terug  begin  verderprepost

11
Congo-interpellatie van Brunet tegen... volksvertegenwoordiger Brifaut. Einde van de zittijd met sociale wetten. (Jan.-mei 1914)

Tussen de vele interpellaties die, tussen de behandeling van de schoolwet in, door de Kamer werden gehoord is er ene, die aan de jongste gebeurtenissen in Congo(280) een nieuw actualiteitsbelang ontleent en welke bij deze gelegenheid in herinnering worde gebracht, namelijk de interpellatie welke op 13 januari 1914 door Brunet(281), later voorzitter van de Kamer, gericht werd tot Renkin, minister van Koloniën, betreffende ‘de maatregelen die hij van zin is te nemen tegen de aanvallen waaraan de functionarissen

[p. 176]

van Congo blootstaan’. Deze interpellatie, die vijf volle vergaderingen in beslag nam, kon als een verlengstuk worden beschouwd van de campagne die tegen de katholieke missionarissen werd gevoerd in 1911 en waarvan Em. Vandervelde de aanvoerder was geweest. In feite was de interpellatie-Brunet niet zozeer gericht tegen Minister Renkin, wien de oppositie geen ernstig verwijt kon in de weg leggen, dan wel tegen volksvertegenwoordiger Brifaut, die als verantwoordelijk leider van het maandelijks verschijnend Bulletin antimaçonnique(282) een zeker aantal geheime en voor de linkerzijde hinderlijke documenten had aan het licht gebracht, waaruit moest blijken dat de schandelijke aanvallen en de bestuurlijke tegenwerking, over welke onze missionarissen in de jongste jaren hadden te klagen, uitgegaan waren van magistraten of ambtenaren die tot de vrijmetselarij behoorden en vermoedelijk in hun loge daartoe waren aangespoord(283). Pater Cambier(284), een van de oudste en meest heldhaftige Congomissionarissen van de Congregatie van Scheut, was door een negervrouw, die later zelf bekende dat zij eenvoudig gelogen had, van de meest afschuwelijke misdaden beschuldigd geworden. Hij werd beticht van ‘medeplichtigheid aan echtbreuk, vruchtafdrijving, kindermoord en onderschuiving van kinderen’.

Het gerechtelijk onderzoek was aldus geleid geworden dat deze lasterlijke aantijgingen bij de zo lichtgelovige inboorlingen gemakkelijk ingang moesten vinden. Ook andere paters-missionarissen

[p. t.o. 176]



illustratie
5 / Het gezin-Van Cauwelaert te Antwerpen, eind 1913. Van links naar rechts de kinderen Willem, Herman, Emiel, Jozef en Mia



illustratie
6 / Mevrouw Frans Van Cauwelaert, tijdens Wereldoorlog I in Nederland, in gezelschap van haar moeder Mevrouw Ph.J. Verschueren, geb. Maria Theresia van Doorslaer

[p. 177]

stonden aan persoonlijke kwellingen bloot. Te Stanleystad(285) werd door een paar dronken staatsbeambten nachtelijk een openbare parodie van katholieke godsdienstige plechtigheden opgevoerd. Commandant Wangermée, die Vandervelde met inlichtingen had geholpen in zijn campagne van 1911, had zich op een bijeenkomst van zijn personeel, door hemzelf samengeroepen, op een smadelijke wijze over de katholieke godsdienst uitgelaten. ‘De tam-tam voor de maan’, zo zegde hij, ‘is een godsdienstige plechtigheid zowel als deze ter ere van God(...). De tam-tam heeft evenveel waarde als het Vaderons’, waarvan Masson in het debat erkende dat dit het schoonste gebed was dat aan de mens werd ingegeven(286).

Het voornaamste doel van de anticlericale actie tegen onze missionarissen was evenwel de vernietiging of het dwarsen van de evangelisatie door de Jezuïeten en meer bijzonder van hun werk der kapelhoeven(287). Zij wilden, zo luidde de beschuldiging, een staat in de staat vormen. Hield dit alles verband met een plan van stelselmatige bestrijding van de katholieke evangelisatie, dat door de vrijmetselaarsloges in België en Congo zou zijn opgemaakt? Het bewijs kon niet worden geleverd, alhoewel ernstige vermoedens in die zin oprezen. Mgr. Augouard(288), bisschop in Frans-

[p. 178]

Congo, verklaarde dat de vrijmetselarij in Belgisch-Congo ontstellend veel kwaad verrichtte en dat de katholieke missies beter behandeld werden in de Franse koloniën dan in de Belgische. Dat er in Belgisch-Congo verschillende vrijmetselaarsloges bestonden, werd door geen van de erkende voormannen van de Belgische vrijmetselarij ontkend. Een van de hoofdmannen van de vrijmetselarij in ons land, Sluys(289), de grootmeester van het onderwijs van de stad Brussel, had reeds in 1900 voor de loges een program van actie in Congo ontwikkeld, dat gesteund was op het beginsel dat ‘de dogma's van de Kerk van Rome geen hogere geloofsvorm waren dan de bijgelovigheden van de negers en men niet moet wensen dat deze laatste door de eerste worden vervangen’; hij besloot zijn betoog met de vaststelling ‘dat de vrijmetselarij in Congo gevestigd op nuttige wijze het terneerdrukkend werk (l'oeuvre déprimante) van de missionarissen kon bestrijden’(290). Ook al was deze aansporing enkele jaren oud en ging zij de naasting van Congo door België vooraf, haar verwantschap met de actie die in Congo door als vrijmetselaars erkende ambtenaren een tiental jaren tegen de katholieke missionarissen werd ontwikkeld, drong zich als vanzelfs op. In elk geval Woeste, die niet lichtvaardig tewerk ging, was ook van oordeel ‘qu'il y a là une action occulte qui cherche à poursuivre contre les missionaires une

[p. 179]

campagne de dénonciation et d'accusations vraiment odieuse’(291). De overste van een klooster te Kisantu schreef: ‘Si on ne nous aide pas de Belgique, nous n'avons plus rien à faire au Congo’(292). De oversten van de missies in Congo zagen zich genoodzaakt op 3 maart 1913 een gezamenlijke klacht bij Minister Renkin in te dienen. Deze vijandelijke gedragingen tegenover de katholieke missies was duidelijk in strijd met de Acte van Berlijn(293), welke in haar artikel 6 voorziet dat een bijzondere bescherming en hulp moet worden verleend aan de missionarissen van de christelijke kerkgemeenschappen, en tevens met de bepalingen van de overeenkomst in 1906 tussen de H.Stoel en de Onafhankelijke Congostaat gesloten en waarvan België door de naasting van Congo, evenzeer als van de Acte van Berlijn de verplichtingen had overgenomen.

Het moge worden erkend dat zowel Brunet als de voornaamste woordvoerders van de liberale partij, Masson en Hymans, die zich in het debat mengden, blijk gaven van grote gematigdheid in hun uitdrukking. Zij erkenden de edelmoedigheid van onze missionarissen en waarschuwden tegen het gevaar dat onze binnenlandse partijtwisten naar Congo zouden worden gebracht, een waarschuwing aan welke onder het noodlottig ministerschap van de heer Buisseret(294) had mogen herinnerd worden. Minister Renkin die

[p. 180]

zich door de klachten die van katholieke zijde waren opgerezen, persoonlijk gegriefd had gevoeld, trachtte deze af te wentelen door de bemerking dat inmiddels aan al de rechtmatige bezwaren en verlangens van de missionarissen voldoening was geschonken. Het onbehaaglijke gevoel, dat door de campagne van Em. Vandervelde in 1911 en door de latere onthullingen van Brifaut in onze katholieke volksopinie was opgewekt, werd door zijn verklaringen niet geheel bedaard(295). Ook deze missionarissen waren niet volledig gerustgesteld en het is op verzoek van dezen dat ik me voor deelneming aan de bespreking liet inschrijven. Ik was in het bezit van een uitvoerige en nauwgezette documentatie, die me door een van de oversten van het Gezelschap van Jesus werd verschaft. Ik nam de gelegenheid waar om o.a. hulde te brengen aan het prachtig werk dat door de Jezuïeten ook op landbouwgebied werd verwezenlijkt en dat door geen enkele staatsonderneming kon worden geëvenaard. De tuin van Broeder Gillet(296) blijft daarvan een roemrijke getuige. Ik gaf aan mijn uiteenzetting een vrij ruime ontwikkeling, die begrijpelijkerwijze noch bij Minister Renkin, noch bij de linkerzijde in de smaak is gevallen. Het is bij die gelegenheid dat ik op een onderbreking van P. Hymans hem het antwoord gaf dat ‘indien eensdaags een van mijn kinderen als missionaris naar de kolonie wilde gaan, ik me over deze beslissing zou verheugen, want de katholieken kennen de vrees noch voor het leven noch voor het offer’(297). Deze wens bleef niet onverhoord. De zoon die me twee maand later op 12 april werd geboren, trad in de Congregatie van Scheut en is thans Bisschop in Inongo aan het Leopold ii-meer. Ook mijn oudste te vroeg gestorven zoon,

[p. 181]

die doctor in de rechten was, bracht het grootste gedeelte van zijn loopbaan door in Congo en twee van zijn kinderen volgden zijn voorbeeld(298).

 

Het nog overblijvend gedeelte van de zittijd 1913-1914 kende een rustig verloop. De begrotingen, die bijna alle nog op behandeling wachtten, werden op een loopje doorgenomen en de maatschappelijke wetsontwerpen op de beperking van de arbeidsduur voor kinderen en vrouwen, op de zondagrust, het voorstel op de beperking van de arbeidsduur voor de machinisten die de ophaaldienst in de mijnen verzekeren, en ten slotte het wetsontwerp op de ziekteverzekering en de vroegtijdige werkonbekwaamheid werden met nagenoeg algemene stemmen door de Kamer aangenomen. Wel doken nog bij de bespreking van de kinderarbeid enkele beweringen op die er aan herinnerden dat de onmaatschappelijke geest, die onze nijverheid gedurende de negentiende eeuw had beheerst, nog niet bij alle katholieke volksvertegenwoordigers was uitgestorven. Volgens E. Van Reeth(299), burgemeester van Boom en erevoorzitter van het Verbond van de Steenbakkers, die moest bekennen dat er in Boom nog schoolklassen waren met honderd leerlingen, hield staande dat het onmogelijk was nog een goede arbeider te vormen, indien met de tewerkstelling moest worden

[p. 182]

gewacht tot op de leeftijd van veertien jaar. E. Duysters(300), eveneens volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Antwerpen en voorzitter van de raad van beheer van een glasfabriek, steunende op het gezag van de patroons van de glasnijverheid in België, beweerde dat het was matériellement impossible de devenir verrier sans avoir commencé son apprentissage vers l'âge de 12 ou de 13 ans' en dat een gezond kind, zonder enig gevaar, zijn leertijd in de glasfabriek kon beginnen op de leeftijd van twaalf jaar. Indien met deze beschouwingen geen rekening werd gehouden, zo besloten de patroons, dan zou men binnen een min of meer korte tijd de glasnijverheid in België zien te gronde gaan! Ook Woeste scheen zich over al deze maatschappelijke nieuwigheden zorg te maken. ‘La Chambre’, zo verklaarde hij naar aanleiding van de bespreking over de zondagrust, ‘la Chambre est engagée actuellement dans une voie de réglementation à outrance’(301). Hij verkoos niettemin, zich bij de meerderheid aan te sluiten. Op het wetsontwerp op de ziekteverzekering en vroegtijdige invaliditeit onthield zich de liberale en socialistische oppositie. De heren P. Daens en Fonteyne sloten zich echter aan bij de rechterzijde ten gunste van het ontwerp(302).

Na de vreedzame plichtvervulling, die haar werkzaamheden in de lente van 1914 hadden gekenmerkt en die als een verademing waren geweest na de gespannen debatten die de schoolwet hadden gekenmerkt, ging de Kamer voor onbepaalde duur uiteen op 8 mei om zich te wijden aan een nieuwe verkiezingsstrijd.

(280)Toespeling op de beroering in Congo ten gevolge van subsidievermindering voor de vrije katholieke scholen in 1955 en van politieke gisting onder de Congolezen sedert 1956.
(281)Emile Lucien Brunet, oBrussel 8 juni 1863 †ald. 10 mei 1945, promoveerde 1883 in de rechten te Brussel, advocaat aldaar, 24 juli 1912 tot zijn dood socialist. volksverteg. voor het arr. Charleroi, 1 jan. 1918-21 nov. 1918 lid van de ministerraad, dec. 1919-aug. 1928 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenw., 2 april 1925 minister van Staat. - Zijn interpellatie aan Renkin ‘sur les mesures qu'il compte prendre en présence de la campagne menée contre les fonctionnaires du Congo’ op 13 jan. 1914 en de discussie daaromtrent op 13, 20 en 27 jan., 10 en 17 febr. in A.P.C. 1913-1914, p. 593-606, 673-688, 760-776, 944-957 en 1025-1047.
(282)Het Bulletin antimaçonnique was het ‘Organe mensuel illustré de la Ligue antimaçonnique’ en verscheen te Brussel sedert maart 1911. De ‘Ligue antimaçonnique’ (Nl. Belgisch Antivrijmetselaarsverbond) was gesticht in 1910. Valentin Brifaut was secretaris van het ‘Comité directeur’.
(283)Het oktobernummer 1913 (iiide jaargang, nr. 10) draagt als titel: La F .-. M .-. au Congo; dat van nov. 1913: Magistrature maçonnique. Ook het decembernummer handelde over het onderwerp.
(284)Emeri H.C. Cambier, oFlobecq 2 jan. 1865 †Salzinnes-lez-Namur 29 sept. 1943, missionaris van Scheut, priester gewijd op 20 nov. 1887, sedert zomer 1888 in (Belgisch-) Congo; 1904 apostolisch prefect van Kasai, 1913 terug naar België en er in het apostolaat werkzaam. Over de laster tegen hem zie v.brifaut, Odieuses machinations et odieuses fantaisies, in Bulletin antimaçonnique, iii-10 (okt. 1913), p.249-257; en Ce qu'est le Père Cambier, ibid., p.257; verder ook Brifauts rede in de Kamer op 20 jan. 1914 in A.P.C. 1913-1914, p.685.
(285)Thans Kisangani.
(286)Masson las op 27 jan. 1914 een passage voor uit de (onderschepte of gestolen) brief van commandant G. Wangermée. Deze had een sergeant die inboorlingen had verboden tam-tam te spelen en voor de nieuwe maan te dansen, gestraft en het hele personeel naderhand gezegd: ‘Le sergent a eu tort parce que le tam-tam à la lune est une religion, comme celle de Dieu et chacun est libre de croire ce qu'il veut. Le tam-tam a autant de valeur que le baba yango, mama yango iko ko mabingo (notre père, notre mère qui êtes dans les cieux).’ Ibid., op 27 jan. 1914, p.770, kol.2. - Even later, op dezelfde dag, noemde Masson het Onze Vader ‘la plus belle prière qui ait été inspiré à l'homme’. Ibid., p.771, kol.2.
(287)De kapelhoeven der jezuïeten-missionarissen hadden als opzet, de jeugd voor zekere tijd aan het heidens milieu te onttrekken en ze voor christelijk onderwijs, vorming en lonend handwerk samen te brengen. Ze brachten de zwarten naast betere kennis van de godsdienst een hoge welstand, meer hygiëne en zedelijkheid. Wegens de stelselmatige vijandigheid van niet-katholieken werd het werk opgeheven. Uit Katholieke Encyclopedie, XV, 1952, kol. 67-68).
(288)Prosper Philippe Augouard, oPoitiers 16 sept. 1852 †Parijs 7 okt. 1921, priester van de Congregatie van de H. Geest, missionaris in Gabon, Loanda en (Frans-) Congo, 1890 apostolisch vicaris van Frans-Congo, was 44 jaar lang missionaris in Afrika. - Voor zijn verklaringen zie o.a. L'action maçonnique au Congo met Ce que Mgr. Augouard pense de l'action de la Maçonnerte au Congo Belge, brieven van Augouard) in Bulletin antimaçonnique, iii, nr.10 (okt. 1913), p.237-248.
(289)Alexis Sluys, oSint-Gillis 25 sept. 1849 †Elsene 27 okt. 1936, pedagoog, 1880-1909 directeur van de gemeentelijke Normaalschool te Brussel, als eredirecteur een tijd lang adjunct-Grootmeester in de ‘Grand Orient de Belgique’. Over hem zie ook Brifauts rede in de Kamer op 20 en 27 jan. 1914. A.P.C. 1913-1914, p.686-688 en 760-763.
(290)In de bewoordingen van Minister Renkin was dit program-Sluys als volgt geformuleerd: ‘(...) Les dogmes de l'Eglise de Rome ne sont pas une forme supérieure de croyance, et il ne faut pas souhaiter de les voir se substituer chez les nègres à leurs superstitions (...). La maçonnerie établie au Congo pourrait utilement lutter contre l'oeuvre déprimante des missionnaires.’ Ibid., op 13 jan. 1914, p.601, kol.2.
(291)A.P.C. 1913-1914, 20 jan. 1914, p.682, kol.2.
(292)Vermeld in Brifauts rede van 20 jan. 1914. Ibid., p.685, kol. 1.
(293)De Acte van Berlijn d.d. 26 febr. 1885 sloot de Conferentie van Berlijn af, waarop van 15 nov. 1884 tot 26 febr. 1885 vertegenwoordigers van bijna alle Europese mogendheden en de Verenigde Staten aanwezig waren; ze erkende de onafhankelijkheid van de Congostaat onder soeverein gezag van de Belgische koning Leopold ii.
(294)Auguste Buisseret, oBeauraing 18 aug. 1888 †Luik 15 april 1965, promoveerde 1913 in de rechten te Luik, advocaat aldaar, 2 april 1939-20 febr. 1961 liberaal senator voor het arr. Luik (maart 1946-1949 prov. senator Luik), febr. 1945-jan. 1946 minister van Openbaar Onderwijs, maart 1946-maart 1947 van Binnenl. Zaken, aug. 1949-juni 1950 van Openbare Werken, april 1954-juni 1958 van Koloniën; sedert 1930 achtereenvolgens gemeenteraadslid, schepen en 1959-1963 burgemeester van Luik. Tot aan Buisserets ministerschap van Koloniën bestond in Kongo alleen vrij katholiek onderwijs; onder zijn bewind ontstond ook Rijksonderwijs wat tot conflicten en minder subsidies voor de vrije scholen leidde.
(295)Voor Vanderveldes campagne zie hoger p. 116, voor Brifauts onthullingen zie vooral het Bulletin antimaçonnique, 1911-1914 en hoger p. 175.
(296)Justin Gillet, oPaliseul 18 juni 1866 †Kisantu (Congo) 22 juli 1943, vertrok in april 1894 naar Congo en werd er een der stichters van de Kwango-missie. De eerste installatie van een tuin door hem, te Kisantu, dateert van 1898. De eerste catalogus (1909) vermeldde reeds 700 soorten en varieteiten, in de derde uitgave (1927) waren het er 1775.
(297)In de oorspronkelijke versie luidde dit: ‘(...) s'il plaît un jour à mes enfants de se rendre dans la colonie comme missionaires, je me réjouirai de cette décision, car les catholiques n'ont ni la peur de la vie ni la peur du sacrifice.’ A.P.C. 1913-1914, op 10 febr. 1914, p.956, kol.1.
(298)Bedoeld worden: 1o Emiel Van Cauwelaert, oBlaasveld 26 aug. 1907 †Leuven 14 mei 1957, promoveerde in de rechten te Leuven, secretarisgeneraal van de ‘Compagnie des Chemins de fer du Congo supérieur aux grands lacs africains’ (met hoofdzetel te Albertstad, thans Kalemie); en diens kinderen Frans (o1932), ingenieur, thans hoogleraar te Lovanium, en Anne Marie (o1935) die er 1958-1960 verbleef met haar echtgenoot ingenieur Piet Vermeire. 2o Jan Van Cauwelaert, oAntwerpen 12 april 1914, missionaris van Scheut, 5 aug. 1939 priester, 25 maart 1954 bisschop, 1954-1967 bisschop van Inongo, nadien rector van het Internationaal Studiehuis van Scheut te Rome.
(299)G.B.Emiel van Reeth, oBoom 27 nov. 1842 †ald. 3 jan. 1923, industrieel, 5 juli 1896-1900 en 25 mei 1902-9 april 1919 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen. Zijn verklaring d.d. 26 febr. 1914: ‘Vous ne ferez jamais un bon ouvrier quand son apprentissage commence après 14 ans’, kwam juist nadat F.V.C. had gezegd: ‘Il est encore temps de les envoyer à l'usine à 14 ans. La grande raison de l'infériorité de notre industrie, c'est l'insuffisance de l'enseignement primaire et professionnel.’ A.P.C. 1913-1914, p.1181, kol.2.
(300)Edmond Duysters, oLier 26 maart 1871 †Boechout 13 aug. 1953, promoveerde 1894 in de rechten te Leuven, 1913-1921 kath. volksverteg. voor het arr. Antwerpen. Zijn verklaringen en het citaat uit zijn rede van 26 febr. Ibid., p.1180-1186, citaat p.1182, kol.2.
(301)Woestes tussenkomst in A.P.C., 20 maart 1914, p.1517, kol.1.
(302)Het wetsontwerp werd aangenomen op 8 mei 1914 met 83 stemmen voor bij 56 onthoudingen. Ibid., p.2031-2032.
prepostterug  begin  verder