Antw.) 18 aug. 1853 †ald. 10 april 1940, wisselagent, dec. 1878 gemeenteraadslid, nov. 1885 schepen en dec. 1907-juli 1921 burgemeester van Berchem.
(32)August Charles Delbeke, oKortrijk 12 aug. 1853 †Antwerpen 19 dec. 1921, promoveerde 1874 in de rechten te Leuven, 1884-1887 lid van de Antwerpse Provinciale Raad, juni 1892-nov. 1910 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen, mei 1907-aug. 1910 minister van Openbare Werken, 15 jan. 1912 baron.
(33)La Thébaïde ou les Frères ennemis, treurspel en eerste drama van Racine, geschreven in 1664.
(34)F.V.C. legde dit kandidaatsexamen af met grote onderscheiding in de tweede zittijd van 1910; in sept. 1911 legde hij met onderscheiding het kandidaatsexamen in de rechten af.
(35)Emmanuel de Bom, oAntwerpen 9 nov. 1868 †Kalmthout 14 april 1953, letterkundige en hoofdbibliothecaris te Antwerpen, als journalist vóór Wereldoorlog i Antwerps correspondent van De Nieuwe Rotterdamse Courant, nadien redacteur aan De Volksgazet.
(36)Het Handelsblad van woensdag 18 mei 1910, p. 1, onder de titel Frans van Cauwelaert. De Bom verheugt zich in dit artikel over de kandidatuur van F.V.C., geeft een levensschets en portret van hem, noemt hem een katholiek met brede gedachten en een aanwinst voor de nationale strijd, en verder: ‘Van Cauwelaert, dat is ontegensprekelijk, is een vlam, hij heeft in zijn ziel 't vuur van den Franciscaner monnik (...)’.
(37)Herman Teirlinck, oSint-Jans-Molenbeek 24 febr. 1879 †Beersel-Lot 5 febr. 1967, letterkundige, 1906-1911 Brussels correspondent van het Nederlandse Algemeen Handelsblad (Amsterdam).
(38)Het standbeeld van Albrecht Rodenbach (oRoeselare 27 okt. 1856 †ald. 23 juni 1880) werd te Roeselare ingehuldigd tijdens de feestelijkheden van 21 en 22 augustus 1909. F.V.C. sprak er op zondag 22 aug. over ‘Rodenbach en de Studentenbeweging’. Zie De Rodenbachsviering te Rousselare in Hooger Leven, iv, 28 aug. 1909.
(39)August Vermeylen, oBrussel 12 mei 1872 †Ukkel 10 dec. 1945, promoveerde 1894 te Brussel in de historische wetenschappen, 1899 te Gent in de letteren en wijsbegeerte (Geschiedenis); 1901 docent, 1903 hoogleraar te Brussel; 1923 hoogleraar te Gent en 1930-1933 rector aldaar; dec. 1921 tot zijn dood socialistisch gecoöpteerd senator.
(40)Stijn Streuvels (pseud. Frank Lateur), letterkundige, oHeule 3 okt. 1871 †Ingooigem 15 aug. 1969.
(41)Karel van de Woestijne, letterkundige, oGent 10 maart 1878 †Zwijnaarde 23 aug. 1929.
(42)Zie Streuvels' artikels Strijd en zegepraal in Hooger Leven, iv: nr. 36, 4 sept. 1909, p.1-2, en nr. 37, 11 sept., p.1.
prepostterug  begin  verder