terug  begin  verderprepost

9
Kamerdebatten over de landsverdediging, de algemene dienstplicht en het taalregime in het leger. (Febr.-mei 1913)

Buiten de vergaderingen die niet door het debat over het algemeen stemrecht werden ingenomen, had de Broqueville, in zijn hoedanigheid van minister van Oorlog, te antwoorden op een interpellatie van de heer A. Devèze(216) betreffende het leger, die verschillende dagen in beslag nam, en de bespreking te leiden van

[p. 144]

het ontwerp op de uitbreiding van de militaire dienstplicht. Het indienen van dit ontwerp, dat door de Broqueville in zijn regeringsverklaring van november werd aangekondigd, was voor vele katholieke kamerleden een onaangename verrassing. De wet op de persoonlijke dienstplicht werd in 1909 slechts door een gedeelte van de rechterzijde gestemd en zij betrof slechts één zoon per gezin. Het nieuwe ontwerp maakte de dienstplicht praktisch algemeen. Er was evenwel van deze verzwaring van dienstplicht geen spraak geweest bij de verkiezingen, die pas enkele maanden tevoren hadden plaatsgevonden. Het kiezerskorps kon dan ook de indruk krijgen dat het door onze partij was misleid geworden. Dit kon bijzonder gevreesd worden in het arrondissement Antwerpen, waar het antimilitarisme sedert meer dan een halve eeuw als een eerste politieke eis voor de gekozenen van de Meetingpartij - in feite de Katholieke Partij geworden - werd beschouwd. De verklaring welke door de Broqueville op 12 november 1912 werd afgelegd, dat onze militaire organisatie niet meer toeliet het hoofd te bieden aan de veiligheidszorgen die in de jongste maanden waren opgerezen, werd evenwel door de katholieke opinie zonder veel verzet opgenomen. Woeste was wel van oordeel dat de Broqueville de waarde van de ons bij traktaat verzekerde waarborgen scheen te onderschatten, maar hij voelde zich te oud, zo schreef hij in zijn Mémoires, om de val van de regering te veroorzaken en, waarschijnlijk het onthaal indachtig dat hij bij zijn vrienden had genoten bij het omstoten van de regering-Schollaert, gaf hij te kennen dat hij de regering zou steunen(217).

De gevaren op welke de Broqueville had gezinspeeld, waren echter duidelijk genoeg om niet aan de aandacht ook van de gewone burgers te ontsnappen. De bewapeningswedloop door Duitsland te land en ter zee ondernomen tegen Frankrijk en Engeland kon niet worden geloochend. Het incident van Agadir, waar de Duitse oorlogsboot de ‘Panther’ in juli 1911 zonder waarschuwing binnenliep(218), was niet alleen een bewijs dat men in Berlijn de

[p. 145]

schijnbare zwakte op uitdagende wijze zocht uit te baten, maar had door de toegeeflijkheid van de toenmalige Franse eerste minister Caillaux(219) de koloniale invloed van Duitsland tot aan de oevers van de Congostroom gebracht. Men behoefde bovendien niet zeer op de hoogte te zijn van de politiek en de gemoedsgesteltenis van het Duitse volk om te weten, dat deze sterk werden beheerst door de invloed van het ‘Alldeutscher Verband’(220). Deze organisatie schuwde de oorlog niet maar voorzag hem als een onvermijdelijk middel om van de primauteit van het Rijk, dat zich economisch reeds in Europa had gevestigd, ook op politiek gebied een werkelijkheid te maken. Tegen deze bedoeling stelde zich Frankrijk, dat intussen onder de leiding was gekomen van Poincaré(221), krachtdadig te weer en vond in het Verenigd Koninkrijk, dat zich in zijn heerschappij te zeer bedreigd gevoelde, een trouwe bondgenoot.

Dat voelde ook het volk. Ik had geen moeite om van de partijgedelegeerden voor het kanton Borgerhout, dat door mij sedert de jongste verkiezingen werd vertegenwoordigd, de vrijheid te verkrijgen om bij de behandeling van de aangekondigde nieuwe militiewet naar mijn beste inzicht te handelen. Ook Dr. Alfons Van de Perre, die mij in 1912 als kandidaat van de Nederduitsche Bond, bij traditie de meest antimilitaristische groep van de Meetingpartij, had vervangen, aarzelde niet zich ten gunste van de uitbreiding van de legerdienst uit te spreken. De Broqueville had bovendien de voorzorg genomen, een zeker aantal leden - en ik

[p. 146]

vermoed van verschillende partijen - op de hoogte te brengen o.a. van een mededeling van de Koning van Roemenië(222) aan Koning Albert, dat België bij een mogelijk gewapend conflict tussen Duitsland en Frankrijk niet meer op de onschendbaarheid van zijn grenzen moest rekenen. De Broqueville stelde de Kamer in haar geheel, in een vergadering met gesloten deuren die op 13 februari werd gehouden, op haar hoede voor de nakende gevaren(223).

De bespreking over de nieuwe militiewet begon op donderdag 14 februari met een redevoering van Minister de Broqueville, die praktisch geheel de zitting in beslag nam(224). Hij gaf een brede uiteenzetting van cijfers en van algemene beschouwingen omtrent onze verdedigingsmogelijkheden, die er op berekend waren om de eisen van zijn ontwerp te staven en waarop zakelijk niet veel viel aan te merken. De Slag aan de IJzer zou weldra op roemrijke wijze bewijzen dat het vertrouwen dat hij uitsprak in de moed van onze soldaten geen ijdel gezegde was. Hij liet zich echter ook verleiden door die neiging tot zelfgenoegzaamheid en onvaste beweringen, die onze openbare verklaringen maar al te dikwijls hebben gekenmerkt en niet weinig schade aan ons aanzien hebben toegebracht. Wanneer de Broqueville bevestigde dat onze bewapening in deugdelijkheid in geen enkel opzicht achter stond bij deze van geen enkele Europese grootmogendheid, dat de versterkingen van Luik en Namen volledig in orde waren(225), dat de vesting

[p. 147]

van Antwerpen met alle mogelijke haast werd afgewerkt en binnen korte tijd een van de machtigste versterkte plaatsen van de wereld zou zijn, dat de bevoorrading van het leger in voedingsmiddelen en munitie volledig op de hoogte was van wat door de bevoegde autoriteiten werd verlangd, zodat in geval van nood niet alleen een heldhaftige, maar tevens een schitterende en afdoende verdediging kon worden verwacht, dan vergat hij de lessen, welke de ervaring ons reeds had toegediend en bereidde hij het land, zij het dan onvrijwillig, op pijnlijke ontgoochelingen in 1914 voor.

Beernaert had reeds eens voor de Kamer moeten bekennen dat de regering bij het uitvoeren van de vestingswerken te Luik door de militaire overheden op een schandelijke wijze was bedrogen geworden. Minister Helleputte had op de onbetrouwbaarheid van de inlichtingen van de militaire overheden nadrukkelijk gewezen in 1901. De verslaggever van het besproken militiewetsontwerp, Burggraaf du Bus de Warnaffe, had er nogmaals in zijn zeer goed gedocumenteerd verslag tegen gewaarschuwd: ‘Moeten wij herinneren aan de teleurstellingen die ons werden aangebracht door de Maasforten, de vestingen van Antwerpen, de militaire school, het bouwen van de nieuwe kazernen, de bewapeningskosten? (...) Zo handelde men ook, wat de legersterkte aangaat’(226). In een voetnota herinnerde de verslaggever eraan dat de heer Helleputte, in het verslag van 3 mei 1901 over het toen bij de Kamer ontvangen militieontwerp, de aandacht vestigde van de Kamer op de treurige gewoonte van het krijgsgenie, om ‘vooruit te gaan zonder te rekenen’ en, La Gazette(227) citerende, met haar besloot: die handelwijze is laakbaar; ongelukkiglijk heeft zij door een lange gewoonte in de geest van onze generaals wortel geschoten. Wij hebben in België ministers van Oorlog gekend, ‘qui ont été de véritables maîtres dans l'art de mystifier les Chambres et qui en ont fait une institution.’ De Patriote, sedertdien La Libre Belgique(228) ge-

[p. 148]

worden, sprak in een artikel, dat als het officieel standpunt van het blad werd voorgedragen, van ‘Menaces nouvelles du minotaure guerrier’ en verdedigde tegen de regering, dat we moesten vertrouwen op de internationale waarborgen van de ons opgelegde onzijdigheid en dat we eerder dan de legerlasten te verzwaren er moesten aan denken ze te verminderen. ‘Moins d'encasernement et plus de soldats, car c'est la caserne qui est odieuse, telle est la formule qui rallierait le pays’. En hare wens, getrouw aan de stellingen die zij vroeger reeds had verdedigd, ging in de richting van een legervorming die als grondslag zou hebben het volontariaat ‘et l'organisation sérieuse d'une garde civique généralisée à tous les cantons du pays’.

De lessen bleken echter nog niet voldoende. In de vergadering van de Kamer, op 6 augustus 1913, verschafte Minister de Broqueville enige uitleg over wat hij noemde ‘un gros mécompte’, een grove misrekening die o.a. werd begaan in verband met de werken, die voor de versterking van Antwerpen, als voornaamste steunpunt van 's lands weerbaarheid, nodig werden geacht. Hij schatte de misrekening op circa 93.500.000. Essentiële onderdelen van een doelmatig verdedigingsplan waren eenvoudig over het hoofd gezien en de minister moest bovendien bekennen dat, zo de eerste fortenlinie in 1914 zou af zijn, de gehele afwerking van de vesting eerst voor 1916 was voorzien(229). Op de bewapening waren de schattingen meer dan 50% beneden de werkelijkheid gebleven en - wat de minister in 1913 natuurlijk niet kon mededelen - toen de oorlog in augustus 1914 over ons uitbrak, waren niet eenmaal de zwaarste kanonnen afgeleverd. Krupp(230), die de bestellingen had weggedragen, was natuurlijk meer bezorgd om de tijdige verzorging van de keizerlijke legermacht dan die van het kleine België, dat voor de slachtbank was bestemd! De oorlog van 1914 zou eens

[p. 149]

te meer en eilaas op een tragische wijze het bewijs leveren van de lichtvaardigheid - of was het ook onwetendheid - met welke de hogere militaire overheden ook ditmaal de minister over de waarde of de werkelijke toestand van onze verdedigingsmiddelen hadden ingelicht.

We hebben echter - en hier bedoel ik niet alleen de uitvoerende overheden maar ook onze Wetgevende Kamers - naast wat ik noemde een neiging tot zelfoverschatting een andere neiging die aan deze bestuurlijke verzuimen of tekortkomingen een gemakkelijke straffeloosheid verzekert. We vinden het achteraf niet de moeite waard of ongewenst voor de rust van onze bewindvoerders of hun schuldige raadgevers om een grondig en nauwkeurig onderzoek in te stellen omtrent het gebeurde en zijn verantwoordelijkheden. De twee oorlogen, die we in de jongste vijftig jaar hebben meegemaakt en die de meest tragische gebeurtenissen zijn geweest die in onze zo bewogen nationale geschiedenis voorkomen, werden eenvoudig afgesloten met een serie van patriottische redevoeringen, zonder dat de balans van de passiva naast deze van de ware verdiensten met de vereiste zorg werd opgemaakt. En men make me niet de opmerking dat de Koningskwestie het tegenovergestelde zou kunnen bewijzen, want ik hoop te gelegener plaatse in deze herinneringen het bewijs te kunnen brengen, dat de Koningskwestie niet een vrucht is geweest van een gezonde bezorgdheid van het Parlement om het vertrouwen van het land in zijn instellingen te bevestigen, maar ontstaan is uit een zorgvuldig beraamd opzet van een beperkte groep van linkse en voornamelijk socialistische politieke persoonlijkheden, die slechts achteraf de steun van hun eigen partijgenoten hebben verworven.

De bespreking van de militiewet verliep zonder merkwaardige bijzonderheden, in overeenstemming met de gekende standpunten door de verschillende partijen ingenomen. Lorand verdedigde een volksleger met korte diensttijd en gesteund op een regionale aanwerving, een standpunt dat vrij algemeen - met enig voorbehoud betreffende de regionale aanwerving - door de socialisten werd gedeeld. De liberale partij, bij monde vooral van haar leider, stemde in met de bezorgdheid van de regering en beloofde haar steun aan het militie-ontwerp. Enkele liberalen, o.a. Louis Franck en Dr. Persoons, verklaarden zich gunstig voor een vermindering

[p. 150]

van de diensttijd tot op twaalf maand. De heer A. Devèze, die nog niet door de genade van het ministerschap tot meer bezonnenheid was gebracht, kwam met deze merkwaardige bedenking voor de dag, dat voor de regering de vereiste minimumgestalte van 1.54 meter i.p.v. 1.55, voor de aanneembaarheid van een militieplichtige, eenvoudig zou bedoeld zijn als een middel om meer Walen - kleiner van gestalte dan de Vlamingen - in het leger te brengen; ‘en is dat niet een clericale berekening?’ zo vroeg hij. Hij vond bovendien vijftien maand dienst teveel en sprak zich uit voor dienstverkorting. Ook iets dat hij, eenmaal minister van Landsverdediging, in patriottische stijl zou afwijzen. Van katholieke zijde werd zeer aangedrongen op de verbeteringen die moesten worden gebracht in de bescherming van de zedelijkheid en de godsdienstige bijstand van de soldaten. Dr. Van de Perre sprak dienaangaande op 26 en 27 februari 1913 een redevoering uit die de aandacht van de Kamer meer dan waard was(231), terwijl van de linkerzijde - en voornamelijk door de socialisten - verzet werd aangetekend tegen de vrijstelling van de priesters en tegen het bestaan van de universitaire eenheden.

De bespreking werd enkele dagen onderbroken door de bespreking van een voorstel tot verdaging, dat op 16 april naar aanleiding van de algemene werkstaking door Hubin werd ingediend en dat aanleiding gaf tot de gemeenschappelijke motie, die door Masson werd voorgesteld en die, zoals reeds werd vermeld, aan de socialisten de mogelijkheid opende, aan de algemene staking een einde te stellen(232). Het militie-ontwerp van de regering werd door de Kamer ongewijzigd aangenomen op 28 mei 1913 met honderd en drie stemmen voor, tweeënzestig stemmen tegen en vier onthou-

[p. 151]

dingen(233). Al de katholieke gekozenen van het arrondissement Antwerpen, met de uitzondering van Adelfons Henderickx, brachten een gunstige stemming uit.

 

Deze uitbreiding van de militaire dienstplicht kon evenwel niet geschieden zonder dat het vraagstuk van het taalgebruik te berde werd gebracht. De ontwaking van het Vlaamse volksbewustzijn had zich reeds bij de behandeling van de Gelijkheidswet op zulke treffende wijze geopenbaard en kwam op steeds krachtiger wijze tot uiting in de strijd voor de vervlaamsing van de hogeschool te Gent. Het zou onverantwoordelijk geweest zijn de nieuwe legerwet te aanvaarden zonder dat een krachtige poging werd ondernomen, om een einde te stellen aan een taalregime dat voor onze Vlaamse volksjongens vernederend en onbillijk was en beschamend voor geheel de Vlaamse volksgemeenschap. De Katholieke Vlaamsche Kamergroep, waarvan Dr. Julien Delbeke de voorzitter en ikzelf de secretaris was, besliste deze poging op zich te nemen. Wie enigszins op de hoogte is van de ergerlijke toestanden, tot welke de on- en anti-Vlaamse geest, waarvan ons leger doordrongen was, geleid heeft op het IJzerfront en van de noodlottige gevolgen die zich daaruit in de naoorlogse jaren hebben ontwikkeld, kan slechts diep betreuren dat de voorstellen en de onweerlegbare bewijzen, welke door de meest strijdbare leden van de Katholieke Kamergroep werden naar voren gebracht, op zulke luchthartige wijze door de regering en door de leden van het Parlement - zonder wezenlijk onderscheid tussen de partijen - werden afgewezen.

Het ligt in mijn voornemen over het taaldrama, dat zich aan de IJzer heeft afgespeeld, in het passend verband breder uit te weiden. Het is een der meest beschamende en ergerlijke bladzijden van onze nationale geschiedenis geworden. Wat door de Katholieke Vlaamsche Kamergroep in 1913 ten gunste van een gezonde taalregeling voor het leger werd bereikt, schijnt vrij onbeduidend tegenover dat onheil. Er is niemand die het meer levendig gevoeld en betreurd heeft dan de Vlaamse volksvertegenwoordigers die zich voor een meer billijke en doelmatige oplossing hebben inge-

[p. 152]

spannen en waarvan ik de enige nog overlevende ben. Het zou evenwel zeer onredelijk zijn de strijd die we hebben gevoerd, te willen beoordelen in het licht van latere gebeurtenissen. De Vlaamse gedachte die gedurende de jongste jaren in de katholieke Vlaamse studentenbeweging een zo veel belovende opbloei had gekend en die in de strijd voor de vervlaamsing van het hoger onderwijs haar machtigste ontplooiing zou vinden, was in het Parlement nog maar zwak vertegenwoordigd. Buiten C. Huysmans, Augusteyns en Pieter Daens zou men, in de rangen der oppositie, bezwaarlijk Vlamingen kunnen ontdekken die bereid waren om voor het leger een organisatie te steunen die de Vlamingen en Walen in afzonderlijke eenheden zou onderbrengen. Zelfs in de schoot van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep die, trots het feit dat hij deel uitmaakte van de regeringsmeerderheid, in feite het gewicht van de strijd op zich heeft genomen, waren niet alle leden bereid het hoofd te bieden aan het misnoegen van de regering en de steeds gerede banbliksems van Woeste.

De groep besliste een amendement in te dienen waarbij afzonderlijke Vlaamse en Waalse regimenten werden tot stand gebracht, een formule die reeds in de jaren vijftig werd aanbevolen door de zogenaamde Grievencommissie, in een verslag dat ook thans nog lezenswaardig is(234). Doch reeds voor de stemming verloochenden drie van de ondertekenaars hun handtekening. In de hoop dat we toch het beginsel van de scheiding, zonder welke ons een regeling van het taalgebruik in het leger praktisch onmogelijk voorkwam, zouden kunnen redden, besloot de groep de indeling van Vlamingen en Walen in afzonderlijke regimenten prijs te geven voor de meer gematigde regeling, deze van afzonderlijke Vlaamse en Waalse eenheden, die in onze opvatting niet kleiner mochten zijn dan de compagnie. De Katholieke Vlaamsche Kamergroep nam evenwel de beslissing, op deze formule stand te houden ook tegen het verzet van de regering in, en ieder lid dat zich aan deze afspraak zou onttrekken te beschouwen als ontslagnemend uit de groep. Maar wat we vreesden gebeurde. De drie leden, die

[p. 153]

zich als voorstanders van Vlaamse regimenten reeds hadden teruggetrokken, maar niettemin aanvaard hadden om als mede-indieners van het nieuwe amendement op te treden, bezweken nogmaals voor de morele drukking die op hen werd uitgeoefend. Het amendement werd verworpen met eenennegentig stemmen tegen en slechts drieënvijftig voor(235). Negenentwintig van deze laatste behoorden tot de Franstalige vertegenwoordiging. Vlamingen gelijk Dr. Persoons van Lokeren, Louis Franck van Antwerpen, Van Cauwenbergh, burgemeester van Lier, Raemdonck(236), burgemeester van Lokeren, Verachtert(237), vertegenwoordiger van het arrondissement Turnhout, naast de heren Nobels van Sint-Niklaas, Siffer(238) van Gent en De Bue(239) van Ukkel, die het amendement mede hadden ingediend, en vele anderen van welke men een betere houding had kunnen verwachten, bevonden zich tussen de tegenstemmers.

Er was nochtans een grondige bespreking voorafgegaan, waaruit blijken moest dat de taaltoestanden die in het leger heersten, ondraaglijk waren voor de Vlamingen. Het zou te ver leiden in bijzonderheden te treden over een toestand, die thans ondenkbaar is geworden. Een paar feiten mogen evenwel als tekenend worden

[p. 154]

aangehaald. Op vierentwintig geneesheren, gehecht aan het militair gasthuis te Antwerpen waren er volgens Dr. Van de Perre zes Vlamingen en achttien Walen, waarvan er slechts twee onze taal machtig waren. Dr. Borginon(240) bewees met cijfers die hem door de minister van Oorlog zelf waren verschaft, dat het aantal soldaten die gestraft werden, dienstverlenging moesten ondergaan of het leger ontvluchtten, evenredig groter was bij de Vlamingen dan bij de Walen en dat zulks alleen te verklaren was door de wanverhoudingen welke groeiden uit de onkennis van de taal van de Vlaamse soldaten bij de meeste officieren en onderofficieren en de onvermijdelijke vooringenomenheid tegenover de fransonkundige soldaten die daarmede gepaard ging(241). De regering vrees-

[p. 155]

de terecht of ten onrechte dat, indien de Vlaamsche Groep in zijn geheel stand hield, een meerderheid tegen haar zou kunnen worden gevormd. De Katholieke Vlaamsche Kamergroep had ook deze mogelijkheid in overweging genomen en besliste het risico te trotseren. Doch de HH. Siffer, Nobels en De Bue bezweken onder de vrees van dit gevaar en onder de denkbare gevolgen die men niet verwaarloosd had vóór hun ogen tot schrikbeelden op te blazen. De groep bleef echter bij zijn disciplinair besluit dat de leden die aan de afspraak ontrouw zouden worden als ontslagnemenden zouden worden beschouwd. Dit gaf zelfs aanleiding tot een incident tussen de heer Siffer en mijzelf, dat de President Schollaert, door mij daartoe aangezocht, vruchteloos gepoogd heeft bij te leggen en dat slechts door de oorlog werd uitgewist.

Ten einde vrijer armslag voor de behandeling van het talenvraagstuk in het leger te verkrijgen, werd door mij in opdracht van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep gevraagd, dat een afzonderlijke bespreking aan deze aangelegenheid zou worden gewijd. Toen de Broqueville zijn inzicht te kennen gaf over het taalgebruik een bijzonder ontwerp in te dienen, vroeg ik ook dat de eindstemming over het militie-ontwerp niet zou plaatsvinden, vooraleer het taalvraagstuk door de Kamer zou zijn behandeld. De Broqueville schonk ons op beide wensen voldoening(242). Deze tactiek bleek niet geheel ondoelmatig. Het ontwerp dat door de Broqueville werd ingediend bevatte, vooral wat de opleiding van de officieren en onderofficieren betrof, zekere beginselen die de omgang van de Vlaamse soldaten met hun overheden en ene meer rationele en ja menswaardige opleiding van de Vlaamse rekruten zouden hebben voorbereid en vermoedelijk de weg naar meer afdoende her-

[p. 156]

vormingen zouden hebben geëffend. Doch, afgezien van het nadeel dat de gewenste uitslagen eerst na een zeker aantal jaren konden voelbaar worden, daar het regeringsontwerp niets veranderde aan de toestand van de officieren en onderofficieren die reeds in dienst waren en zelfs niet aan de bevorderingsvoorwaarden van de toekomstige officieren die reeds in de militaire school waren opgenomen, was het wetsontwerp bezwaard met een dubbel vooroordeel, dat de leden van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep vruchteloos hebben bestreden. Ten eerste, dat de vermenging van de Vlaamse en de Franstalige soldaten in dezelfde eenheden een voorwaarde zou zijn van de eenheid van de legerleiding en zelfs van het behoud van 's lands eenheid, en ten tweede dat het mogelijk zou wezen de kennis van beide landstalen, die voor een goede leiding van de soldaten als noodzakelijk werd erkend, zou kunnen verzekerd worden bij de reserve-officieren en onderofficieren, die in oorlogstijd een aanzienlijk gedeelte van de kaders zouden uitmaken, in omstandigheden die meer dan ooit een nauwe samenwerking en een stevig moreel verband tussen soldaat en meerdere vereisten. In zijn inleidende redevoering op de behandeling van de wet op het taalgebruik in het leger zegde de Broqueville o.a.: ‘La loi est dominée par deux pensées. La première (...) éviter, dans la mesure du possible, tout antagonisme entre nos deux races. (...) La deuxième (...) il est indispensable d'assurer la parfaite unité de l'armée’(243). Toen ik op 7 maart de hoop uitsprak in verband met de Duitssprekende militairen uit Luxemburg, dat de soldaten die een zelfde taal spraken samen zouden worden gebracht, zegde de Broqueville bij onderbreking: ‘Je ne le ferai pas, je m'y opposerai de toutes mes forces, et j'ai même été jusqu'à dire que ce serait un crime contre l'unité nationale que de faire pareille chose.’ Men kan thans de holheid van deze patriottische dramatiek vaststellen, zoals ook van ‘le crime contre l'esprit’ dat H. Carton de Wiart ontdekte in de vervlaamsing van de hogeschool te Gent. Maar in 1913 voelden zelfs vele Vlaamse vertegenwoordigers zich bij zulke taal zeer bezorgd(244).

[p. 157]

De Broqueville ontmoette de zo gewettigde bezwaren van de Vlamingen ternauwernood, tenzij met het drakerig schrikbeeld dat met de geringste organische splitsing tussen de Vlaams- en Franssprekende soldaten zelfs de grondpijlers van 's lands eenheid en van de verbondenheid van het leger zouden worden in gevaar gebracht. Ik heb nooit kunnen begrijpen dat zulke onnozele bedreiging voldoende is geweest om zelfs overtuigde Vlaamsgezinden zoals Louis Franck en Dr. Persoons, die zelfs het excuus niet hadden de regeringsmeerderheid niet te willen in gevaar brengen, te doen wijken. De Broqueville verwaarloosde weliswaar ook niet de snaar van de verleiding en het ontbrak hem niet aan behartigenswaardige woorden over de plicht van de militaire overheidspersonen om door het aanleren van de taal van hun soldaten de zedelijke samenhang mogelijk te maken die voor een doeltreffende en mensenwaardige samenwerking onmisbaar is(245). De Broqueville verklaarde op de Kamervergadering van 19 februari 1913: ‘Le bon officier est, tout à la fois, un éducateur et un entraîneur d'hommes (...) et je considère que c'est une véritable dérision de penser que l'officier soit capable de remplir sa mission dans toute sa plénitude s'il ne peut pas bien se faire comprendre des hommes qu'il a sous ses ordres!’

Ik wil de Broqueville niet van bewuste onoprechtheid in deze verdenken, alhoewel - zoals ik het reeds heb doen opmerken - de politieke behendigheid het bij hem wel eens op de rechtzinnigheid heeft gewonnen. Doch hij had uit de bespreking die over zijn taalontwerp werd gevoerd wel kunnen leren, dat hij voor zijn veralgemeende tweetaligheid op de medewerking van onze franstaligen niet moest rekenen en de door hem gewilde hervormingen onvermijdelijk - althans voor vele jaren nog - falikant moesten uitkomen. Destrée liet er geen ogenblik gras over groeien. ‘Wij, Walen’, zo verklaarde hij op 16 april 1913, ‘wij willen geen Vlaams leren. Gij wilt er ons toe dwingen Vlaams te leren, dat is een dwingelandij die we niet zullen dulden.’ Hij ontving op deze verklaring goedkeuringen van de uiterst linkerzijde(246)

[p. 158]

Zijn partijgenoot Royer was niet minder tegen elke verplichte kennis van het Vlaams door de Walen. ‘Ce que je redoutais le plus’, zegt hij, ‘c'était qu'on imposât un jour en Wallonie l'enseignement du flamand même à l'école primaire’(247). De liberaal Asou(248) was even kategorisch in zijn verzet. ‘(...) Cette obligation de connaître le flamand pour pouvoir occuper, dans le pays entier, le moindre grade à l'armée, sera ressentie par la Wallonie comme une violence et une provocation (...)’(249).

Onnodig eraan toe te voegen dat de pogingen van katholieke zijde ondernomen om een billijke talenregeling voor het leger te verwezenlijken, in de Franse pers met niet minder heftigheid werden bestreden. Dat de niet-katholieke pers zich daarbij bijzonder onderscheidde, was als steeds een gewoon verschijnsel. De ‘Ligue Wallonne’ en de Ligue nationale pour la Défense de la Langue française(250), die toen nog in staat waren een zekere agitatie te Brussel en in de Waalse streken te verwekken, spanden zich in naar hun beste vermogen om de Walen beducht te maken voor de nieuwe poging tot overheersing, welke door de Vlamingen werd ondernomen. Hector Chainaye(251), hoofdredacteur van La Lutte

[p. 159]

Wallonne. Le Journal de Combat de tous les Wallons, publiceerde tegen de amendementen door de ‘Flaminganten’ op het militaire wetsontwerp voorgesteld een brochure waarin hij op de eerste bladzijde de ‘députés flamingants’ betitelde met de fraaie benamingen van ‘les chefs peaux-rouges du Mouvement, les mangeurs de lapins vivants, les avaleurs de sabres’; het geheel werd ingeleid met de in blokletters gestelde fiere uitdaging: ‘Seule, exposée au danger, la Wallonie veut être défendue; elle est prête à se défendre, seule.’ De oorlog van 1914-1918 heeft op een tragische wijze getoond hoeveel waarde er aan deze zwatelende onzin moest worden gehecht.

Het debat eindigde in de Kamer op vrijdag 23 mei en er bleef aan de Vlamingen niets over dan - om beterswil - hun goedkeuring aan het wetsontwerp van de regering, dat slechts lichte wijzigingen onderging, te verlenen. Dat was niet alleen het besluit van de katholieke Vlamingen, ook C. Huysmans, L. Franck, Augusteyns en de overige Vlaamsgezinden van de oppositie waren van dat oordeel. Het ontwerp, dat met achtennegentig stemmen voor en slechts vierentwintig tegen werd aangenomen, betekende trouwens - zoals ik het hoger reeds heb doen opmerken - een wezenlijke vooruitgang. Dr. van de Perre heeft de principiële betekenis ervan op klare wijze doen uitschijnen in een interview dat in Het Handelsblad van 11 juni 1913 werd opgenomen. Wellicht hadden wij enkele stemmen meer kunnen winnen voor de Vlaamse en de Waalse eenheden, indien wij aan de rekruten de vrije keuze tussen beide hadden gelaten. Dit konden we echter om principiële redenen niet aanvaarden. Wij wilden niet dat er geraakt werd aan het beginsel van de taalkundige homogeniteit van de Vlaamse zowel als van de Waalse gewesten en konden niet dulden dat de Vlaamse eenheden, door de aanwezigheid van de Franssprekende militianen uit ons eigen taalgebied, tot eenheden van de arme mensen zouden worden gemaakt. De in de Kamer en daarbuiten gevoerde strijd had evenwel de aandacht voor het talenprobleem in het leger in bredere kringen en vooral bij de Vlamingen zelf

[p. 160]

gewekt. Ook dit was niet te versmaden in een strijdperiode die het Vlaamse volksbewustzijn zichtbaar en op versnellende wijze naar een volledige ontwaking zou brengen.

(216)Albert Devèze, oIeper 6 juni 1881 †Elsene 28 nov. 1959, promoveerde 1902 in de rechten te Brussel, advocaat aldaar, 2 juni 1912-1958 liberaal volksverteg. voor het arr. Brussel, was na Wereldoorlog i herhaaldelijk minister, 8 april 1930 minister van Staat.
(217)Woeste verklaarde op 17 april 1913 o.m.: ‘Il (le chef du cabinet) m'a fait l'honneur à moi-même de me consulter souvent.’ A.P.C. 1912-1913, p.963, kol. 1. (Noot F.V.C.).
(218)Dit incident moet gezien worden in het kader van de strijd om de invloed in Marokko. Toen de Fransen in 1911 Fez bezetten, stuurden de Duitsers, ten teken van protest, op 1 juli 1911 de kanonboot ‘Panther’ naar Agadir. Engeland koos Frankrijks zijde en verklaarde een blijvende Duitse aanwezigheid in Marokko niet te kunnen dulden. In 1912 werd Marokko een Frans protectoraat; een deel van de kust werd Spaans en Tanger werd geïnternationaliseerd.
(219)Joseph Caillaux, oLe Mans 30 maart 1863 †Mamers (Sarthe) 23 nov. 1944, Frans radicaal-socialistisch politicus, herhaaldelijk minister van Financiën, stuurde aan op een goede verstandhouding met Duitsland, 1911-1912 minister-president en minister van Binnenl, Zaken.
(220)Voor dit ‘Alldeutscher Verband’ zie hierna p. 245-246, noten 7-8.
(221)Raymond Poincaré, oBar-le-Duc 20 aug. 1860 †Parijs 15 okt. 1934, Frans gematigd republikeins politicus, vóór en na Wereldoorlog i herhaaldelijk minister en minister-president; deze laatste functie o.m. sedert jan. 1912; jan. 1913-1920 president van Frankrijk.
(222)Bedoeld wordt Carol i, oSigmaringen 20 april 1839 †Slot Pelesch bij Sinaia 10 okt. 1914, sedert 1866 vorst, 1881 koning van Roemenië.
(223)Kamervoorzitter Schollaert las op 13 febr. 1913 in de Kamer volgende brief van Broqueville voor: ‘Monsieur le Président, J'ai l'honneur de demander à la Chambre de bien vouloir se réunir en comité secret avant l'ouverture du débat sur la loi de recrutement. Je vous prie, Monsieur le Président, (...).’ De Kamer ging daarop te 14u op dit verzoek in en hernam vanaf 15u40 de openbare vergadering.
(224)Na Broquevilles rede op 14 febr. werd de algemene discussie reeds tijdens zijn rede begonnen en in de Kamer tot 19 maart voortgezet; de discussies over de artikelen grepen plaats van 16 april tot 28 mei; de laatstgenoemde dag werd de nieuwe militiewet door de Kamer met 103 stemmen tegen 62 en bij 4 onthoudingen aangenomen. A.P.C. 1912-1913, p.612-1396.
(225)Broqueville gebruikte de woorden ‘achevées et parachevées’. Ibid., p.612, kol. 1.
(226)Helleputtes verslag van 3 mei 1901 in Documents parlementaires de Belgique 1900-1901, Chambre des représentants, p.501-561; dat van Du Bus de Warnaffe bij de Kamerzitting van 16 jan. 1913, o.c., 1912-1913, p.603-711, met het citaat uit La Gazette p.608, kol. 1, noot 2.
(227)La Gazette, van 1871 tot 1914, dagblad te Brussel.
(228)Le Patriote, katholieke krant te Brussel, gesticht in 1884, en sedert 1915 La Libre Belgique.
(229)A.P.C., namiddagzitting van 6 aug. 1913: Broquevilles verklaring p. 2092-2107.
(230)Van de verschillende generaties Krupp zijn voor het begin van de twintigste eeuw te noemen: Friedrich Alfred Krupp, oEssen 17 febr. 1854 †ald. 22 nov. 1902, en zijn dochter Bertha, oEssen 29 maart 1886 †ald. 21 sept. 1957; deze huwde 1906 Gustav von Bohlen und Halbach, o's-Gravenhage 7 aug. 1870 †Blühnbach (Salzburg) 16 jan. 1950, die vóór zijn familienaam ‘Krupp’ mocht voegen.
(231)Hooger Leven schrijft in zijn nr. van 1 maart 1913 dat de rede van Dr. van de Perre, die de eerste was door hem in de Kamer uitgesproken ‘beslist een goeden en grooten indruk (heeft) gemaakt op de Kamer (...). Zijne redevoering getuigde van een verrassende belezenheid in krijgszaken (...). Dr. van de Perre verdedigde, als zijnde de eenige mogelijke oplossing de gewestelijke indeeling en de splitsing in Waalsche en Vlaamsche regimenten’. (Noot gedeeltelijk van F.V.C.). - Van de Perres rede van 26-27 febr. 1913 in A.P.C. 1912-1913, p.725-736.
(232)Zie hoger p. 141-142.
(233)Van katholieke zijde onthielden zich de heren Ad. Henderickx (arr. Antwerpen) en Van Brussel (arr. Sint-Niklaas). (Noot F.V.C.).
(234)Betreffende het voorstel van splitsing van het leger in Vlaamse en Waalse regimenten, zegt het verslag van de Grievencommissie in 1856: ‘La partie de notre organisation politique oú l'exclusion de l'individualité flamande règne le plus durement c'est à l'armée.’ (Noot F.V.C.).
(235)De bespreking van dit amendement en de verwerping ervan in de Kamer-zitting van 23 mei 1913. A.P.C. 1912-1913, p.1350.
(236)August Frans Raemdonck, oLokeren 10 maart 1863 †ald. 15 okt. 1939, promoveerde te Leuven in de rechten en in de polit. en administr. wetenschappen, 1890 gemeenteraadslid, 1908 burgemeester van Lokeren, 16 febr. 1889 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Sint-Niklaas, verbleef tijdens Wereldoorlog i in Nederland en was er lid van het Officieel Belgisch Comité.
(237)Joseph Marie Verachtert, oNoorderwijk 31 maart 1866 †Geel 19 mei 1941, 2 juni 1912-1929 kath. volksverteg. voor het arr. Turnhout, 1921-april 1941 (ontslag) burgemeester van Geel.
(238)Alfons Frederik Siffer, oZomergem 21 maart 1850 †Gent 3 maart 1941, studeerde notariaat te Gent en te Leuven, drukker-uitgever, 1875 medestichter van het Davidsfonds, 1886 stichter van het tijdschrift Het Belfort, 1895 gemeenteraadslid te Gent, 6 jan. 1909-1912 schepen van Openbare Werken, 6 jan. 1909-27 jan. 1911 wn. burgemeester, 1921 tot Wereldoorlog ii opnieuw gemeenteraadslid en schepen, 2 juni 1912-27 nov. 1932 kath. volksverteg. voor het arr. Gent-Eeklo.
(239)François Xavier Marie De Bue, oUkkel 4 jan. 1860 †ald. 30 sept. 1925, 22 mei 1910 tot zijn dood kath. volksverteg. voor het arr. Brussel.
(240)Gustaaf Borginon, oPamel 28 febr. 1852 †ald. 15 okt. 1922, promoveerde 1875 in de geneeskunde te Leuven, arts, juli 1900-1910 en 1912-1919 kath. volksverteg. voor het arr. Brussel.
(241)Op 14 februari 1913 stelde Dr. Borginon volgende parlementaire vraag aan de minister van Oorlog: Welk is het aantal soldaten van de lichtingen 1907 tot en met 1910 a) uit de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen, Limburg en uit het arrondissement Leuven, b) uit de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en uit het arrondissement Nijvel, - 1o die uit het leger werden weggejaagd, 2o die uit hoofde van militaire straffen langer onder de wapens werden gehouden. Het antwoord luidde:
1907 1908 1909 1910
op 1o 17 12 11 6 voor de Vlaam-
se Gewes-
ten
op 2o 669 620 7890 1155
op 1o 6 6 1 0 voor de Waal-
se Gewes-
ten
op 2o 304 272 281 677

 

De gegevens voor het arrondissement Brussel worden achterwege gelaten, uit hoofde van het in taalopzicht gemengd karakter van dit arrondissement. De vergelijking tussen het Vlaams en het Waalse landsgedeelte is op zichzelf van voldoende betekenis. Het opvallend verschil in het aantal gestrafte soldaten beantwoordt niet aan de verhouding van de bevolkingscijfers en kan evenmin door een aangeboren minder tuchtgeest van de Vlamingen worden verklaard. De bespottelijke wijze waarop zogenaamd Vlaamse onderrichtingen aan de Frans-onkundige soldaten werden versterkt, moge blijken uit deze twee potsierlijke staaltjes ontleend aan het lesboekje. Op de vraag: ‘A quoi reconnaissez-vous le commandant?’ leerde de sergeant aan de soldaten: ‘aan twee lignes qui tournent en drie qui montent’. En als antwoord op de vraag: ‘Quelles sont les parties du verrou?’ werd geleerd: ‘de eigenlijk verrou, de extracteur, de percuteur, de ressort à bond de noix, de manchon porte-sûreté, de sûreté.’ - Leger en taaltoestand in Antwerpen: van de Griffie van de Krijgsraad van Antwerpen vernam ik dat twee derden van de hogere officieren in garnizoen te Antwerpen Walen of Vlaamsonkundigen waren. Ook een groot aantal van de onderofficieren waren Vlaamsonkundig. ‘Daarenboven - aldus de mij toevertrouwde nota - bezit men in het leger geen Vlaamse reglementen. Deze toestand veroorzaakt overgrote moeilijkheden bij het vervaardigen van de opvoeding der Vlaamse soldaten.’ (Noot F.V.C.).
(242)Louis Franck herinnerde de Kamer eraan in zijn rede van 22 mei 1913, dat ‘en matière militaire, nous vivons encore sous l'empire du décret du 27 octobre 1830, aux termes duquel le français est la langue officielle de l'armée’. (Noot F.V.C.).
(243)Op 21 mei 1913. A.P.C. 1912-1913, p.1257.
(244)F.V.C. sprak over de legeraangelegenheden op 7 maart 1913. Zie A.P.C. 1912-1913, p.828-836; de passus over de Duitstaligen en Broquevilles tussenkomst op p.836, kol.1.
(245)Op 19 febr. 1913. Ibid., p.651.
(246)‘Nous ne voulons pas apprendre le flamand. (Exclamations à droite) Non, assurément non (...) vous voulez en arriver à nous forcer à apprendre le flamand: c'est une tyrannie que nous ne supporterons pas. (Très bien! à l'extrème gauche).’ Ibid., p.943. Op 21 mei 1913 verklaarde Jules Destrée: ‘La Belgique (...) est une nationalité de création récente et artificielle (...) une nationalité factice, créée par la diplomatie europénne.’ Ibid., p.1262
(247)Ibid., p.1325, op 23 mei 1913.
(248)Albert Asou, oDoornik 24 juni 1857 †ald. 6 maart 1940, advocaat te Doornik, 31 jan. 1905-8 mei 1914 liberaal volksverteg. voor het arr. Doornik, 14 juli 1919-28 okt. 1932 provinc. senator Henegouwen.
(249)A.P.C. 1912-1913, p.1303, op 22 mei 1913.
(250)De eerste ‘Ligue wallonne’ werd in 1886 te Sint-Gillis (Brussel) opgericht en stelde zich teweer tegen het Vlaamsgezinde programma; op vele plaatsen in het land, ook in Vlaamse steden, werd een ‘Ligue wallonne’ opgericht (zo te Antwerpen en te Gent, vooral onder Waalse ambtenaars). Deze liga's sloten naderhand aaneen in de ‘Fédération des Ligues wallonnes du Pays’. Verwant ermee was de eveneens vóór Wereldoorlog i opgerichte ‘Ligue nationale pour la défense de la Langue française’, die in Vlaanderen aan anti-Vlaamse propaganda deed.
(251)Hector Chainaye, oLuik 1865 †Brussel 1915, Waalsgezind strijder en journalist, auteur van Pourquoi et comment les Wallons doivent combattre les flamingants (Brussel, 1908, 32 blz.). Op de stichtingsvergadering van de ‘Union pour la Défense de la Langue française à l'Université de Gand’ (23 okt. 1910) verklaarde hij o.m. dat de Vlaamse Beweging was ‘une bande de brutes menée par des hommes intelligents comme Franck d'Anvers’. (Geciteerd door m.basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, i, p.145).
prepostterug  begin  verder