terug  begin  verderprepost
[p. 101]

5
Het schoolontwerp van Schollaert. Val van diens regering. Woestes verantwoordelijkheid. (Maart-juni 1911)

De strijd rondom de Gentse hogeschool bleef evenwel, niettegenstaande zijn emotieve aandoeningen, een nevenstuk in de eigenlijke politieke strijd. De grote gebeurtenis van het jaar en zelfs van deze wetgevende zitting was de strijd rondom het schoolontwerp dat op 14 maart 1911 door Minister Schollaert, hoofd van de regering, in zijn hoedanigheid van minister van Kunsten en Wetenschappen bij de Kamer der Volksvertegenwoordigers werd ingediend(113). Men kon zich aan enig initiatief van die aard verwachten. De Troonrede had er van gesproken. Doch het ontwerp dat werd te voorschijn gebracht, was voor velen ook in de meerderheidsgroep een verrassing zowel door de nieuwigheid als door de draagwijdte van de ontworpen hervormingen. Minister Schollaert wilde met één slag de kosteloosheid, de uitbreiding, de leerplicht en de vrije schoolkeuze voor het lager onderwijs verzekeren. Aan de ouders of de personen belast met het onderhoud van de schoolgaande kinderen zou, zonder onderscheid van maatschappelijke stand, per kind een schoolbon worden afgeleverd, waarvan het bedrag voor 6/10e ten laste van de staat, voor 3/10e van de gemeente en 1/10e van de provincie zou vallen. Zo moest worden berekend dat de gezamenlijke opbrengst voldoende moest worden geacht om de normale kosten te dekken van een klas met vijftig leerlingen. De weldadigheidsburelen zouden de middelen, die op die wijze voor hen vrijkwamen, kunnen besteden aan de voeding of de kleding van de behoeftige kinderen, en de openbare of private schoolbesturen zouden verder op eigen hand hebben te zorgen voor de meerdere kosten, die het door hen ingerichte onderwijs zou vergen. Aan de ouders of de verplegers van de schoolgaande jeugd moest echter de kosteloosheid en een gewaarborgde vrije schoolkeuze verzekerd blijven. Aan het loon-

[p. 102]

barema van het onderwijzend personeel werden tevens gevoelige verbeteringen gebracht. Aan het lager onderwijs werd een vierde graad met beroepsstrekking toegevoegd, bestemd voor de kinderen met gemiddelde leeftijd van 12 tot 14 jaar. En - wat sommige conservatieven een doorn in het oog is geweest - het wetsontwerp voorzag het verbod om kinderen beneden de veertien jaar aan loondienst te onderwerpen, voerde de leerplicht in en verbood aan de bevoordeligde scholen om na 1 januari 1917 nog ongediplomeerd onderwijzend personeel aan te stellen.

Al deze hervormingen beantwoordden ongetwijfeld aan de in het hart van onze bevolking zo diep gewortelde behoefte aan vrije schoolkeuze, maar zij werden tevens ingegeven door een zeer oprecht verlangen om onze volksontwikkeling, welke niettegenstaande alle vooruitgang van de voorafgaande jaren(114) bij deze van vele staten van het Europese Westen was ten achter gebleven, op een hoger peil te brengen. De Memorie van Toelichting mocht met goede redenen bevestigen dat het een wezenlijk ‘nationale hervorming gold, welke boven alle politieke bekommernis staat’. Ik kan, wat mij betreft, niet aannemen dat, zoals Woeste beweerde, de nieuwigheden van het ontwerp slechts waren ingegeven door de ijdele hoop een deel van de oppositie te kunnen winnen, zoals dat aan Schollaert reeds gelukt was voor de invoering van de persoonlijke dienstplicht. De eigenlijke auteur van het ontwerp, Cyriel Van Overbergh, toen secretaris-generaal van het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen, was een van de baanbrekers van de christelijke democratische beweging. Hij was persoonlijk een overtuigd voorstander van de leerplicht en van een uitgebreid en degelijk volksonderwijs.

De houding welke de beide linkerzijden reeds een jaar te voren hadden aangenomen, wanneer de regering op de begroting van Kunsten en Wetenschappen een miljoen liet inschrijven om ter hulp te komen aan de dringende nood van het vrij lager onderwijs, kon weinig illusie hebben geschapen omtrent het onthaal dat de gelijkheidspolitiek van het nieuwe schoolwetsontwerp vanwege de oppositie zou genieten. Em. Vandervelde sprak van het miljoen

[p. 103]

der kloosters. Ook bij de bespreking van de Troonrede was duidelijk gebleken dat de regering op geen welwillendheid van links voor hare schoolpolitiek mocht rekenen. Neujean(115) en Janson poogden een amendement aan het Adres van antwoord toe te voegen waarin werd gezegd, dat ‘alleen het verplichtend gemaakt lager onderwijs tot een algemeen, regelmatig en nauwgezet schoolgaan kan leiden’(116). Geen enkel woord werd van links vernomen waarbij men de hoop kon opdoen, dat het door hen gewilde schoolbezoek rekening zou houden met de noden van het vrij onderwijs, zonder hetwelk de gewetensvrijheid van de ouders niet kon worden geëerbiedigd. ‘Wij zijn akkoord omtrent de vrijheid van de huisvader’, zo verklaarde P. Janson in de zitting van 7 december 1910 in antwoord op Minister Schollaert, ‘maar inzake van de subsidiëring zult gij een onbedwingbaar verzet ontmoeten en gij zult ons gewapend vinden met de tekst van de Grondwet... Uwe thesis is vals, zij is ongrondwettelijk en uitdagend’(117).

De neutraliteit van het officieel onderwijs moest volgens de oppositie volstaan om de gewetensvrijheid van de huisvader te bevredigen en op dit stuk bleken liberalen en socialisten het roerend eens. Het nieuw schoolontwerp van Minister Schollaert scheen hun een gunstige gelegenheid om terzelfdertijd hun nog ongekoeld anticlericalisme de vrije teugel te geven en tevens een uiterste poging te wagen voor een nieuwe greep naar de macht door het afdwingen van nieuwe verkiezingen. De aanvallen op het regeringsontwerp namen dan ook spoedig een ongemene heftigheid aan. Het succes indachtig dat zij in 1857 met de zogenaamde Kloosterwet en in zekere mate ook in 1884, na het ontstaan van de katholieke regering, met straattumult hadden bereikt(118), na

[p. 104]

men de linksen ook ditmaal tot openbare wanordelijkheden hun toevlucht. De katholieke kamerleden werden in de voorname centra bij hun terugkeer, aan de stations, op vijandelijke betogingen onthaald. In Antwerpen was dat regelmatig het geval. Toen Minister Schollaert op zaterdag 22 april naar Antwerpen kwam om de driejaarlijkse schilderijententoonstelling te openen, werd hij na afloop van het banket dat ter zijner ere werd ingericht in het Hotel de Londres, op de Keyserlei lastig gevallen door een opgehitste menigte, die hem met honend geschreeuw tot in het stationsgebouw naliep en zelfs poogde hem tot op het perron van de trein te volgen. Geheel het opstootje was in feite het werk van een socialistisch leider, Chapelle(119), in de havensmiddens bekend voor zijn ruw optreden en die zich vóór de Londres had opgesteld om het volk op te hitsen, en van een liberaal journalist, reporter van Le Précurseur(120) die, naar werd verzekerd, de perstafel tijdens het banket verliet om Chapelle te verwittigen van het vertrek van de minister en die zich verder bij de beledigende betoging schijnt te hebben onderscheiden. De zaak gaf aanleiding tot rechtsvervolging tegen de twee belhamels wegens smaad aan een minister bij het uitoefenen van zijn ambt en tot een interpellatie in de Kamer op 16 mei. Deze werd ingediend door de socialistische volksvertegenwoordiger voor Antwerpen Dr. Terwagne(121) en nam twee volle zitdagen in beslag; daarbij ontbrak het vanzelfsprekend niet aan afwijkingen en persoonlijke incidenten(122).

[p. 105]

Een ander incident betrof de heer Hubert(123), minister van Arbeid en Nijverheid. Deze weigerde naar Charleroi te gaan voor de opening van een tentoonstelling, welke daar op het einde van april plaats vond, uit hoofde van de scherpe aanvallen waaraan de liberale en socialistische pers zich schuldig maakten tegenover de regering. De heer Devreux, liberaal burgemeester(124), die zich met deze onwaardige bejegening niet wilde verenigen, nam zijn ontslag. De verantwoordelijke leiders van de linkse partijen verklaarden in de Kamer - bij de interpellatie-Terwagne - dat zij hun verzet niet buiten de grenzen van de wettelijkheid wilden drijven, maar P. Janson, sprekende te Luik op zondag 7 mei 1911 riep de regering toe: ‘Gij zult eerlijk zwichten of revolutionair omver geworpen worden’(125).

Het is niet verwonderlijk dat in zulke gespannen toestand het gerucht gemakkelijk ingang vond dat de Koning overnacht alleen uit Londen was teruggekeerd en de Koningin - onder voorwendsel van ongesteldheid - drie dagen langer in de Britse hoofdstad was gebleven, om te vermijden dat hun doortocht tot manifestaties tegen het schoolwetontwerp zou aanleiding geven. Het zou in elk geval gewaagd zijn gissingen uit te spreken over de omvang welke het anticlericaal verzet ten slotte zou hebben genomen, indien een regeringscrisis de loop van de gebeurtenissen niet had gewijzigd. Het blijft evenwel mijn overtuiging dat Minister Schollaert, die een vastberaden man was, dit verzet ware te boven gekomen, indien Minister Woeste hem niet zijn steun had ontzegd. Een procedurefout, die gemakkelijk had kunnen vermeden worden, kwam intussen het werk van de regering bij de parlementaire behandeling bemoeilijken. Het was toen gebruikelijk dat het voorafgaandelijk onderzoek van de wetsontwerpen en -voorstellen werd toevertrouwd aan de secties, in welke de leden van de Kamer elke maand bij

[p. 106]

loting werden ingedeeld. Door een gemis aan opmerkzaamheid vanwege het kabinet van Kunsten en Wetenschappen werd het schoolontwerp ingediend in een maand, waar de oppositie toevalliger wijze de meerderheid bezat in drie op de zes afdelingen. Zoals men had kunnen en moeten voorzien, werd in deze drie afdelingen de behandeling van het ontwerp stelselmatig op de lange baan geschoven. Het reglement voorzag geen uitweg om aan deze tegenwerking te ontkomen. Men beproefde een omweg langs het parlementair initiatief. Van Limburg-Stirum(126) en vijf andere collega's van de rechterzijde dienden een voorstel in, waarvan de tekst enigszins afweek van het ontwerp der regering, maar waarvan de praktische bedoelingen met dit laatste overeenkwamen. De inoverwegingneming van het voorstel gaf aanleiding tot een lang en scherp debat, waaraan nagenoeg al de partijleiders deelnamen en dat, begonnen op woensdag 24 mei, slechts op woensdag 7 juni een einde nam met een redevoering van de heer Woeste, nadat het zes volle zittingen had in beslag genomen. Woeste verklaarde zich niet tegen het voorstel, maar hij nam stelling tegen de wens van de regering, om het vooronderzoek toe te vertrouwen aan een bijzondere commissie(127).

Er hadden zich evenwel inmiddels feiten voorgedaan, waarvan zekere bijzonderheden aan betwisting onderhevig zijn gebleven, maar die de regering in een onhoudbare toestand hebben gebracht. De zaterdag tevoren, 3 juni, had de Koning de heer Cooreman(128), voorzitter van de Kamer, ontboden ten einde hem over

[p. 107]

de politieke vooruitzichten te raadplegen. Cooreman schijnt twijfel te hebben uitgesproken omtrent de mogelijkheid om de schoolpolitiek van de regering in het Parlement te doen zegevieren en aan de Koning de raad te hebben gegeven ook Beernaert en Woeste te horen. ‘Le samedi 3 juin le Roi manda à une heure le président de la Chambre, M. Cooreman. Il le consulta sur la situation. M. Cooreman avait peu de goût pour les responsabilités. Il paraît avéré cependant qu'il ne cacha pas au Roi qu'il ne voyait pas le moyen d'aboutir parlementairement et qu'il l'engagea à consulter M. Beernaert et moi-même. Le Roi se rangea à cet avis’. Aldus Ch. Woeste(129). Minister Paul Segers(130), die Woeste steeds gaarne in het gevlei kwam, schreef, met de zichtbare bedoeling op Cooreman een deel van de verantwoordelijkheid af te laden, dat deze zo onder de indruk kwam van de gevolgen van het door hem aan de Koning gegeven advies ‘qu'il en perdit le sommeil et qu'il fut empêché de présider plusieurs séances de la Chambre’(131). Dit is echter een romannetje dat geen ogenblik standhoudt. Wie de Annalen van de Kamer der Volksvertegenwoordigers wil raadplegen, zal kunnen vaststellen dat Cooreman noch de dagen die de crisis voorafgingen noch deze welke volgden ook maar één enkele keer verzuimd heeft de vergadering voor te zitten.

Beernaert werd nog op 3 juni ontvangen, en over zijn tussenkomst werd achteraf niet gepolemiseerd. Woeste ontmoette de Koning de zondag te 2 uur en zijn advies was onbetwistbaar ongunstig(132). Minister Schollaert heeft verzekerd dat hij van deze consultaties geen voorkennis kreeg, daar hij reeds vertrokken was naar zijn buitenverblijf te Vorst in de Kempen, wanneer de betref-

[p. 108]

fende kennisgeving vanwege het Paleis op zijn cabinet werd afgegeven. Woeste heeft zulks betwist. Zoveel is echter zeker dat Schollaert niet voorafgaandelijk over het inzicht van de Koning werd ingelicht en zulks gevoeld heeft als een vermindering van prestige, die hem niet meer zou toelaten met het vereiste gezag, aan de gerezen moeilijkheden het hoofd te bieden. Het was slechts dinsdag 6 juni dat hij van Vorst terugkeerde en door de Koning werd ontvangen. De regering kwam dezelfde avond samen en schijnt na een lange wisseling van gedachten tot het besluit te zijn gekomen ontslag te nemen. Kwam zij reeds die dag tot een onwederroepelijke beslissing, zoals Woeste achteraf beweerd heeft, om het verwijt van zich af te schudden dat het zijn redevoering van 7 juni is geweest die de regering heeft doen vallen, of is het deze rede die de uiteindelijke doorslag heeft gegeven? Men kan deze vraag evenwel als van bijkomstig belang beschouwen, want hetgeen niet kan worden betwist is, dat het hoofdzakelijk de weerstand van Woeste is geweest, die de pogingen van Schollaert om de schoolgelijkheid voor het lager onderwijs in 1911 te doen zegevieren heeft verijdeld. Reeds in oktober 1910 schreef hij in de Revue Générale(133) dat hij het opzet om de gelijkstelling van de scholen inzake subsidiëring te willen doordrijven, beschouwde als een waagstuk en de verantwoordelijkheid ervan geheel overliet aan de jonge rechterzijde(134). De ‘Fédération des Associations et des Cercles Catholiques’, waarvan Woeste voorzitter was, nam op het einde van 1910 in zijn geest en vermoedelijk op zijn ingeving een motie aan waarin zij er nadruk op legde, dat men ieder prikkelend vraagstuk opzij moest houden en meer zorg besteden aan de tucht in de partij. Hij heeft er trouwens geen geheim van gemaakt dat hij, op het ogenblik dat hij op 7 juni aan het woord moest komen, aan Minister Liebaert(135) verklaard heeft: ‘Selon

[p. 109]

moi, la loi est morte’(136). Dit was zijn katholieke collega's niet ontgaan. Het had bij hen aanleiding gegeven tot een groeiende ontstemming.

Toen Schollaert, bij de opening van de vergadering op 8 juni aan de Kamer mededeelde, dat de regering bij de Koning om ontslag had verzocht(137), viel een vloed van heftige verwijten op Woeste neer vanwege de katholieke leden, die aan hem voorbijtrokken terwijl geheel de rechterzijde opgewonden Schollaert en de aftredende ministers juichende volgden naar de partijvergadering, die onmiddellijk daarna in een van de zalen van de Kamer werd gehouden. ‘Un orage de réprobations et disons-le tout de suite, d'injuste colère s'abattit sur lui’, moest Segers, die een van zijn trouwste volgelingen was en bleef, in het reeds vermeld artikel bekennen; ‘traître que vous êtes’ werd hem door een van zijn lijstgenoten, de heer Thienpont(138), in het aangezicht geslingerd(139), terwijl de linkerzijde de betoging van rechts met kreten van ‘Leve het Algemeen Stemrecht’ en ‘Weg met de kloosters’ beantwoordde. Bij het vertrek van zijn vrienden bleef Woeste op zijn bank achter en verliet eenzaam het Parlement. Hij zou de slag, die hij zichzelf door zijn halsstarrigheid had toegebracht, nooit meer volledig te boven komen. Zelfs de door hem voorgezeten en steeds met onbetwist gezag beheerste Federatie ontsnapte niet aan een crisis. De twee secretarissen, de heer Valentin Brifaut(140) en de heer Fl. van Cauwenbergh(141), zoon van de

[p. 110]

volksvertegenwoordiger-burgemeester van Lier, namen ontslag uit protest tegen het gedrag van de voorzitter. Woeste overwoog om zelf ook ontslag te nemen, maar hij verdaagde ten slotte zijn besluit om zijn nederlaag niet te vergroten.

Voor Schollaert echter werd te Leuven op 27 augustus een huldebetoging gehouden, die op de katholieke opinie een onvergetelijke indruk heeft nagelaten. Meer dan duizend vijfhonderd maatschappijen namen er deel aan. Er waren in de stad geen zalen genoeg om de deelnemers samen te brengen. Ikzelf moest het woord nemen voor de Derde-Ordelingen in de kerk van de Paters Franciscanen in de Vlamingenstraat samen met Prof. E. Vliebergh, Minister Helleputte en volksvertegenwoordiger J. Nobels(142), en in het H. Hartgesticht te Heverlee voor de studenten(143).

De mislukking van het moedig en zo heilzaam initiatief van Minister Schollaert was voor onze katholieke gemeenschap een pijnlijke ontgoocheling en deze ging bij de jongeren gepaard met een bitter gevoel tegenover de conservatieve leiders en meer bijzonder tegenover Woeste. Aan hen werd ook de schuld gegeven dat de katholieke partij niet reeds in de jaren negentig, toen zij over meer dan zestig stemmen meerderheid in de Kamer beschikte, er aan gedacht had de toekomst van het vrij onderwijs op een stevige wettelijke basis te vestigen en dat zij zelfs in 1910 nog niet tot een voldoende besef waren gekomen van de noden van ons vrij onderwijs en van de steeds dreigender behoefte van het volk aan meer ontwikkeling. Ik heb aan deze gemoedstoestand uiting gegeven in een paar artikelen die ik in de maand juni aan de regeringscrisis gewijd heb in het Nederlands katholieke dag-

[p. 111]

blad Het Centrum(144). De nederlaag heeft echter ook haar goede zijde gehad. Zij heeft vele ogen geopend over de noodlottig geworden ontoereikendheid van de politiek, welke door de katholieke partij, onder de overheersende invloed of ten gevolge van de weerstand van zijn conservatieve vleugel, op het maatschappelijk en op het onderwijsgebied was gevoerd geworden. Zij gaf een spoorslag aan het doorzettingsvermogen en de werfkracht van haar democratische leden. Zij heeft bovendien het schoolvraagstuk op klare wijze voor het geweten der katholieken geplaatst, en er voor de toekomst een der meest essentiële bekommernissen van onze partij van gemaakt.

De schijntriomf, welke zij hadden behaald, miste vanzelfsprekend ook zijn invloed niet op het gedrag van de linkse partijen. Hun drang naar het bewind werd er door geprikkeld en de bedrieglijke hoop, dat zij door een gemeenschappelijke verkiezingsactie - ‘l'entente cordiale des gauches’ zoals Hymans en Vandervelde hun samengaan hebben genoemd - hun goede kansen tot het maximum zouden ontwikkelen bij de nieuwe algemene verkiezingen, die zij nabij achtten, deed de liberale partij beslissen de eis van het zuiver en algemeen stemrecht, welke voor de socialisten al het overige beheerste, ook in haar program over te nemen.

(113)A.P.C. 1910-1911, p. 895.
(114)Het aantal in het lager onderwijs schoolgaande kinderen dat op 30 juni 1884 324.867 bedroeg, was op 19 dec. 1910 tot 929.347 gestegen. (Noot F.V.C.).
(115)L.N.F. Xavier Neujean, oTheux 23 jan. 1840 †Luik 26 jan. 1914, advocaat te Luik, 4 jan. 1878-1894 en 27 mei 1900-1912 liberaal volksverteg. voor het arr. Luik, 23 febr. 1912 minister van Staat.
(116)Voor dit amendement zie ook de Documents parlementaires de Belgique. Chambre des représentants, 1910-1911, nr. 16.
(117)‘(...) la liberté du père de famille. Là nous sommes d'accord, mais sur la question de subside vous rencontrerez d'irréductibles résistances et vous nous rencontrerez armés du texte de la Constitution (...). Votre thèse est fausse, elle est inconstitutionnelle et provocante’. A.P.C., 7 dec. 1910 p.240
(118)Zie hiervoor o.m. th. luykx, Politieke geschiedenis van België, Amsterdam/Brussel, 21969, resp. p. 120-122 en 180-182; en k. van isacker, Straatrevoluties in België, in Streven, februari 1961, p.422-429.
(119)Donatus Jan-Baptist Chapelle, oAntwerpen 17 aug. 1879 †Liverpool 18 nov. 1942.
(120)De liberale reporter was (Jean) Gustave Jaspaers, oBorgerhout 1873 †Antwerpen 1945. - De liberale Le Nouveau Précurseur verscheen te Antwerpen sedert 16 dec. 1902 als voorzetting van Le Précurseur die er op 15 dec. 1835 was opgericht.
(121)Nicolas Modeste Terwagne, oNamen 14 jan. 1864 †Brussel 30 jan. 1945, arts, 27 mei 1900-1919 socialistisch volksverteg. voor het arr. Antwerpen, 1900-1926 gemeenteraadslid te Antwerpen, tijdens Wereldoorlog i in Den Haag directeur van het ‘Office belge de propagande et de documentation’.
(122)Voor deze interpellatie zie A.P.C., 16 en 23 mei 1911, resp. p.1252-1266 en 1311-1323.
(123)Armand Hubert, oLessen 15 aug. 1857 †Marcinelle 1 okt. 1940, promoveerde 1881 in de rechten te Leuven, 27 mei 1900-1921 kath. senator voor het arr. Bergen-Zinnik, 27 dec. 1921-1932 gecoöpteerd senator, mei 1907-nov. 1918 minister van Nijverheid en Arbeid.
(124)Emile Devreux, architect, oLa Hestre 17 nov. 1857 †Charleroi 22 dec. 1933, 1895 liberaal gemeenteraadslid en tot 1904 schepen, 27 febr. 1904-24 april 1921 burgemeester van Charleroi. - Een eventueel ontslag in april 1911 is dus zeker nooit aanvaard geworden.
(125)Aldus Het Handelsblad van 9 mei 1911. (Noot F.V.C.).
(126)Adolphe van Limburg-Stirum (graaf), oZétrud-Lumay 16 maart 1865 †Brussel 26 jan. 1926, promoveerde 1888 in de rechten te Leuven, 1900-1922 kath. volksverteg. voor het arr. Aarlen-Marche-Bastenaken, 1922 tot zijn dood prov. senator voor Luxemburg.
(127)De discussie over deze inoverwegingneming greep plaats op 24, 26 en 31 mei, en 1, 2 en 7 juni 1911. A.P.C. 1910-1911, p.1325-1451. - Woestes rede van 7 juni, ibid., p.1446-1450.
(128)Gerard Cooreman, oGent 25 maart 1852 †Brussel 2 dec. 1926, 1875 doctor in de rechten na studies te Namen en te Gent, juni 1892-mei 1898 kath. senator, en mei 1898-mei 1914 volksverteg. voor het arr. Gent (sedert mei 1900 voor Gent-Eeklo), jan. 1908-sept. 1912 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, jan.-juli 1899 minister van Nijverheid en Arbeid, 1912 minister van Staat, juni-nov. 1918 hoofd van de regering en minister van Econ. Zaken.
(129)Mémoires pour servir à l'histoire contemporaine de la Belgique, 3 dln., Brussel, 1927-1933-1937, ii, p.381. (Noot F.V.C.).
(130)Paul Segers, oAntwerpen 12 okt. 1870 †Antwerpen 2 febr. 1946, promoveerde 1893 in de rechten te Leuven, 27 mei 1900-april 1925 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen, 30 april 1925-1936 gecoöpteerd senator, nov. 1918 minister van Staat, nov. 1912-juni 1918 minister van Post en Telegraaf, sedert febr. 1914 ook van Spoorwegen, 1919-1936 voorzitter van de katholieke ‘Fédération’.
(131)Charles Woeste et la Chute du Cabinet Schollaert, in La Revue générale, aug. 1939, p.200-215; citaat op p.209.
(132)Woeste verbergt het zelf niet. Men leze zijn Mémoires, ii, p.382. (Noot F.V.C.).
(133)Craintes et espérances. Les pronostics et les suites des élections législatives du 22 mai, in La Revue générale, xcii, okt. 1910, p. 481-498.
(134)Le Bien public (Gent) schreef naar aanleiding van dat artikel, dat het werk van de heer Woeste ‘sans doute malgré l'intention du vaillant auteur, laisse une impression pénible d'anxiété, de pessimisme et de découragement’; en Paul Hymans liet niet na, op 30 nov. 1910, zich op dit oordeel tegen de regering te beroepen. (Noot F.V.C.).
(135)Julien Liebaert, oKortrijk 22 juni 1848 †Ternat 16 sept. 1930, promoveerde 1870 in de rechten te Leuven en 1871 in de politieke en administratieve wetenschappen, 1877-1890 kath. lid van de Westvlaamse Provinciale Raad, april 1890-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Kortrijk, nov. 1919-1925 senator voor het arr. Kortrijk-Ieper, jan.-juli 1899 en mei 1907-juni 1911 min. van Financiën, aug. 1899-febr. 1900 van Nijverheid en Arbeid, aug. 1899-april 1907 van Spoorwegen, Post en Telegraaf, 22 febr. 1912 minister van Staat, 25 mei 1929 baron.
(136)woeste, Mémoires, ii, p.384. (Noot F.V.C.).
(137)‘Messieurs, j'ai l'honneur d'annoncer à la Chambre que les membres du Conseil des ministres ont prié Sa Majesté le Roi d'accepter leur démission.’ A.P.C. 8 juni, p.1451.
(138)Louis Charles J.M. Thienpont, oEtikhove 17 april 1853 †Oudenaarde 2 sept. 1932, promoveerde 1875 in de rechten te Leuven, 21 mei 1887-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Oudenaarde.
(139)‘M. Thienpont m'apastropha en termes malséants.’ woeste, Mémoires, ii, p.385. (Noot F.V.C.).
(140)Valentin Brifaut, oBrussel 14 juli 1875 †Elsene 15 nov. 1963, promoveerde in de rechten te Leuven, advocaat, 2 juni 1912-5 april 1925 kath. volksverteg. voor het arr. Dinant-Philippeville.
(141)Florent was ook de voornaam van de volksvertegenwoordiger-burgemeester; bedoeld wordt zijn zoon Florentius Maria, oLier 31 juli 1882 †ald. 16 jan. 1919, promoveerde 1905 in de rechten te Leuven, 1906 kandidaat-notaris, advocaat te Antwerpen.
(142)Jan Baptist Nobels, oSint-Niklaas-Waas 4 okt. 1856 †ald. 20 juni 1923, industrieel, 2 juni 1912 (dus nog niet op Schollaerts viering in aug. 1911)-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Sint-Niklaas.
(143)Zie voor deze hulde Het Liber Memorialis der Betooging Schollaert. Leuven, 27 oogst 1911, Leuven, 1912, 278 blz.
(144)Het Centrum te Utrecht was een Nederlands christen-democratisch volksdagblad, gesticht in 1884, door de Duitse bezetter in 1942 opgeheven; na Wereldoorlog ii opgenomen in het Utrechts Katholiek Dagblad. F.V.C. schreef op 16 juni 1911 het artikel Onze ministerieele Crisis.
prepostterug  begin  verder