terug  begin  verderprepost

3
Woelige Kamerdebatten. Troonrede van Koning Albert. Algemeen stemrecht en Vlaamse Kwestie. Spektakel bij interpellaties. (Nov. 1910-maart 1911)

Op 8 november, de tweede dinsdag van de maand, kwamen de Wetgevende Kamers eindelijk bijeen, zoals de Grondwet het voorschrijft. Het zou dat jaar niet de banale formaliteit zijn waaraan we gewoon zijn geraakt. Niet zozeer om de weerklank welke de algemene verkiezingen op deze eerste samenkomst van de parlementaire gekozenen zouden hebben, maar omdat Koning Albert, die pas op 23 december van het vorig jaar de troon had bestegen, aan de opening van dit eerste wetgevend jaar van zijn bewind een bijzondere betekenis wilde geven door het houden van een troonrede. De plechtigheid die plaats vond voor de Verenigde Kamers werd ook bijgewoond door H.M. Koningin Elisabeth, de twee jonge prinsen en H.Kon.Hoogheid de Gravin van Vlaanderen(55). Het mag overbodig blijken er aan toe te voegen dat de Vorst en het jonge koninklijke gezin het voorwerp zijn geweest van een enthousiast onthaal. De vergadering werd voorgezeten door de

[p. 83]

heer Léger(56), senator van het arrondissement Gent-Eeklo, als oudste lid van beide Kamers en als jongste lid had ik de eer aan zijne zijde te zetelen als secretaris van het bureau. De socialisten, die toen nog niet genezen waren van hun vrees voor de hoflucht waarin ze zich in de jongste jaren zo lekker hebben gekoesterd, konden evenwel hun zenuwen niet geheel meester blijven. Terwijl de vergadering rechtstaande met luide toejuichingen de intrede van de Koning begroette, werd van socialistische zijde herhaaldelijk de kreet aangeheven: ‘Ontbinding! Leve het zuiver algemeen stemrecht’. Enkele leden wierpen over de vergadering briefjes, waarop dezelfde uitroep voorkwam, hetgeen voor natuurlijk gevolg had dat de toejuichingen en het hoera-geroep voor de Koning op de overige banken verdubbelde en dat ook de toeschouwers van de openbare tribunes aan de koningsgezinde betoging begonnen deel te nemen(57).

De toespraak van de Koning was vrij van ieder grootspraak, maar gaf uiting aan enkele bekommernissen, die steeds zijn regering zouden blijven beheersen en welke ook reeds bij zijn eedaflegging waren tot uiting gekomen: zijn bezorgdheid om de geestelijke en de morele waarden van de natie, de verheffing van de levensstandaard van de arbeiders door een degelijk vakonderwijs, een goede verstandhouding tussen Walen en Vlamingen, de schoolvrede en de verruiming van onze maatschappelijke wetgeving. ‘Het is aan de huisvader’, zo zegde hij woordelijk, ‘dat het recht toebehoort om te waken over de opvoeding en het onderwijs van zijn kind, en in volle vrijheid de school te kiezen waaraan hij zijn kind zal toevertrouwen. Mijn regering zal u maatregelen voorstellen, die hem de uitoefening van dit onvervreemdbaar recht op

[p. 84]

afdoende wijze zullen waarborgen.’ Zijn aankondiging van nieuwe maatschappelijke wetsontwerpen leidde hij in met de woorden: ‘Het lot van de minderbegoeden moet het voorwerp blijven van onze bestendige bezorgdheid.’(58)

Onmiddellijk na het vertrek van de Koning vergaderde de Kamer afzonderlijk onder het voorzitterschap van haar ouderdomsdeken, Minister August Beernaert(59), voor het onderzoek van de regelmatigheid van het mandaat van haar leden en het samenstellen van haar vast bureau. Ik nam ook ditmaal, als jongste lid, de functie waar van secretaris, met Baron Robert de Kerchove(60), mijn lijstgenoot voor Antwerpen, die de tweede jongste was en ook voor de eerste maal werd verkozen.

Het nazicht van de verkiezingen, dat gewoonlijk als een stille gebeurtenis doorgaat, gaf echter ditmaal aanleiding tot heftige tonelen, die mij onmiddellijk een voorsmaak gaven van de hittigheid die onze Kamer van Volksvertegenwoordigers steeds heeft gekenmerkt en waarvan ik in de latere jaren zo dikwijls getuige zou worden. Zij gingen met zulk een vloed van beledigende woorden gepaard dat Beernaert, die tien jaar lang de Kamer had voorgezeten en bij wie het dus noch aan ervaring noch aan parlementair prestige ontbrak, zijn machteloosheid moest bekennen om ze disciplinair te beteugelen en zich reeds de tweede dag verplicht zag de vergadering te schorsen. Het was rond de verkiezing van het arrondissement Nijvel dat het debat zijn hoogste drift bereikte. De liberaal May(61), die pas kort geleden de grote naturalisatie had verkregen, was buiten alle vooruitzichten als kandidaat

[p. 85]

van de kartellijst gekozen geworden. Arthur Verhaegen(62) betwistte de regelmatigheid van een succes, dat volgens hem alleen te danken zou geweest zijn aan de macht van het geld, met welke deze kandidaat zou hebben gewerkt en zijn agenten stemmen zouden hebben geronseld. Het was inderdaad zeer opvallend dat Nijvel het enige arrondissement was waar de linkse partijen een zetel hadden gewonnen. De ware oorzaak van de heftigheid, met welke van linkse zijde bij het nazicht van de mandaten werd opgetreden, lag echter in het feit dat de uitslag van de verkiezingen de linkse partijen diep had ontgoocheld. Reeds zesentwintig jaar was de katholieke partij zonder onderbreking aan het bewind(63). Zij vertoonde onmiskenbaar tekenen van inwendige strijd onder de opkomst van de jonge democratie en zoals ieder politiek regiem had zij de gevolgen te aanvaarden van de lange reeks van verantwoordelijkheden, die met de uitvoering van het gezag gepaard gaan. Men kon er zich bij de jongste verkiezingen te meer aan verwachten dat deze waren voorafgegaan door twee belangrijke wetgevende beslissingen, die lang niet eenparig door de katholieke volksmening op gunstige wijze waren onthaald geworden: de persoonlijke dienstplicht en de naasting van Congo(64).

[p. 86]

In verschillende arrondissementen ontstonden scheurlijsten(65).

Al deze omstandigheden schenen de linkse partijen werkelijk te hebben overtuigd, dat eindelijk het uur was aangebroken waarop zij de katholieke regeringsvlag met vereende krachten zouden kunnen neerhalen. Zij sloten kartel in al de arrondissementen, met uitzondering van Antwerpen en Brussel, en het was meer dan gewone propagandabluf, wanneer hun woordvoerders het einde van het ‘clericaal regime’ op 22 mei meenden te mogen aankondigen. Men kan dan ook hun ontsteltenis en woede begrijpen, wanneer zij moesten vernemen dat de katholieke partij over geheel het land slechts één zetel had verloren en met een meerderheid van zes stemmen in de Kamer en van zestien stemmen in de Senaat zich opnieuw voor vier jaar van 's lands bestuur meester kon achten(66).

 

Deze standvastigheid van de katholieke meerderheid kan moeilijk worden verklaard zonder het meervoudig stemrecht. De nederlaag van de maand mei werd dan ook voor de socialistische sprekers een aansporing, om van de herziening van de kieswetten een hoofdinzet te maken van de bespreking die eindelijk op 22 november in de Kamer kon beginnen over het adres van antwoord dat op de Troonrede diende te volgen(67). ‘De hervorming van het verkiezingstelsel’, zo verklaarde E. Vandervelde(68) in de Kamervergadering van 25 november 1910, ‘is de hervorming bij uitstek, zij is de slotsteen die alle andere hervormingen beheerst’(69). Dit

[p. 87]

was dan ook het thema, waarop J. Destrée(70) zich inspireerde, in een lange rede, die hij als eerste van de socialistische sprekers hield; hij besloot met de onmiddellijke ontbinding van de Kamers te vragen om aan het volk de gelegenheid te geven zijn ware meerderheid te laten kennen(71). De socialisten konden zich natuurlijk geen begoocheling maken over de mogelijkheid om onmiddellijk over te gaan naar het zuiver en eenvoudig algemeen stemrecht, aangezien daarvoor een herziening van de Grondwet nodig was, en zij de daartoe vereiste meerderheden in Kamer en Senaat, zelfs met de hulp van de liberalen, niet konden bereiken(72). Maar zij drongen aan op de onverwijlde éénmaking van de verkiezingsstelsels voor de wetgevende Kamers, de provincieen de gemeenteraden, waarvan zij, tenminste buiten de grootste steden, een vrij aanzienlijke verruiming van hun invloed konden verwachten.

De handschoen werd onmiddellijk opgenomen door Minister Ch. Woeste, die de taak van verslaggever over het ontwerp van adres, waarvan hij trouwens de ware opsteller was, op zich had genomen; uit geheel het debat zou blijken dat hij op zijn 74-jarige leeftijd nog niets van zijn slagvaardigheid had verloren(73). Met de rede van Woeste bereikte ook de bespreking van het adres haar ware ruimte. Het verder verloop van het debat, dat slechts op 7 december kon worden geëindigd en waaraan de meest aanzienlijke leden van de drie hoofdpartijen deelnamen, werd als een voorafgaandelijke verkenning van de stellingen, welke zij tegenover elkander in de komende jaren op het gebied van de algemene politieke strijd zouden innemen. Voor de Regering spraken Schollaert, die

[p. 88]

hoofd was van het kabinet, en J. Renkin, minister van Koloniën; voor de katholieke partij, benevens Woeste, ook Arthur Verhaegen en Carton de Wiart; voor de liberalen P. Hymans(74), L. Franck(75) en P. Janson(76); en voor de socialisten, na Destrée, die reeds werd vermeld, E. Vandervelde, Jos Wauters(77) en Anseele. Ik bepaal me bij deze opsomming slechts tot de sprekers die op mij de meeste indruk hebben gemaakt. Het was, niettegenstaande de voornaamheid van de woordvoerders, geen louter academische uiteenzetting, maar een gespannen krachtmeting, waarvan de onderbrekingen, die zich onophoudend kruisten tussen links en rechts, de geladen atmosfeer verrieden. Het was, zoals P. Hymans zich uitdrukte, bij pozen een vergadering, die de indruk moest geven van een ontzaglijke tegensprekelijke meeting(78).

[p. 89]

Als nieuweling kon ik geen meer treffende inwijding in de gewoonten van de Kamer wensen.

Het was bij mij echter niet opgekomen dat ik reeds bij deze eerste gelegenheid genoopt zou worden om het woord te nemen. Een jonge volksvertegenwoordiger doet goed zich eerst te oefenen in stilzwijgendheid - een kunst waarvan men eerst op latere leeftijd de volle waarde beseft - en zijn eerste parlementaire oefeningen te houden bij een kalm getijde. Ik kon me, naar ik vermoedde, om zo gemakkelijker buiten actie houden dat Ad. Henderickx, mijn oudere lijst- en strijdgenoot op voortreffelijke wijze in een Vlaamse redevoering de beschouwingen had ontwikkeld die in verband met het talenvraagstuk bij de rede van de Koning te pas kwamen. Maar een liberaal volksvertegenwoordiger, eveneens gekozene van het arrondissement Antwerpen, de heer Verheyen(79), achtte het wenselijk op het ontwerpadres een amendement in te dienen waarin de noodzakelijkheid van een Vlaamse hogeschool werd vastgesteld en het verlangen van de Kamer werd uitgesproken, dat zonder verwijl tot de oprichting ervan zou worden overgegaan(80). De bedoeling van Verheyen kon enkel zijn, de Vlaamsgezinde leden van de Rechterzijde in verlegenheid te brengen hetzij tegenover hun partij, indien zij het amendement moesten stemmen, hetzij bij hun kiezers, indien ze dit weigerden. Ik mocht, minder dan een ander, over mijn houding enige dubbelzinnigheid laten ontstaan. Het was het belang van de Vlaamse strijd dat bij mijn Antwerpse vrienden de doorslag voor het stellen van mijn kandidatuur had gegeven en het was het vraagstuk van de vervlaamsing van ons hoger onderwijs dat het brandpunt van die strijd was geworden. Ik mocht en ik wilde de indruk niet geven dat mijn verwerping van het amendement-Verheyen eenvoudig het gevolg zou zijn geweest van een slaafse onderwerping aan de partijtucht en achtte mij dus verplicht de ware reden van mijn houding te

[p. 90]

verklaren. Die reden werd me ingegeven juist door de bezorgdheid om de strijd die ik, in de geest van de commissie voor de vervlaamsing van de hogeschool te Gent(81), weldra hoopte in de Kamer te kunnen inleiden. Ik verklaarde nadrukkelijk mijn inzicht dienaangaande, maar was van oordeel - het eenvoudig gezond verstand sprak in die zin - dat het volstrekt ongeraden was zonder een voorafgaandelijke grondige bespreking van deze hervorming, of zelfs maar van het beginsel van een Vlaamse hogeschool, de voor- en de tegenstanders ervan in de Kamer te willen tellen. Ik drong er bij al de vlaamsgezinde leden - tot welke partij ook behorend - op aan dat zij, zoals ikzelf, tegen het amendement-Verheyen zouden stemmen, om aan deze stemming ieder betekenis te ontnemen. De Vlaamse zaak, zo voegde ik er aan toe, is geen partijzaak en meer bepaaldelijk niet het vraagstuk van de vervlaamsing van een hogeschool met welke de heropleving van geheel ons volk gemoeid is en dat alleen door een eerlijke samenwerking van de verschillende partijen een gelukkige oplossing kon vinden. Mijn optreden beantwoordde geheel aan de wens van de Hogeschoolcommissie, die toen door Max Rooses werd voorgezeten. Het was om de door mij aangegeven reden dat ook Adelfons Henderickx had afgezien van zijn eerste inzicht om zelf een amendement ten gunste van de vervlaamsing van het hoger onderwijs voor de Vlamingen in te dienen. Mijn optreden werd op langdurige toejuichingen van rechts begroet(82). Ik had de voldoening dat ook de HH. Franck, Anseele en Huysmans(83), met welke ik later de strijd

[p. 91]

voor de vervlaamsing van de Gentse hogeschool in de Kamer zou aanvoeren, het optreden van Verheyen ontijdig vonden en zich bij de stemming onthielden. De heer Verheyen vond in het geheel maar zes medestanders(84) die, wanneer het vraagstuk van de vervlaamsing van de Gentse hogeschool op regelmatige wijze en ten gronde werd besproken, niet eenmaal allen voorstanders bleken te zijn.

 

De eerstvolgende maanden werden hoofdzakelijk gewijd aan de bespreking van begrotingen en interpellaties, waarvan één aanleiding gaf tot een ergerlijk voorval, waarvan de herinnering mij levendig is bijgebleven. E. Vandervelde had Minister Schollaert in zijn hoedanigheid van minister van Kunsten en Wetenschappen geïnterpelleerd over de herrie die in Muizen was ontstaan door het feit dat een non die hoofdonderwijzeres was van de Gemeenteschool voor meisjes, haar kloosterkleed, zonder toelating van de kerkelijke overheid, had afgelegd en tegen het verzet in van de pastoor van de parochie, die tevens eigenaar was van het schoolgebouw, haar taak als hoofdonderwijzeres was blijven voortzetten(85). Het antwoord van Minister Schollaert was streng binnen de grenzen van de bestuurlijke voorschriften gebleven. Wanneer Wauwermans(86), volksvertegenwoordiger van het aarondissement Brussel zich in het debat mengde, op 7 maart 1911, en aan de leden van de linkerzijde verweet dat er kloosterlingen zijn, die door hen slechts met hoon worden bejegend zolang zij het kloos-

[p. 92]

terkleed dragen, maar op de schouders worden genomen zodra zij hun kloosterkleed hebben afgelegd omdat de belofte van zuiverheid hun te zwaar was geworden, stak er links een onweer op dat mag tellen in de geschiedenis van het Parlement. Een regen van verwijten en beledigingen viel neer op de arme spreker die zich geen kwaad bewust scheen. Hubin(87), die hem maar steeds toeriep dat hij was ‘un répugnant jésuite’, verliet opeens zijn plaats, ging op Wauwermans af en deed alsof hij hem in het aangezicht spuwde. Toen de heer R. Moyersoen(88) vroeg of wel iemand een zo ongehoorde handelwijze kon verontschuldigen, vloog Hubin met gebalde vuisten op hem toe en moest door de deurwaarders worden tegengehouden. Men kan zich de opwinding van de Kamer voorstellen, maar niet minder verbazend was de hulpeloosheid met welke de voorzitter van de vergadering - toevallig was het een van de ondervoorzitters(89) - dit smakeloos spektakel zag verlopen. Op de uitdagende houding van Hubin die hem had toegeroepen ‘Monsieur le Président, j'ai dit à M. Wauwermans qu'il est un répugnant jésuite’ en er aan toevoegde ‘que le Président devrait me rappeler à l'ordre’, wist hij enkel te antwoorden dat het lawaai in de zaal het Bureau verhinderde iets te verstaan van het getwist. Wanneer Hubin daarna overging tot zijn onverschone, was het slechts na een tussenkomst van Minister Woeste dat de voorzitter verklaarde er eindelijk toe te zijn gekomen, ‘à connaître l'incident qui a surgi’, en aan de Kamer voorstelde tegen de heer Hubin ‘de censuur met inschrijving in het proces-verbaal’ uit te spreken, om daarna - na een vage verantwoording van de schuldige en de tus-

[p. 93]

senkomst van een paar liberale leden - zijn voorstel in te trekken en het incident eenvoudig voor gesloten te verklaren(90). Ik beken dat bij het herlezen van dit voorval mijn gevoel als oud-voorzitter van de Kamer(91) niet gesticht is geweest over een zo verregaande onbeholpenheid!

Maar dat was niet alles. Deze ongelukkige vergadering kreeg ook nog een voor de rechterzijde onbehaaglijk staartje. Toen het er op aankwam te stemmen over de afkeurende motie door de linkerzijde als besluit op de interpellatie neergelegd, bleken zoveel leden van de rechterzijde afwezig te zijn gebleven dat de oppositie over de meerderheid beschikte. In de hoop de stemming te kunnen verijdelen, verlieten de leden van rechts de zaal vóór de stemming. Het vereiste quorum kon niettemin nog juist worden bereikt, omdat de tien leden van rechts, die de naamroeping hadden gevraagd, reglementair verplicht waren aan de stemming deel te nemen en op het laatste nippertje een lid van de linkerzijde, die met een collega van rechts gepaireerd had en verondersteld was afwezig te blijven, kwam binnengevallen en zo de meerderheid van aanwezigen, die voor een geldige stemming vereist is, verwezenlijkte. Toen de heer Hoyois(92) bij ordemotie deze doenwijze wilde bespreken, ging er bij de linkerzijde een zodanig verzet op, dat de aangelegenheid naar de volgende vergadering moest worden verzonden, die op haar beurt ontaardde in een woordgehaspel, dat kan aantonen dat de Kamer van vóór 1914 geen lessen van ordelijkheid aan de huidige zou kunnen geven(93). Het was duidelijk dat de opwinding, welke de uitslag van de jongste verkiezingen bij de linkerzijde had veroorzaakt, niet gemakkelijk zou

[p. 94]

luwen. Zelfs de bespreking van het wetsontwerp op het pensioen van de mijnarbeiders, dat weken lang met stukken en brokken de Kamer heeft beziggehouden, kon aan deze krakeelzucht niet ontsnappen(94).

(55)Bedoeld worden de prinsen Leopold (o1901) en Karel (o1903), en koning Alberts moeder, Maria van Hohenzollern-Sigmaringen (†1912).
(56)Théodore Leger, oGent 12 sept. 1826 †ald. 13 juni 1912, promoveerde 1848 in de rechten te Gent, advocaat aldaar, 12 nov. 1894 tot zijn dood kath. senator voor Oost-Vlaanderen (en dus niet, zoals de tekst zegt, voor het arr. Gent-Eeklo).
(57)In het stuk In en om de Kamer schreef Hooger Leven van 9 nov. 1910 dat de socialisten en echte radikalen zich binnen en buiten de Kamer gedroegen als echte bezetenen. Mevrouw Vandervelde zat in de tribune met een rode pancarte op de borst: ‘Ontbinding - Leve het zuiver algemeen stemrecht’. (Noot F.V.C.). - Het betreft hier de eerste vrouw van Em. Vandervelde, Charlotte H.F. Speyer, oLonden 4 april 1870 †1925(?), met wie hij op 15 febr. 1901 te Londen gehuwd was.
(58)Voor de Troonrede van 8 nov. 1910 zie A.P.C. 1910-1911, p. 2-3.
(59)August Beernaert, oOostende 26 juli 1829 †Luzern 6 okt. 1912, promoveerde 1850 in de rechten te Leuven, sedert 1853 advocaat te Brussel, 4 aug. 1874-1900 kath. volksverteg. voor het arr. Tielt, nadien tot 1912 voor het arr. Tielt-Roeselare; herhaaldelijk minister, o.m. juni 1884-maart 1894 regeringshoofd en minister van Financiën, jan. 1895-mei 1900 voorzitter van de Kamer, 28 maart 1894 minister van Staat.
(60)Robert Marie de Kerchove d'Exaerde, oGent 20 dec. 1876 †Wuustwezel 2 maart 1954, promoveerde te Leuven in de rechten en in de politieke en sociale wetenschappen, 22 mei 1910-1946 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen, 14 nov. 1921 baron.
(61)Adolphe Maurice May, oFrankfurt a.d. Main 14 april 1871 †Londen 14 jan. 1915, 22 mei 1910-1912 liberaal volksverteg. voor het arr. Nijvel.
(62)Arthur Théodore Verhaegen, oBrussel 31 aug. 1847 †ald. 11 sept. 1917, ingenieursstudies te Gent en als zodanig o.m. bouwer van het nieuw Begijnhof van Sint-Amandsberg en restaurateur van monumenten als het Gerard de Duivelsteen te Gent en de Sint-Vincentiuscollegiale te Zinnik, 1884 doctor h.c. in de letteren en wijsbegeerte te Leuven, 1883-1892 kath. gemeenteraadslid te Merelbeke, 1891-1900 lid van de Oostvl. Provinciale Raad, 27 mei 1900 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Gent, ziel van de christen-democratische beweging aldaar. Tijdens Wereldoorlog i gevankelijk weggevoerd naar Duitsland en ziek teruggekeerd; enkele dagen vóór zijn dood werd hem de titel van baron verleend.
(63)D.w.z. sedert de verkiezingen van 1884, toen de liberalen in beide Kamers hun meerderheid verloren.
(64)De wet op de beperkte persoonlijke dienstplicht werd in dec. 1909 door Kamer en Senaat goedgekeurd en nog door koning Leopold ii, op zijn sterfbed, ondertekend. - Het wetsontwerp op de naasting van de Congo, op 3 dec. 1907 bij de Kamer neergelegd en in okt. 1908 door beide Kamers goedgekeurd, had voor de katholieke regeringspartij nadelige gevolgen gehad bij de verkiezingen van mei 1908; die van mei 1910 werden er wel niet meer door beïnvloed.
(65)O.a. te Namen, Dinant, Brussel, Roeselare, Mechelen en Leuven. (Noot F.V.C.).
(66)Voor de Kamerverkiezingen van 22 mei 1910 zie hoger noot 14 en 43. Voor de Senaat grepen in 1910 geen verkiezingen plaats; van 1908 tot 1912 bedroeg de katholieke meerderheid er zestien.
(67)Voor de Kamerzitting van 22 nov. 1910 zie A.P.C. 1910-1911, p.53-68. Het hele debat over de troonrede duurde tot 7 dec. 1910.
(68)Emile Vandervelde, oElsene 25 jan. 1866 †27 dec. 1938, okt. 1894-mei 1900 socialist. volksverteg. voor het arr. Charleroi, nadien tot zijn dood voor het arr. Brussel, 4 aug. 1914 minister van Staat, 18 jan. 1916 tot nov. 1921, en juni 1925-nov. 1927, maart 1935-jan. 1937 lid van de ministerraad voor zeer verschillende departementen.
(69)‘(...) parce que les ouvriers comprennent que la réforme électorale est la réforme des réformes, qu'elle est la clef de toutes les autres’. A.P.C. 1910-1911, p.119.
(70)Jules Destrée, oMarcinelle 21 aug. 1863 †Brussel 3 jan. 1936, promoveerde in de rechten te Brussel, advocaat en letterkundige, okt. 1894 tot zijn dood socialist. volksverteg. voor het arr. Charleroi, tijdens Wereldoorlog i o.m. te St.-Petersburg Belgisch gezant bij de regering-Kerensky, dec. 1919-okt. 1921 minister van Kunsten en Wetenschappen en als dusdanig 1920 stichter van de ‘Académie de langue et de littérature francaises’.
(71)De rede van Jules Destrée kwam vóór die van Vandervelde en werd op 22 nov. 1910 uitgesproken. A.P.C. 1910-1911, p. 64-67.
(72)In de Kamer hadden in 1910 liberalen en socialisten samen 79 zetels op 166, in de Senaat waren dat er 46 op 110.
(73)Voor deze rede van verslaggever Woeste (die slechts in 1884 enige tijd minister was, maar sedert 15 nov. 1891 minister van Staat) op 1 dec. 1910 zie A.P.C. 1910-1911, p.158-162.
(74)Paul Hymans, oElsene 23 maart 1865 †Nice 9 maart 1941, promoveerde 1885 in de rechten te Brussel, advocaat aldaar, 1900-tot zijn dood liberaal volksverteg. voor het arr. Brussel, 2 aug. 1914 minister van Staat, jan. 1915-jan. 1918 minister zonder portefeuille, nadien van Buitenlandse Zaken tot aug. 1920 en als zodanig een der Belgische gevolmachtigden op de Vredesconferentie van Versailles, 1924-1925 en 1927-1935 minister van Buitenl. Zaken, 1926-1927 van Justitie, 1936 zonder portefeuille, 1897-1918 hoogleraar in parlementaire en wetgevende geschiedenis aan de universiteit te Brussel.
(75)Louis Marie Franck, oAntwerpen 28 nov. 1868 †Eertbrugge-Wijnegem 31 dec. 1937, promoveerde 1890 in de rechten te Brussel, advocaat, 1911-1918 gemeenteraadslid en schepen van Schone Kunsten te Antwerpen, 27 mei 1906-sept. 1926 liberaal volksverteg. voor het arr. Antwerpen, nov. 1918-maart 1924 minister van Koloniën, sept. 1926-okt. 1937 goeverneur van de Nationale Bank van België, 27 sept. 1926 minister van Staat.
(76)Paul Janson, oHerstal 11 april 1840 †Sint-Gillis (Brussel) 19 april 1913, promoveerde te Brussel in de letteren en wijsbegeerte en in de rechten, 30 april 1877-juni 1884, 11 juni 1889-1894 liberaal volksverteg. voor het arr. Brussel, 12 nov. 1894-1900 prov. senator voor Luik, 27 mei 1900 tot zijn dood opnieuw volksverteg. voor arr. Brussel, 14 aug. 1912 minister van Staat.
(77)C.H. Joseph Wauters, oRosaux-Crenwich (Luik) 8 nov. 1875 †Ukkel 30 juni 1929, promoveerde te Luik in de natuurwetenschappen, 11 juni 1908-1912, 24 mei 1914 tot zijn dood socialist. volksverteg. voor het arr. Hoei-Borgworm; nov. 1918-okt. 1921 minister van Nijverheid, Arbeid en Ravitaillering, juni 1925-nov. 1927 van Nijverheid, Arbeid en Sociale Voorzorg.
(78)Hymans' rede in de Kamer op 30 nov. in A.P.C. 1910-1911, p. 139-153- Hij sprak van ‘un malaise général qui se traduit (...) d'une manière générale dans cette discussion, par une excitation qui, à certains moments, a donné à l'assemblée l'apparence d'un vaste meeting’.
(79)Jacques Verheyen, oAntwerpen 2 sept. 1855 †ald. 25 maart 1911, bediende, 27 mei 1900 tot zijn dood liberaal volksverteg. voor het arr. Antwerpen.
(80)Verheyens voorstel en de discussie errond in A.P.C., op 6 dec. 1910, p. 202-204.
(81)De Eerste Hoogeschoolcommissie werd in 1896 tijdens het xxiiie Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Antwerpen samengesteld; zij werd vooral door prof. J. Mac Leod bezield, De Tweede Hoogeschoolcommissie, over dewelke F.V.C. hier spreekt, werd in 1907 opgericht; zij telde toen vijftig leden en werkte, geleid door Lodewijk De Raet, tot 1914.
(82)In het Kamerverslag leest men: ‘Langdurige toejuichingen rechts. - De redenaar wordt door zijne vrienden geluk gewenscht.’ (A.P.C., 6 dec. 1910, p.204).
(83)Camille (Kamiel) Huysmans, oBilzen 26 mei 1871 †Antwerpen 25 febr. 1968, 1896-1904 leraar en journalist, 1905-1922 secretaris van de Tweede Internationale, jan. 1908-april 1921 socialist. gemeenteraadslid te Brussel nadien tot zijn dood te Antwerpen, juni 1921-jan. 1933 schepen van Onderwijs, nadien burgemeester tot aug. 1946 (behalve tijdens Wereldoorlog ii), mei 1910-1919 volksverteg. voor het arr. Brussel, 1919-1965 voor Antwerpen, juni 1936-april 1939 en april 1954-nov. 1958 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, juni 1925-nov. 1927 minister van Kunsten en Wetenschappen, maart 1947-aug. 1949 van Openbaar Onderwijs.
(84)Naast Verheyen waren dat J. Persoons, Arthur Buysse, Pieter Daens en Prosper van Langendonck. (In totaal dus vier en niet zes medestanders).
(85)Vanderveldes interpellatie en de hele discussie errond kwam in de Kamer op 28 febr. en 7 maart 1911 (A.P.C. 1910-1911 resp. p.777-781 en 831-846). In de gemeenteschool van Muizen bij Mechelen had Zuster Angèle (Juffr. Josine Vandenbroeck), die er sedert 1905 onderwijzeres was, na moeilijkheden met de onderpastoor, die er naderhand pastoor geworden was, in een brief van 23 juni 1910 de aartsbisschop om ontslag van haar geloften gevraagd.
(86)Paul August Wauwermans, oBrussel 20 nov. 1861 †ald. 18 okt. 1941, advocaat te Brussel, 27 mei 1906-1936 kath. volksverteg. voor het arr. Brussel.
(87)Georges Hubin, oBouvignes 18 maart 1863 †Vierset-Barse 29 juli 1947, steenhouwer, 22 mei 1898-febr. 1946 socialist. volksverteg. voor het arr. Hoei-Borgworm.
(88)Romain Moyersoen, oAalst 2 sept. 1870 †ald. 21 april 1967, promoveerde 1893 in de rechten te Leuven, sedert 1895 advocaat te Aalst, 1900-1908 lid van de Oostvlaamse Provinciale Raad, 1896 gemeenteraadslid, jan. 1908-dec. 1921 schepen en 1925-1932 burgemeester te Aalst; 2 aug. 1910-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Aalst, 7 dec. 1921-1936 provinc. senator voor Oost-Vl., 30 juni 1936-mei 1949 gecoöpteerd senator; dec. 1921-maart 1924 minister van Arbeid en Nijverheid, sept. 1924-mei 1925 van Econ. Zaken; 13 febr. 1946 minister van Staat.
(89)In deze zitting van 7 maart 1911 was Edmond Charles Nerincx, eerste ondervoorzitter, dienstdoend voorzitter.
(90)Dd. voorzitter Nerincx zei: ‘Il règne un tel bruit dans la Chambre qu'il a été matériellement impossible au bureau de saisir un mot de l'incident qui vient de se produire spontanément.’ Na Woestes uitleg zei Nerincx o.m.: ‘Je parviens enfin à connaître l'incident qui a surgi.’ (A.P.C., 7 maart 1911, p.836).
(91)F.V.C. was voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 21 april 1939 tot 27 april 1954.
(92)Joseph Hoyois, oDoornik 14 juni 1861 †Holzminden (Brunswijk/Duitsland) 15 mei 1918, promoveerde te Leuven in de admin. en pol. wetensch. en in de rechten, 21 okt. 1894-1900 kath. volksverteg. voor het arr. Doornik, 27 mei 1900 tot zijn dood voor dat van Doornik-Ath.
(93)Zie A.P.C., 7 en 8 maart 1911, p. 844-854.
(94)Dit wetsontwerp werd in de Kamer besproken van 8 maart tot 5 mei 1911. A.P.C. 1910-1911, p.854-1230.
prepostterug  begin  verder