terug  begin  verderprepost

6
Broqueville als regeringshoofd. Zijn regeringsverklaring. Rusteloze aanvallen van de oppositie en ordeloze debatten tot de Kamerontbinding. Verkiezingsnederlaag van de linkerzijde. (Juni 1911-juni 1912)

De crisis, door het ontslag van het ministerie-Schollaert geopend, duurde gelukkigerwijze niet lang. Cooreman en Liebaert dankten voor de opdracht om een nieuwe regering te vormen. Liebaert

[p. 112]

wenste niet eenmaal nog in aanmerking te komen voor het ministerie van Financies. Doch Baron de Broqueville werd bereid gevonden de taak op zich te nemen en de samenstelling van zijn regeringsploeg ging met geen bijzondere moeilijkheden gepaard(145). De Broqueville was een beminnelijke persoonlijkheid en genoot in de schoot van de katholieke partij een verdiende sympathie. Maar hij behoorde nog niet tot wat men toen als de grote uitblinkers van de politiek kon beschouwen. Woeste had zich zelfs verwonderd over zijn aanstelling van minister van Spoorwegen in het kabinet-Schollaert. ‘Son passé et ses études’, zo schrijft Woeste, ‘ne le désignaient pas pour cette lourde charge’(146). Hij gaf evenwel bij de vervulling van deze belangrijke opdracht blijk van een grote bestuurlijke geschiktheid. Hij bezat ook een bijzondere handigheid om het vertrouwen van zijn bezoekers te winnen, een merkwaardige flair voor de komende dingen, een zekere luchthartigheid die hem toeliet grote verantwoordelijkheden met een ruim gemoed op te nemen en de meningsverschillen, die hem in de weg dreigden te staan, soms met halve waarheden te overbruggen. Hij was echter ook een man die zijn land hartstochtelijk lief had. De tragische gebeurtenissen, aan welke hij eenmaal als regeringsleider het hoofd moest bieden, hebben van hem een van de markantste figuren van ons politiek leven gemaakt.

Een van de eerste veroveringen welke de Broqueville als hoofd van de regering wist te maken was deze van Minister Woeste zelf en hij gebruikte de methode die het meest afdoende was - maar van welke Schollaert steeds geweigerd had zich te bedienen, omdat hij zich bij de uitoefening van zijn ambt onder geen enkel voogdij wilde stellen - namelijk de ietwat ijdele en vooral naijverige oude staatsman bij elk belangrijk initiatief voorafgaandelijk te raadplegen. Wie dit kunstje naar behoren wist te beoefenen, was bijna zeker met de zegen van Woeste naar huis te gaan. Wanneer deze in de rechterzijde zijn advies begon met de rituele woorden ‘le Ministre m'a fait l'honneur de me consulter’, dan wisten we onmiddellijk dat op zijn instemming kon worden gerekend. Baron

[p. t.o. 112]



illustratie
4 / De Pastoor-Verriesthulde te Ingooigem op 17 augustus 1913. Men herkent Frans Van Cauwelaert op de tweede rij uiterst rechts van Verriest

[p. 113]

de Broqueville heeft van deze captatio benevolentiae een naarstig gebruik gemaakt.

De regeringsverklaring van Minister de Broqueville was omzichtig. Hij deed opmerken dat het schoolprobleem aan de orde van de dag bleef, zoals het door zijn voorganger werd gesteld, vermits het ontwerp nog steeds hangende was voor de Kamer, maar hij kondigde aan dat zijn regering te gelegener tijde belangrijke wijzigingen zou voorstellen. Hij drong er op aan dat de Kamers onverwijld en bij voorrang zouden overgaan tot de afhandeling van de begrotingen, hetgeen in feite te kennen gaf dat de regering er niet op stond dat het debat over het in-overweging-nemen van het wisselvoorstel, ingediend door Van Limburg-Stirum en waarop de regering-Schollaert was gestruikeld, opnieuw zou worden hernomen. De bespreking van de regeringsverklaring was dan ook van vrij korte duur. Zij nam ternauwernood een volle vergadering in beslag. Een groot gedeelte van de tijd werd zelfs in beslag genomen, om de zo goedhartige heer P. Daens lastig te vallen, omdat hij in het schoolprobleem moedig naast de rechterzijde had gestaan. Hubin, door de deurwaarders gevolgd riep, toen hij Daens naderde die op de tribune stond: ‘(...) Au surplus, le premier qui me touche, je lui fous mon poing sur la gueule’. Alles zou ten slotte zonder ongewone beroering zijn afgelopen indien niet rondom een paar bitsige woorden, gewisseld tussen Anseele en Maenhaut(147), zulke herrie ware ontstaan, dat de voorzitter zich verplicht zag de vergadering te schorsen(148).

De Kamer was blijkbaar niet verlangend om na de overspannen weken, die ze pas beleefd had, onmiddellijk een nieuwe strijd te beginnen, voor welke de zomerdagen een weinig gunstig klimaat zouden hebben geboden en de oppositie verkoos een afwachtende

[p. 114]

houding aan te nemen. De nog onbesproken begrotingen werden vlijtig ter hand genomen. Verschillende morgendzittingen werden aan de gewone namiddagvergaderingen toegevoegd. Reeds op 20 juli ging de Kamer met verlof(149). Zij hernam haar werkzaamheden eerst op de tweede dinsdag van november, die door art. 70 van de Grondwet voor de opening van het nieuw parlementair jaar wordt voorgeschreven. Beernaert zat nogmaals als ouderdomsdeken de openingsvergadering voor en Cooreman werd met algemene stemmen tot voorzitter herkozen. De gewone beraadslagingen werden de volgende dag ingezet met een mededeling van Baron de Broqueville betreffende de inzichten van de regering. Zijn verklaring was kenmerkend voor geheel zijn bewindsmethode, omzichtig, voorkomend en glijdend, wanneer hij weerbarstige vraagstukken moest aanraken(150).

De Broqueville kondigde aan dat in de loop van het jaar de regering zou voorstellen het aantal van de parlementsleden aan te passen bij de uitslagen van de volkstelling, die in 1910 werd gehouden, hetgeen algemene verkiezingen voor 1912 met zich zou brengen; de inrichting van het leger zou worden verbeterd, maar van de uitbreiding van de persoonlijke dienstplicht werd niet gesproken; de wet op de pensioenen zou in haar toepassing onmiddellijk worden verruimd, maar een meer verregaande herziening werd naar later verschoven; de uitbreidingswerken van de haven van Antwerpen en de uitvoering van een betere verbinding tussen Antwerpen en het Land van Waas - door een vlotbrug en mogelijk een tunnel - zouden worden bespoedigd. Met de voorstellen en de tussenkomsten van de oppositie zou meer rekening worden gehouden dan in het verleden: om te beginnen drong hij aan dat de Kamer in de loop van de zitting het voorstel zou behandelen dat Vandervelde had ingediend om de rechtspersoonlijkheid te

[p. 115]

verlenen aan de internationale verenigingen met wetenschappelijke doeleinden. Betreffende de schoolkwestie, die naar ieder kon voorzien het grote strijdpunt ook van zijn regering zou worden, liet de Broqueville het eenvoudig bij de onbeduidende verklaring die hij gedaan had bij zijn eerste optreden in de Kamer als regeringshoofd, dat het ontwerp van de vorige regering voorlopig op de dagorde van de Kamer bleef. Voor het overige had hij de vergadering slechts te verzoeken, de begrotingen met bekwame spoed te behandelen(151).

De oppositie was echter voor enige matiging niet te vinden. Het gemis aan eenheid, dat zij in de rechterzijde bij de val van het ministerie-Schollaert had ontdekt, en de lichte vooruitgang, welke het kartel haar bij de gemeenteverkiezingen op 15 oktober in de grote steden had verzekerd, deed hare verwachting steigeren dat zij bij nieuwe verkiezingen, die zij zo spoedig mogelijk wenste en die door de ontbinding van beide Kamers over geheel het land zouden worden gevoerd, het katholiek bewind, dat nog slechts op zes stemmen meerderheid in de Kamer kon rekenen, eindelijk ten val zou kunnen brengen. Zij putte hare hoop uit de herinnering aan wat gebeurde in 1857 en 1884, toen voor de liberalen gunstige gemeentelijke verkiezingen gevolgd werden door het aftreden van de regering-De Decker of door het ontslag van de katholieke ministers, welke door de linkse opinie meer bijzonder werden bestreden. In 1857 leidde de uitslag van de gemeenteverkiezingen tot algemene verkiezingen, die de liberalen met een aanzienlijke meerderheid aan het bewind brachten. Doch hun overmoed werd voornamelijk gevoed door het ontstaan van het kartel, dat bij de gemeenteverkiezingen, die nog op het meerderheidsstelsel berustten, in de grote centra de macht van links had versterkt, ook al waren een zeker aantal liberale stemmen verloren gegaan.

‘De meest ontzaglijke nederlaag, welke gij sedert lang hebt geleden’, riep Vandervelde de regering toe, ‘is de samenspanning, door het kartel, van krachten die voor geen toenadering vatbaar schenen; het is het verbond van de openbare redding, dat tot stand werd gebracht om het land van u te verlossen. Twee grote

[p. 116]

hervormingen’, zo voegde hij eraan toe, ‘benevens de sociale vraagstukken, beheersen thans de openbare mening: een goede wet op het onderwijs en het algemeen stemrecht; deze twee hervormingen kunnen we van u niet verwachten’. De taal van Vandervelde werd door P. Hymans, namens de liberale partij bevestigd. ‘Wij betwisten’, zo verklaarde hij, ‘de wettelijkheid van uw gezag. (Zeer wel! op de liberale en socialistische banken). Wij zeggen dat uw aanwezigheid aan het hoofd van het land een usurpatie is van 's lands wil’ (vinnige toejuichingen op dezelfde banken); en hij besloot zijn rede met de woorden: ‘De verkiezingsstrijd is geopend’. (En wijzende naar de rechterzijde:) ‘De vijand is daar’(152).

De verkiezingen van 1912 zouden echter uitwijzen hoezeer de heer Vandervelde en geheel de linkerzijde zich in hun berekeningen vergisten. Maar de regering was intussen gewaarschuwd dat zij op geen genade vanwege de linkerzijde rekenen mocht. De aanval werd onmiddellijk door Monville(153) liberaal, en Troclet(154), socialist, ingezet met een interpellatie over de weerbaarheid van het leger, die niet minder dan acht volle vergaderingen in beslag nam en die eindigde met een voorstel tot parlementair onderzoek dat door de rechterzijde werd verworpen(155).

Deze interpellatie werd onmiddellijk gevolgd door ene van Em. Vandervelde betreffende misbruiken die in Congo zouden worden gepleegd en die drie volle zitdagen in beslag nam. Zij was voornamelijk gericht tegen de katholieke missionarissen en had, zoals deze over de legertoestanden, voor doel een parlementair onderzoek uit te lokken. Ten einde aan zijn interpellatie een meer indrukwekkend karakter te geven, liet hij ze voorafgaan door de publicatie van een aantal administratieve documenten, waarvan hij slechts met de rechtstreekse of onrechtstreekse medewerking van ambtenaren in het bezit kon gekomen zijn. Het zou niet de laatste

[p. 117]

maal zijn dat het werk van de missionarissen - en ditmaal werden vooral de Jezuïeten beoogd - het voorwerp zou wezen van een beraamde campagne van anticlericale zijde. De meer onmiddellijke bedoeling was een nieuwe poging te wagen om de regering in diskrediet en aan het wankelen te brengen. Het debat miste dan ook niet een zekere vinnigheid, doch Minister Renkin sloeg de aanval af op een wijze die aan kracht en doelmatigheid niets ontbeerde(156). Na Vandervelde viel Royer(157) onmiddellijk in met een nieuwe interpellatie tegen Renkin, voor welke hij de hoogdringendheid had verkregen en waarin hij de minister van Koloniën ten laste legde dat hij de Kamer vals had ingelicht betreffende een bedrag van 30 miljoen frank, dat door de nalatenschap van Leopold ii aan de Belgische Staat verschuldigd was gebleven. Vóór het einde van de maand januari 1912 hadden nog veertien andere interpellaties plaats, waarvan enkele meer dan één volle vergadering in beslag namen(158). Wanneer men verder rekening houdt met een ware vloed van ordemoties, die te pas en te onpas de normale gang van de wetgevende beraadslagingen kwamen onderbreken en die dikwijls de omvang van een ware interpellatie aannamen - een euvel aan hetwelk eerst later door het reglement werd verholpen, - en verder met het feit dat het Kerstmisverlof nog een paar weken van de tijd der Kamer kwam afnemen, dan zal men begrijpen dat er amper tijd genoeg kon worden gevonden, om tussen de vlagen heen de ontwerpen betreffende 's lands middelen en wegen, het legercontingent en de voorlopige kredieten, die vóór 31 december tot wet moesten worden gemaakt, te behandelen.

Het werd na Nieuwjaar niet veel beter. De interpellaties en de ordemoties bleven zich opdringen en de Kamer was verplicht tot ongewone maatregelen haar toevlucht te nemen om vóór de Kamerontbinding, die in het begin van mei zou plaatsvinden, klaar te komen met de begrotingen. Er werd niet alleen gezeteld de vrijdag - wat in die tijd nog als regel werd aangenomen - er werd ver-

[p. 118]

gaderd voor- en namiddag, de duur van de vergaderingen werd verlengd, er werd ook eens 's maandags gezeteld en er werd beslist dat bij de bespreking van de begrotingen de artikelen zouden worden behandeld, zonder voorafgaande algemene discussie.

Het is haast overbodig er de aandacht op te vestigen dat deze ordeloze debatten niet werden gehouden in een sfeer van waardige beredeneerdheid. Ik heb in mijn parlementair leven niet weinig stormige vergaderingen bijgewoond, maar ik weet me geen periode te herinneren dat de Kamer gedurende zolang in een toestand van prikkelbaarheid is gebleven als gedurende de maanden die verliepen tussen het aftreden van het kabinet-Schollaert en de ontbinding van de Wetgevende Kamers in mei 1912. De incidenten waren niet van de lucht. Zodra aan een politiek probleem en vooral aan enig belang werd geraakt dat met het onderwijs verband hield, flakkerden de driften op en de discussie begon spoedig te gelijken op een krakeel, waarbij ook de heftige uitdrukkingen en de persoonlijke beledigingen niet ontbraken. Cooreman was een duldzame voorzitter, die een oplopende woordenwisseling of een dreigend incident liefst met een geestige tussenzet afwentelde. Maar de wanorde werd zelfs hem wel eens te machtig en de laatste maanden van zijn voorzitterschap zijn, trots de lankmoedigheid van zijn karakter, gekenmerkt geworden door een ongewoon aantal terugroepingen tot de orde en zelfs onderbrekingen van de vergadering. ‘Je suis humilié’, zei Destrée in de vergadering van 28 maart, ‘quand je vois nos discussions tomber à ce niveau(...) et dans l'incohérence la plus absolue’(159). ‘Vous êtes faussaire’, riep Furnémont(160) P. Segers toe, en Demblon(161), die bij zijn vriend niet wenste achter te blijven viel hem bij: ‘Votre langage est indigne’, riep hij, ‘vous êtes un polisson’. En Furnémont

[p. 119]

hernam: ‘Si M. Segers continue comme cela, j'irai lui flanquer des giffles à son banc’. De heer Segers had zich nochtans vergenoegd met de politiek van de socialisten aan te vallen en was de grenzen van de parlementaire welvoeglijkheid niet te buiten getreden(162). Zelfs Vandervelde en Camille Huysmans, bij welke geen van beiden het gewoonlijk aan zelfbeheersing ontbrak, werden door de opgewonden atmosfeer aangetast. In de vergadering van 18 januari 1912, onder de interpellatie die door socialisten en liberalen gehouden werd over de duurte van de levensmiddelen, vielen ze op onbetamelijke wijze uit. Tegen de steeds zo bedaarde Burggraaf du Bus de Warnaffe (vader van het huidig Kamerlid, voorzitter van de christelijk-sociale groep van volksvertegenwoordigers)(163) die hem zijn gedrag tegenover de katholieke missionarissen verweet, riep Vandervelde: ‘Insolent personnage, mal embouché’. ‘Grossier personnage’ volgde Huysmans. ‘Vous êtes un lâche’, toornde Vandervelde verder en hij schoot uit zijn bank naar du Bus toe, en kon alleen door enkele leden van de rechterzijde en de waakzame deurwaarders verhinderd worden tot geweld over te gaan. De vergadering moest gedurende een volle uur worden geschorst. Toen zij werd hervat stelde de voorzitter, die Vandervelde reeds voor zijn beledigingen tot de orde had geroepen, voor, hem voor zijn poging tot geweld met de censuur te bestraffen. De persoonlijkheid van E. Vandervelde en zijn positie als leider van de grootste oppositiepartij gaven inderdaad aan het gebeurde een ongewone betekenis en de voorgestelde strafmaatregel kon alleen door de Kamer zelf worden uitgesproken, hetgeen dan ook door de rechtse meerderheid werd gedaan. Het weze echter gezegd tot eer van E. Vandervelde, die overigens een voorbeeldig parlemen-

[p. 120]

tariër was, dat hij erkende de terugroeping tot de orde te hebben verdiend. Vooraleer de omstandigheden te hebben laten gelden die hem zijn zelfbeheersing hadden doen verliezen, voegde hij eraan toe: ‘C'est la première fois, depuis dix-huit ans que je siége dans cette Chambre, que le président de cette assemblée demande que la censure soit prononcée contre moi. La Chambre, si elle croit devoir le faire, prononcera cette sanction: je m'incline d'avance devant sa décision’. De socialisten stemden natuurlijk tegen het voorstel van de voorzitter. De liberalen verklaarden bij monde van de heer Hymans dat zij een terugroeping tot de orde billijk zouden hebben geacht, maar weigerden op hunne beurt de censuur toe te passen(164).

De Kamer eindigde haar werkzaamheden op 3 mei te 11u25 's avonds nadat zij, niet zonder moeite, de begrotingen en enkele ontwerpen betreffende de sociale verbeteringen tussen de vlagen in had behandeld. Een lichtpunt in deze troebele periode was echter de bespreking en de aanneming van het wetsontwerp op de kinderbescherming, dat een van de eretitels blijft van Graaf H. Carton de Wiart, als minister van Justitie. De Antwerpenaren mogen zich ook met een gevoel van dankbaarheid herinneren, dat het Minister A. van de Vyvere(165) gelukt is het ontwerp te doen goedkeuren, dat geleid heeft tot de aanleg van de grote dokken, die sedertdien de ontwikkeling van de haven van Antwerpen hebben beheerst, en dat tevens een einde heeft gesteld aan de hopeloze tweespalt, die gedurende verschillende jaren de partijgangers

[p. 121]

van de zogenaamde grote doorsteek - die een verplaatsing van het bed van de Scheldestroom beoogde - tegenover de voorstanders van een uitgebreid doksysteem had geplaatst(166).

Het mag de regering-de Broqueville en de rechtse meerderheid ten goede worden gerekend dat zij zich door de rusteloze aanvallen van de linkerzijde nooit aan het wankelen lieten brengen. De regering vermeed ieder uitdagende beslissing, terwijl zij anderzijds poogde door enige verbeteringen op sociaal gebied en door maatregelen ten gunste van het onderwijzend personeel en het kaderpersoneel van het leger een gunstige stemming van de openbare opinie voor te bereiden. De rechterzijde vertoonde harerzijds in alle omstandigheden een geslotenheid, die na de crisis rondom het schoolontwerp-Schollaert weldoende aandeed. De heftigheid die de parlementaire debatten was blijven beheersen liet echter geen twijfel dat de verkiezingen, die op de uitbreiding van het aantal parlementszetels moesten volgen, met een bijzondere vinnigheid zouden worden betwist. Het was ook duidelijk dat de strijd voornamelijk zou worden gevoerd rondom het schoolvraagstuk. Het inzicht van de linkerzijde was zonder twijfel, een einde te stellen aan de subsidiëring van het vrij onderwijs, indien het haar mocht gelukken het bewind in handen te krijgen. ‘C'est notre espoir’, zei Vandervelde in de Kamer op 14 maart 1912, ‘de voir bientôt disparaître à la fois le régime de la liberté subsidiée et le gouvernement qui nous l'impose’(167). Het was op grond van diezelfde berekening dat de liberale partij aan haar vrees voor het zuiver algemeen stemrecht het zwijgen had opgelegd en het kartel met de socialisten had aanvaard. Het was als de kreet van hun hart wanneer de linkerzijden op de laatste vergadering van de Kamer, op 3 mei, de stemming van de begroting van Wetenschappen en Kunsten die met meerderheid van niet minder dan vijfentwintig stemmen was geslaagd, op inzet van Furnémont eenstemming beantwoordden met de kreet: ‘A bas les couvents’(168).

[p. 122]

De katholieken konden echter voor zichzelf geen beter terrein wensen en de verkiezingscampagne werd door hen ingezet met een eensgezindheid en een aandrift, waarvan we een gelukkige vernieuwing in de verkiezingen van 1958 kunnen terugvinden(169). Ik denk nog met innig genoegen terug aan de talloze meetings op welke ik toen, in de volle kracht van mijn leven, het woord heb gevoerd en de overweldigende geestdrift met welke het publiek onze opwekkingen ontving. Wij hadden in Antwerpen-stad geen zalen genoeg om ruimte te verlenen aan de massa volk, die telkens op onze propagandavergaderingen aanwezig was. Wij beslisten, wat nooit tevoren gebeurd was, ook de voornaamste danszalen voor onze meetings af te huren. Onze tegenstrevers lieten zich echter evenmin onbetuigd en onze ordewachters hadden het hard te verduren om onze vrijheid van het woord overal te verzekeren, tot wanneer Burgemeester De Vos(170) onder de drang van zijn vrienden het besluit trof, dat voortaan geen politieke vergaderingen in de danszalen meer zouden worden toegelaten.

Het was duidelijk dat we de wind in de zeilen hadden. Het aangeboren rechtsgevoel van de kleine man komt onvermijdelijk in verzet wanneer men tornen wil aan zijn vrijheid van geweten en zijn door de natuur gevestigd recht om de opvoeding van zijn kinderen te verzekeren in overeenstemming met zijn eigen levensopvatting. Ook was het zonder aarzelen dat ik aan Minister Beernaert, die me bij de stichtingsvergadering van de ‘Union coloniale’(171) ondervroeg omtrent mijn vooruitzichten aangaande de

[p. 123]

uitslag van de verkiezingen, de verzekering kon geven dat de katholieke partij een overwinning tegemoetging. Deze voorspelling werd in de ruimste mate bewaarheid. De katholieke partij, die vóór de verkiezingen slechts over zes stemmen meerderheid in de Kamer beschikte, verkreeg op 2 juni 1912 een meerderheid van zestien stemmen(172). De regering-de Broqueville ontving aldus een schitterende blijk van vertrouwen en kon met vertrouwen de grote vraagstukken tegemoet zien, die in de eerstkomende maanden de aandacht van het land zouden beheersen: het schoolvraagstuk, de uitbreiding van de militaire dienstplicht en de herziening van de grondwet betreffende het stemrecht.

De Kamer werd reeds in buitengewone zitting bijeengeroepen op 9 juli en men kon enigszins vermoeden dat de regering verlangend was, om zonder verwijl het Parlement met hare plannen bekend te maken. Wellicht was dit ook het geval. De gelegenheid werd er haar evenwel niet eenmaal toe gegeven. Het debat over het nazicht van de regelmatigheid van de verkiezingen, dat de verkiezing van het bureel en elke wetgevende arbeid moet voorafgaan, duurde - met inachtneming van vrijdagvergaderingen - tot de 8ste augustus. Het bleek wijselijk ieder politieke bespreking verder te verdagen tot het normale zittingsjaar dat op de tweede dinsdag van november zou beginnen(173). Deze ongewoon lange discussie over de verkiezingsuitslagen werd een treffend vertoon van de diepe verbolgenheid met welke de linkse partijen hun onverwachte en zo verregaande nederlaag hadden ontvangen. Zij schenen niet te beseffen dat de ware oorzaak lag in de aanstoot welke haar houding in het schoolvraagstuk en de innerlijke tegenstrijdigheden van het kartel aan vele van hun kiezers hadden gegeven. De toon op welke het debat werd gevoerd werd onmiddellijk een trouwe weerklank van hun geërgerdheid. Het begon met de verkiezingen van het arrondissement Sint-Niklaas en de eerste woordvoerder

[p. 124]

van de oppositie was de heer Lemonnier(174), liberaal gekozene van het arrondissement Brussel. De grote schuldige volgens hem was Minister de Broqueville zelf die door de ongewone gunsten, welke hij zelf, als minister van Spoorwegen, Telegraaf en Telefonie, en zijn regering in de dagen die de verkiezingen voorafgingen aan het staatspersoneel hadden toegekend, ‘een bestuurlijke corruptie had gepleegd zoals er nooit tevoren in België was voorgekomen’(175). Lemonnier werd onmiddellijk bijgevallen door Bertrand(176) uit naam van de socialistische groep. Minister de Broqueville liet de oppositie niet op zijn antwoord wachten en daarna mengden zich Masson(177), Woeste en Hymans in het debat(178).

Men verliet echter spoedig het algemeen terrein en ook het peil van relatieve waardigheid waarop deze leidende persoonlijkheden de betwistingen trachtten te houden, om te vervallen in de plaatselijke grieven, de persoonlijke aantijgingen en de niet altijd kiese propagandamiddeltjes, die de jongste verkiezingen hadden gekenmerkt. Het debat werd soms een aaneenschakeling van onderbrekingen, die ternauwernood liet erkennen wie eigenlijk als spreker

[p. 125]

aan het woord was. Het werd verstoord door incidenten waarbij grove scheldwoorden niet ontbraken en welke de nochtans gezaghebbende en ervaren Beernaert, die als ouderdomsdeken de vergadering moest leiden, herhaaldelijk verplichtten de vergadering te schorsen. ‘Saligaud’ riep Cavrot(179) tegen een lid van rechts. ‘Lâche, menteur, Jésuite’, waren verder linkse variaties op het scheldthema. Delvaux(180) en Em. Vandervelde vonden het zelfs gepast, getuigen te sturen naar Valentin Brifaut. ‘Le niveau de la Chambre des représentants descend tous les jours’, verklaarde Destrée(181).

Op 8 augustus kon men eindelijk overgaan tot de verkiezing van het bureel. Dit was echter een loutere vormelijkheid, want met deze plichtpleging was de buitengewone zitting afgelopen en het nieuwe zittingsjaar moest volgens het voorschrift van de grondwet met een nieuwe verkiezing van het bureel beginnen. De heer Cooreman, die op de slotvergadering van de buitengewone zitting nogmaals als voorzitter van de Kamer werd aangesteld, wenste evenwel niet meer voor deze waardigheid in aanmerking te komen. Minister Schollaert werd zo goed als bij eenparigheid opnieuw tot voorzitter uitgeroepen. Niet evenwel zonder dat Woeste inmiddels gepoogd had om een van zijn listjes uit te halen, dat hem op schijnbaar elegante manier zou hebben toegelaten een gevreesde tegenstrever uit de eigen partij voor een tijd uit het strijdperk te voeren. De heer Schollaert had namelijk enige twijfel laten ontstaan of hij opnieuw het voorzitterschap zou aanvaarden. In de hoop op een uiteindelijke weigering had Woeste zich reeds in betrekking gesteld met Minister de Broqueville, om de kandidatuur van de heer J. Helleputte vooruit te schuiven, in de hoop hem op

[p. 126]

deze wijze machteloos te maken. ‘C'est’, zo verklaarde hij, ‘un moyen de l'annihiler’(182). Schollaert besliste echter het voorzitterschap te aanvaarden, en het loze plannetje van Woeste viel vanzelf in duigen.

(145)Het ministerie van Charles de Broqueville was in functie van 18 juni 1911 tot 1 juni 1918.
(146)Mémoires, ii, p.372. (Noot F.V.C.).
(147)Jules Maenhaut, oGent 21 mei 1862 †Lemberge (O.-Vl.) 15 nov. 1940, promoveerde 1884 in de rechten te Leuven, 1887 gemeenteraadslid 1888 burgemeester van Lemberge, 1892-1894 lid van de Oostvlaamse Provinciale Raad, 14 okt. 1894 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Gent (sedert 1900 Gent-Eeklo).
(148)De regeringsverklaring werd voorgelezen op 20 juni; de bespreking ervan begon dezelfde dag en werd op 21 juni voortgezet, toen zich ook de incidenten met Daens, Hubin, Anseele en Maenhaut voordeden. A.P.C., 1910-1911, 20 en 21 juni 1911, p.1453-1484; Hubins uitroep, ibidem, p.1485-2123.
(149)De vergaderingen van 22 juni tot 20 juli 1911, ibidem, p.1485-2123.
(150)Vandervelde, bij wie het ook aan geslepenheid niet ontbrak, begon zijn antwoord met te zeggen dat hij alleen wenste te behandelen ‘les questions très intéressantes que l'honorable chef du cabinet a traitées au début de son discours, en y ajoutant des flots d'éloquence au sujet de la sincérité, de l'équité et de la loyauté des membres du Cabinet actuel. Il met une telle insistance à parler de la sincérité, de l'équité et de la loyauté du gouvernement, qu'il semble croire qu'on pourrait avoir des suspicions à cet égard.’ A.P.C. 1911, p.14.
(151)De openingsvergadering met de herverkiezing van Gerard Cooreman greep plaats op 14 nov. 1911, de mededeling van de regering op 15 nov. A.P.C. 1911-1912, p.4 vlg.
(152)Vanderveldes en Hymans' replieken, ibid., p.14-21.
(153)Alfred H.H. Monville, o23 aug. 1857 †Brussel 21 mei 1914, doctor in de rechten, 27 mei 1906 tot zijn dood liberaal volksverteg. voor het arr. Brussel.
(154)Léon Troclet, oBagimont 14 febr. 1872, †Luik 7/8 okt. 1946, journalist, 27 mei 1900-1904, 12 nov. 1907-1936, 7 nov. 1945-febr. 1946 socialist. volksverteg. voor arr. Luik.
(155)De interpellatie van Monville en Troclet greep plaats van 21 tot en met 24 en op 28, 29 en 30 nov. en op 1 dec. 1911. (O.c., p.35-152).
(156)De interpellatie-Vandervelde en Renkins antwoord op 5, 6 en 7 dec. 1911, ibid. p.153-208.
(157)Emile J.J. Royer, oBrussel 27 april 1866 †Parijs 16 mei 1916, advocaat, 24 mei 1908 tot zijn dood socialist. volksverteg. voor het arr. Doornik-Ath.
(158)De interpellatie-Royer viel op 8 dec. 1911, ibid., p.209-220. - De andere veertien van 12 dec. 1911 tot 30 jan. 1912. Ibid. p.225-612.
(159)Destrée sprak in de namiddagvergadering van 28 maart 1912. Zie hiervoor A.P.C. 1911-1912, p.1359-1384. De geciteerde zin van Destrée p.1368, kol.1.
(160)Léon Louis Furnémont, oCharleroi 17 april 1861 †Sint-Gillis (Brussel) 2 dec. 1927, promoveerde 1884 in de rechten te Brussel, 21 okt. 1894-1904 socialist. volksverteg. voor het arr. Charleroi, 27 mei 1906-24 mei 1913 voor het arr. Namen.
(161)P.J. Célestin Demblon, oNeuville-enCondroz 19 mei 1859 †Luik 12 dec. 1924, onderwijzer, 14 okt. 1894 tot zijn dood socialist. (sedert jan. 1923 communistisch) volksverteg. voor het arr. Luik.
(162)De onderbrekingen van Furnémont en Demblon op 14 maart 1912 in A.P.C. 1911-1912, p.1127-1128; de hele vergadering p.1123-1144.
(163)Léon Edmond du Bus de Warnaffe, burggraaf, oRoubaix 3 juli 1866 †Roumont-s.-Ourthe 24 sept. 1938, advocaat, april 1908-april 1925 kath. volksverteg. voor het arr. Aarlen-Marche-Bastenaken, 5 april 1925-1932 senator voor het arr. Aarlen-Marche-Bastenaken-Neufchâteau-Virton, 13 nov. 1919 burggraaf. Zijn zoon Charles, oBrussel 16 sept. 1894 †ald. 23 okt. 1965, was 18 juli 1934-1961 kath. volksverteg. voor het arr. Brussel, vóór en na Wereldoorlog ii herhaaldelijk minister, 5 april 1963 minister van Staat.
(164)In de zitting van 18 jan. 1912 riep Vandervelde tegen Du Bus: ‘Vous êtes un insolent personnage’, en even later ‘Vous êtes aussi mal embouché que mal informé’. Huysmans kort daarop tegen dezelfde: ‘Vous êtes un grossier personnage’, en Vandervelde nadien: ‘(...) je dis, puisque vous insistez, que vous êtes un lâche’. De vergadering moest vijf kwartier lang worden stopgezet. A.P.C. 1911-1912, p.487-496.
(165)Aloïs van de Vyvere, oTielt 8 juni 1871 †Parijs 22 okt. 1961, promoveerde 1897 in de rechten te Leuven, advocaat te Gent, 1904-1908 lid van de Oostvl. Provinciale Raad, 1908-1911 gemeenteraadslid en schepen te Gent, febr. 1911 - 15 jan. 1931 kath. volksverteg. voor het arr. Roeselare-Tielt, juni 1911-1912 minister van Landbouw en Openbare Werken, nadien tot febr. van Spoorwegen, daarop van 28 febr. 1914 tot 18 nov. 1918 van Financiën, nov. 1920 - sept. 1924 van Econom. Zaken, mei 1925-febr. 1926 van Landbouw, 21 nov. 1918 minister van Staat, 25 mei 1929 burggraaf.
(166)De bespreking in de Kamer van de wet op de Kinderbescherming van 2 tot 19 april 1912; het wetsontwerp-van de Vyvere werd op 3 mei besproken. A.P.C. 1911-1912, resp. p.1451-1764 en 2108-2130.
(167)Het hele debat van 14 maart 1912, ibid. p. 1123-1145; Vanderveldes uitlating p. 1137.
(168)De A.P.C. noteren voor het eind van de zitting van 3 mei wel F.V.C.'s uitroep ‘25 voix de majorité’, maar niet het eenstemmige ‘A bas les couvents’.
(169)Toespeling op de nieuwe schoolstrijd tijdens het socialistisch-liberale regeringsbewind van 1954-1958; bij de parlementsverkiezingen van 1 juni 1958 gingen de beide regeringspartijen achteruit ten voordele van de Christelijke Volkspartij die in de Senaat de volstrekte meerderheid behaalde.
(170)Jan de Vos, oDendermonde 7 febr. 1844 †Antwerpen 23 maart 1923, 1908-1911 liberaal gemeenteraadslid en schepen van Antwerpen, 25 febr. 1902 dienstdoend 1912-1921 effectief burgemeester.
(171)De ‘Union coloniale’ werd in 1912 door J. Renkin en Em. Francqui gesticht, en had als doel ‘de poursuivre, dans une large pensée d'entente patriotique, l'étude et la vulgarisation de toutes les questions relatives au développement moral et économique de notre colonie’ (uittreksel uit de statuten). In het eerste ‘comité supérieur’ was Aug. Beernaert voorzitter, en F.V.C. een van de vijf ondervoorzitters.
(172)Voor de Kamerverkiezingen gingen op een totaal van 2.621.749 geldige stemmen 1.337.286 naar de katholieken (101 zetels, +16), de liberalen haalden 44 zetels (st.q.), de socialisten 39 (+4). Te noteren dat wegens een zetelaanpassing het totaal aantal kamerzetels van 166 op 186 was gebracht.
(173)De buitengewone zittijd duurde van 9 juli tot 8 aug. 1912. A.P.C., Session extraordinaire de 1912, p.1-309.
(174)C.H. Maurice Lemonnier, oMons 12 jan. 1860 †Brussel 12 sept. 1930, ingenieur, advocaat te Brussel, 1891-1895 en 1899 tot zijn dood liberaal gemeenteraadslid te Brussel, sept. 1914-mei 1917 en 25 okt.-17 nov. 1918 wn. burgemeester, 14 juni 1892-1894 en 25 mei 1902 tot zijn dood liberaal volksverteg. voor het arr. Brussel; 1921 baron.
(175)In de zitting van 9 juli zei Lemonnier: ‘Dans cet arrondissement (Sint-Niklaas), comme dans tous les autres, on doit constater à regret que le gouvernement a employé sans mesure, sans retenue, sans aucun scrupule, des procédés de corruption administrative, comme on n'en avait jamais constaté précédemment en Belgique (Vive approbation à gauche)’ A.P.C., l.c., p.2.
(176)Louis Bertrand, oSint-Jans-Molenbeek 15 jan. 1856 †Schaarbeek 17 juni 1943, arbeider, nadien journalist, 21 okt. 1894-1900 socialist. volksverteg. voor het arr. Zinnik, 27 mei 1900-15 jan. 1926 voor het arr. Brussel, 21 nov. 1918 minister van Staat.
(177)Fulgence P.B. Masson, oDour 16 febr. 1854 †Mons 24 jan. 1942, advocaat te Mons, 1880-1900 liberaal lid van de Prov. Raad van Henegouwen, 29 mei 1904-30 mei 1933 volksverteg. voor het arr. Mons, nov. 1918-febr. 1920 minister van Oorlog, dec. 1921-mei 1925 van Justitie, 13 mei 1925 minister van Staat.
(178)Tussenkomsten van Bertrand, Broqueville, Masson, Woeste en Hymans op 9-10-11 juli 1912, A.P.C., l.c., p.8-28.
(179)Ferdinand Joseph Cavrot, oErbissel 6 mei 1846 †La Hestre 24 sept. 1918, mijnwerker, 21 okt. 1894-1900 socialist. volksverteg. voor het arr. Charleroi, 27 mei 1900-1902 voor het arr. Brussel, 25 mei 1902-1904 en 10 juni 1908 tot zijn dood opnieuw voor dat van Charleroi.
(180)Frédéric François Delvaux, Leuven 7 aug. 1834 †Antwerpen 31 dec. 1916, promoveerde 1859 in de rechten te Luik, 27 mei 1900 tot zijn dood liberaal volksverteg. voor het arr. Antwerpen; als ouderdomsdeken zat hij op 4 aug. 1914 de historische zitting van de Verenigde Kamers voor.
(181)Tussenkomsten van Cavrot, Delvaux en Vandervelde op 11 juli. A.P.C. l.c., p.35-39. - Verklaring van Destrée op 18 juli 1912 werd gevolgd door ‘Exclamations. - Rires ironiques et applaudissements à droite’. Ibid,. p.101.
(182)woeste, Mémoires, ii, p.406. (Noot F.V.C.).
prepostterug  begin  verder