terug  begin  verderprepost

2
De drukste maanden van mijn leven: examens en voordrachten vóór de bijeenroeping van het Parlement. (Juni-oktober 1910)

Gelukkiglijk voor mij volgde op de verkiezingen een lange periode van politieke rust. De katholieke partij had haar meerderheid behouden(43). Er was dus geen aanleiding om een regeringscrisis te openen en geen haast om het Parlement samen te roepen. Het was slechts op de tweede dinsdag van november dat, gehoorzamend aan het voorschrift van de Grondwet, de nieuwe Wetgevende Kamers hun eerste vergadering hielden. De vrije maanden, die me aldus werden geschonken, werden niettemin de drukste die ik in mijn leven heb gekend. Buiten de voorbereiding van de twee examens, waarvan ik reeds melding heb gemaakt, kreeg ik enige belangrijke redevoeringen te verwerken, waaraan ik me moeilijk had kunnen onttrekken. Op 28 juni sprak ik op de grote volksvergadering die, als Nationale Betoging tegen het Alcoholisme, in de grote hall van de wereldtentoonstelling te Brussel werd gehouden en op welke Z.M.Koning Albert aanwezig was. Het voorzitterschap werd waargenomen door oud-minister Lejeune en als hoofdredenaar had men uitgenodigd Kardinaal Mercier en advo-

[p. 79]

caat Robert(44), die toen een van de meest aanzienlijke leden was van de balie van Parijs. Zij werden echter alle drie door de omstandigheden slecht gediend. Vooreerst zij spraken in het Frans voor een vergadering die voor de vier-vijfden uit Vlaamse volksmensen bestond en, tot overmaat van ongeluk, geen van hen had stem genoeg om zich zonder luidsprekers - die toen nog niet in gebruik waren - in een voorlopige zaal, waar de stem in het ijle verging, hoorbaar te maken voor een menigte van duizenden personen. Ik had dan ook geen moeite om een luide bijval te oogsten van een gehoor dat anderhalf uur, in eerbiedige stilte, had moeten wachten vooraleer het een woord te snappen kreeg! Zonder de aanwezigheid van de Koning en de Kardinaal zou het alvast niet zo rustig zijn vergaan!

Op 29 augustus hield ik voor de Derde Sociale Week te Leuven een voordracht over ‘Volksontwikkeling en Volkswelvaart’, als aanvulling op de les die ik het jaar te voren had gegeven over ‘Volksontwikkeling’(45). Ik heb een dankbare herinnering behouden van de roerende wijze, op welke ik de dank van de deelnemers van de Sociale Week mocht ontvangen uit de mond van een jonge houtarbeider uit Boom, die later mijn collega als volksvertegen-woordiger is geworden, de heer Hubert Mampaey(46), die om de adel van zijn karakter steeds in mijn aandenken een piëteitvolle plaats zal behouden. Op zondag 4 september nam ik het woord op de algemene namiddagvergadering van het congres van het Davidsfonds te Sint-Niklaas(47), nadat ik in de loop van de week

[p. 80]

die voorafging op de Nederlandse Vacantieleergangen te Leuven voor de dames-afdeling een les had gegeven over Zielkunde(48). Ik moest te Sint-Niklaas eveneens spreken op de algemene landdag van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond dat op 5 september vergaderde(49). Maar het voornaamste gebeuren was evenwel mijn optreden voor de drie Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen - het Zesde Vlaamsch Rechtskundig, het xivde Vlaamsch Genees- en Natuurkundig en het Eerste Vlaamsche Taal- en Geschiedkundig Congres, die voor de eerste maal gelijktijdig en in gezamenlijk overleg hun studiedagen hielden te Antwerpen(50). Deze wetenschappelijke dagen zijn onbetwistbaar het hoogtepunt geweest in ons Vlaams geestesleven vóór de eerste wereldoorlog en hebben op indrukwekkende wijze beantwoord aan de bedoeling, die de drie congressen had samengebracht, namelijk een machtige inzet te verzekeren aan de campagne voor de vervlaamsing van de Gentse hogeschool, die vanaf dat ogenblik de Vlaamse Beweging heeft beheerst. Prof. Arthur Van Gehuchten(51), van de hogeschool te Leuven, wereldberoemd om zijn studiën op het gebied der zenuwleer, sprak voor de geneesheren. Oud-minister Lejeune nam deel aan het congres van de rechtsge-

[p. 81]

leerden en gaf op het banket, dat aan het einde van de studievergaderingen plaats vond, luid uiting aan zijn leedwezen dat hij onze taal niet machtig was. ‘Het zou’, zo verklaarde hij, ‘voor de Walen als een eer moeten gelden uw taal te kennen en, als Waal, ben ik beschaamd mijn onkunde te moeten belijden’.(52)

Ik zelf voerde het woord op de gemeenschappelijke vergadering die op de zaterdagavond werd gehouden in de feestzaal van het Koninklijk Atheneum en nam als thema ‘De Universiteit en het Volksleven’. Het voorstel om mij als spreker voor de grote slotvergadering van de drie Congressen uit te nodigen, was uitgegaan van het Genees- en Natuurkundig Congres, op ingeving van Dr. A. van de Perre, aan wie het algemeen voorzitterschap door de drie congressen was opgedragen, maar het gaf aanleiding tot moeilijkheden die een betekenisvol licht werpen op wat de geestesgesteldheid van het toenmalig liberaal-socialistisch stadsbestuur van Antwerpen was. Een liberaal bestuurslid van het Genees- en Natuurkundig Congres had Dr. van de Perre verwittigd dat indien ik als spreker zou worden gevraagd, hij zich heel wat ongenoegen vanwege het stadsbestuur op de hals zou halen. En werkelijk, elke subsidie werd geweigerd aan het Genees- en Natuurkundig Congres terwijl aan het Congres voor Taalkunde en Geschiedenis dat zijn aanvraag deed vóór dat mijn optreden bekend was, reeds 1500 fr. waren toegezegd. Zelfs mocht er over de feestzaal op de Meir niet worden beschikt voor de tentoonstelling van geneeskundige instrumenten. Maar Dr. van de Perre was geen man die zich gemakkelijk van de wijs liet brengen. Hij dreef zijn opzet door, op gevaar met eigen middelen in de kosten van het Congres ruimer te moeten bijdragen, en mijn naam werd op het program van de Congressen behouden. Terwijl ik aan het woord was, ging plots het elektrisch licht in de zaal uit, zodat ik een tijdje in het pikdonkere moest voortspreken. Ik heb evenwel geen geloof gehecht aan het vermoeden dat werd geopperd, dat dit tussengevalletje iets met de onvriendelijkheid van het stadsbestuur zou hebben te doen gehad. De tekst van mijn rede kan men terugvinden in de Tweede Reeks van mijn Verhandelingen en Voordrachten(53). Ik geloof,

[p. 82]

zonder onbescheidenheid te mogen aannemen, dat zij aan de aandacht van de intellectuele Vlamingen uit die dagen niet is ontgaan. In elk geval zij werd door de congresleden op levendige wijze toegejuicht. Het Handelsblad schreef op 22 september in verband met de avond: ‘Wellicht zal Van Cauwelaert nooit meer volksvertegenwoordiger zijn dan hij daar was in dit grootsch moment, toen katholieken, liberalen, socialisten, alles vergetend om nog enkel zich te herinneren dat boven alles hun Vlaming-zijn staat, in eindelooze vervoering hem toejuichten. In dit oogenblik is het eedverbond der Vlamingen gesloten.’(54)

(43)Na de Kamerverkiezingen van 22 mei 1910 (zie ook hoger noot 14) beschikten de katholieken over 86 (-1), de liberalen over 44 (+1), de socialisten over 35 (st.q.) zetels; de christen-democratische daensisten behielden hun enige zetel.
(44)Robert Henri, genoemd Henri-Robert, Frans advocaat, oParijs 1863 †ald. 1936, 1913-1919 deken van de Parijse balie, vóór Wereldoorlog i zeer bekend als advocaat in criminele zaken.
(45)De les Volksontwikkeling en Volkswelvaart verscheen in Derde Vlaamsche Sociale Week gehouden te Leuven 1910. Volledig verslag, Gent, s.d., p. 76-102.
(46)Hubert Mampaey, oBoom 29 sept. 1882 †Brugge 18 juni 1947, aanvankelijk bediende, sedert 24 april 1921 gemeenteraadslid, 17 aug. 1921-6 jan. 1927 schepen te Boom, 20 nov. 1921-1946 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen.
(47)Het Davidsfonds-congres te Sint-Niklaas ging door op 4 en 5 sept. 1910. De Rede van volksvertegenwoordiger Fr. Van Cauwelaert - pas naderhand geschreven en dus niet de trouwe weergave van de geïmproviseerde toespraak - werd gepubliceerd in de Handelingen van het Congres van het Davidsfands gehouden te Sint-Niklaas den 4den en den 5den September 1910, Brugge, s.d., p.199-206.
(48)F.V.C. gaf er twee lessen over Kinderzielkunde. Cfr. Nederlandsche Vacantieleergangen te Leuven 1910. Verslag, Leuven, 1910, p. 11.
(49)Deze landdag van het A.K.V.S. vormde de vierde afdeling op het congres van het Davidsfonds. De voor maandag 5 sept. 1910 voorziene redevoering van F.V.C. ging niet door. Het Handelsblad van 6 sept. 1910, p.1, schrijft in zijn verslag over het congres, dat F.V.C. had moeten spreken, maar ‘op aandringen zijner vrienden, die volstrekt wilden dat de begaafde redenaar zijne krachten zou sparen, was hij Zondag avond huiswaarts gekeerd. In zijne plaats sprak (...)’.
(50)Het eerste Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres werd door prof. J. Mac Leod georganiseerd te Gent in 1897; het eerste Vlaamsch Rechtscongres werd gehouden te Antwerpen in 1900. Het Vlaamsche Taal- en Geschiedkundig Congres heette vanaf het tweede (Gent 1913) Vlaamsch Filologencongres. De gezamenlijke congressen van 1910 gingen door te Antwerpen op 17-20 september.
(51)Arthur Van Gehuchten, oAntwerpen 20 april 1861 †Cambridge 7 dec. 1914, studeerde te Leuven natuurwetenschappen en geneeskunde en doceerde er 1887-1914 anatomie. Vooral onder zijn leiding deed F.V.C. de kandidaatsstudies in natuur- en geneeskundige wetenschappen.
(52)Cfr. Het Handelsblad van 19 sept. 1910. (Noot F.V.C.).
(53)Universiteit en Volksleven, in Verhandelingen en voordrachten, iie reeks, Antwerpen, 1914- p.97-124.
(54)Uit art. Vlaamsche Hoogeschool, in Het Handelsblad van donderdag 22 sept. 1910, p.1, kol.1.
prepostterug  begin  verder