terug  begin  verderprepost
[p. 183]

12
Ongewone stuwkracht van de Vlaamse gedachte aan de vooravond van Wereldoorlog I

Het leven had evenwel inmiddels niet stilgestaan. De strijd voor het zuiver algemeen stemrecht was door de socialisten zonder verpozen voortgezet geworden. Het was duidelijk dat na de verkiezingen van 1914 het verzet tegen een grondwetsherziening, dat in 1912 door de katholieke partij nog werd geboden, zich niet meer met een zelfde eensgezindheid zou vernieuwen. De christelijke sociale beweging, die onder de wijze aanvoering en voorlichting van Pater Rutten(303) ook op syndicaal gebied tot eenheid was gekomen, nam zienderogen in aantal en invloed toe, terwijl ook langs de Belgische Boerenbond(304), die in Professor Emiel Vliebergh een onovertroffen leider had gevonden, de christelijke sociale beginselen, gemeengoed ook van de overtuiging van onze Vlaamsgezinde intellectuelen, steeds dieper doordrongen in het bewustzijn en het politieke streven van de katholieke gemeenschap. Bijzonder opvallend was echter de snelheid en de kracht met welke de Vlaamse gedachte en haar verheffende sociale invloed zich heeft meester gemaakt van het gemoed van het Vlaamse volk en de overtuiging van zijn intellectuelen. Deze zedelijke verovering was bijzonder opvallend bij de katholieke studenten, welke door een machtige geest van idealisme werden aangedreven. De landdagen van de katholieke Vlaamse studenten van het middelbaar onderwijs groeiden uit tot indrukwekkende culturele betogingen. In Hooger Leven verscheen wekelijks een lijst vol verscheidenheid over de werkzaamheden van de vele studiekringen, die onder de studenten van de hogeschool te Leuven waren opgericht. Door de hogeschool zelf was, dank zij de offervaardigheid

[p. 184]

van een zeker aantal Vlaamsgezinde professoren, met een veelbelovend succes begonnen met de ontdubbeling in Vlaamse en Franse cursussen, die na de wereldoorlog op stelselmatige wijze werd voltrokken. De Vlaamse Vacantieleergangen - thans ter ere van hun eerste voorzitter Vliebergh-leergangen geheten - trokken ieder jaar, zonder enige aanmoediging van hogerhand, honderden leerzuchtige leraren uit alle delen van het Vlaamse land, bezield met een levendig verlangen om zich in het onderricht in eigen taal verder te bekwamen, voor een week naar Leuven. De gelijksoortige Franstalige leergangen, die op het initiatief van de geestelijke overheid ingericht en door het Episcopaat financieel geholpen werden, verdwenen reeds na een paar jaar roemloos bij gemis aan belangstelling. De katholieke Vlaamse Oud-Hoogstudentenbonden(305) kregen intussen een bepalende invloed over het katholiek politiek leven in het Vlaamse land, o.m. langs het Katholieke Vlaamsche Secretariaat(306), dat onder hun leiding stond en waarvan de dagelijkse werkzaamheden werden toevertrouwd aan de toen nog jonge, maar zo begaafde doctor in de Germaanse talen, Ernest Claes(307). Het was mede onder hun aansporing dat in mei 1914 in de Wagner(308) te Antwerpen werd overgegaan tot de stichting van de vennootschap, die te Brussel het Vlaams katholiek dagblad zou uitgeven, dat de naam De Standaard

[p. 185]

dragen zou. De politieke leiding zou aan mij worden toevertrouwd en het eerste nummer moest van de pers komen op 22 november 1914. De oorlog heeft deze gebeurtenis met vier jaar vertraagd, maar het program, dat zou worden verdedigd en dat door mij werd opgesteld, verscheen in Hooger Leven van 1 augustus 1914(309). De omwoelingen van de oorlog hebben niet verhinderd dat zijn grondbeginselen ook nog na de oorlog hun geldigheid hadden bewaard.

Deze ongewone stuwkracht van de Vlaamse gedachte en vernieuwingsbehoefte, alhoewel deze bij de katholieken het duidelijkste en het meest ondernemend was, bleef tot het gelovig gedeelte van onze bevolking niet beperkt. De Vlaamse wetenschappelijke congressen, ook deze van de hoogstudenten die te Gent werden gehouden, gaven elk jaar een indrukwekkend bewijs van de vooruitgang van het Vlaams wetenschappelijk leven en van de saamhorigheid welke, tot ergernis van sommige bekrompen partijmensen van rechts en links, de leuze van de Vlamingen in de strijd voor hun rechtsherstel was geworden. Deze saamhorigheid was ook kenmerkend voor de volksactie, die over geheel het Vlaamse land door het secretariaat van de Vlaamsche Hoogeschoolcommissie onder de waardige leiding van Hippoliet Meert werd gevoerd en die er in slaagde op enkele maanden meer dan honderdduizend handtekeningen ten gunste van de vervlaamsing van de Gentse hogeschool te verzamelen. Drieduizend hogeschoolgediplomeerden, honderden gemeenteraden en al de provinciale besturen van het Vlaamse land gaven dezelfde wens te kennen. De volksvergaderingen, die elke zondag bij tientallen en zelfs op weekdagen werden gehouden, kenden een steeds toenemende bijval. Zelfs de gewelven van het justitiepaleis te Brussel hebben gedaverd van het applaus van een opeengedrongen menigte, wanneer er de vervlaamsing van de Gentse hogeschool door onze meest vooraanstaande sprekers werd verdedigd. Deze algemene opwelling van geestdrift en strijdlust voor de vervlaamsing van ons volksleven maakte van elke openbare betoging of feestelijke herdenking, zoals

[p. 186]

de viering van de Guldensporenslag, een waar machtsvertoon.

Ik hoop in een andere publicatie, meer bijzonder aan de Vlaamse Beweging in het begin van deze eeuw gewijd, meer bijzonderheden dienaangaande en omtrent de morele betekenis van al deze verschijnselen te kunnen geven. Een enkel feit moge om zijn zeldzame verschijning reeds in verband met deze politieke herinneringen worden vermeld: de viering van Pastoor Hugo Verriest(310) die op zondag 17 augustus 1913 te Ingooigem plaats vond. Hugo Verriest had op de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging, niet alleen als de meester van Albrecht Rodenbach, maar als een Vlaams strijder, waarvan m.i. de betekenis voor onze Beweging nog niet voldoende gekend is, als de ideale zaaier zoals zijn vriend Hendrik Persijn hem heeft gekenschetst(311), een diepgaande invloed uitgeoefend. Hij bleef in alles een onberispelijk priester. Zijn geliefde leuze was ‘alleman mee’ en zijn grondregel ‘ons volk moet herleven’. Zijn viering, door een welige zon begunstigd, werd een van de heerlijkste dagen van onze reeds oude Vlaamse strijd. Stijn Streuvels, die reeds zijn roem als schrijver had gevestigd, verbrak zijn gewone afzijdigheid om gedurende drie volle maanden zijn kostbare tijd te besteden aan het schrijven van brieven, inzamelen van geld en het verenigen van beschermers voor een waardige viering van de geliefde ‘paster van te lande’. Fernand Toussaint(312) en Alfons Sevens(313) vervulden de

[p. 187]

taak van secretaris, en Gust Vermeylen zou de voornaamste feestredenaar zijn. Wanneer de dag der verheerlijking aanbrak en de eindeloze stoet van deelnemers, overwuifd met honderden vlaggen en overkoepeld door de zware bomen die de baan afzoomden, uit Vichte naar de woning van de gevierde afdaalden, dan werd de visie die Streuvels in Hooger Leven van de komende gebeurtenis had gegeven, letterlijk bewaarheid: het was de optocht van een volk dat opstapte naar de verovering van het beloofde land, waar het ‘de aartsvader’ wilde begroeten. Wijzend op de betekenis van deze viering besloot hij: ‘Er zijn geluiden die niet vergaan en gebaren die eeuwig duren’, en zo had het kunnen en moeten worden(314).

Ik weersta slechts met moeite aan verdere uitweidingen over de kracht die de opkomst van de Vlaamse Beweging in de jaren die onmiddellijk de oorlog van 1914-1918 voorafgingen, kenmerkte. Ook buiten de kring van de eigenlijke Vlamingen vonden onze beginselen welsprekende en gezaghebbende verdedigers. Edmond Picard kwam voor onze zaak op in Le Petit Bleu(315), en Prof. Kurth(316) hield op 10 september 1913 te Gent op de 20ste landdag van de Christene Onderwijzers een rede, waarin een dringend beroep werd gedaan op alle Belgen, om aan de Vlamingen recht te doen wedervaren en aldus de eenheid van het land te vrijwaren(317).

[p. 188]

Ons politiek leven ontsnapte natuurlijk niet aan de weerslag van een zo veelzijdige en toenemende bedrijvigheid op Vlaams gebied. De tijd scheen niet verre af dat we op wetgevend gebied de hervormingen zouden kunnen voltrekken, die aan ons Vlaams volk de middelen en de veiligheid van zijn eigen beschavingsleven zouden verzekeren. Het voorstel tot vervlaamsing van de hogeschool te Gent, dat na de ontbinding van de Kamers in 1912, op 12 november van hetzelfde jaar door zijn oorspronkelijke ondertekenaars opnieuw was ingediend geworden, werd in maart 1914 door de afdelingen van de Kamer goedgekeurd met drieënzestig stemmen tegen en twaalf onthoudingen; onder de voor-stemmers bevonden zich vier leden van de regering(318). Het hoofd van de regering, Baron de Broqueville, hield in de zomer van 1914 te Turnhout een rede die, alhoewel enigszins dubbelzinnig in haar besluit - naar de stijl eigen aan de spreker - de indruk gaf dat de regering het standpunt van de Vlamingen reeds dicht was genaderd, zodat de minister van Kunsten en Wetenschappen, Burggraaf Poullet, die beter dan wie ook met de gesteldheid van de regering tegenover de hogeschoolkwestie bekend was, later heeft kunnen verklaren dat zonder de oorlog een voor de Vlamingen bevredigende oplossing binnen weinige maanden ware bereikt geworden.

Ik meen te mogen zeggen dat ik ook aan de strijd van de Vlamingen buiten het parlement, in de jaren die de oorlog voorafgingen, een treffelijk aandeel heb genomen. Er zijn weinig grote vergaderingen, landdagen of congressen gehouden geworden op welke ik niet het woord heb gevoerd. Mijn deelneming aan de propaganda voor de vervlaamsing van de hogeschool te Gent moge als voldoende bekend worden beschouwd. Maar ik mag ook de verdiensten van enige initiatieven als de stichting van de Ouderbond(319), die op de vervlaamsing van het vrij katholiek mid-

[p. 189]

delbaar onderwijs een merkelijke invloed heeft uitgeoefend, of van een actieve medewerking aan het ontstaan en de ontwikkeling van de Vlaamse Vacantieleergangen te Leuven(320) en van Vlaamse cursussen aan de katholieke universiteit(321) voor mij opeisen. Mijn bezorgdheid voor de sociale verheffing van ons volk moge o.m. blijken uit de voordrachten die ik op de sociale weken van de christene arbeidersorganisatie heb gehouden.

(303)Georges Albert Rutten, oDendermonde 10 aug. 1875 †Brussel 26 mei 1952, dominicaan, doctor in de theologie en in de sociale en politieke wetenschappen, stichtte in 1904 te Gent het Algemeen Secretariaat der Christelijke Vakvereenigingen waarvan hij de eerste secretaris-generaal was, 27 dec. 1921-1946 gecoöpteerd senator.
(304)Christelijke landbouworganisatie gesticht te Leuven op 20 juli 1890.
(305)Deze oud-studentenbonden groepeerden de oud-leden van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (K.V.H.V.) uit Gent en Leuven; ze werden naderhand, het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (K.V.O.H.V.). Na Wereldoorlog 11 werd dit in 1951 hersticht en verruimd tot het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond (A.V.O.H.V.), dat sedert 1959 het Verbond van Vlaamse Academici (V.V.A.) is geworden.
(306)Dit K.V.S. werd begin 1908 door de oudstudentenbonden opgericht; de burelen ervan waren te Antwerpen gevestigd en het gaf als blad Tijdingen uit. Dit bestendig secretariaat heeft o.m. de wedergeboorte van de Landsbond, nu als ‘Katholieke Vlaamsche Landsbond’, op zijn actief en had een aandeel in de oprichting van de N.V. De Standaard (zie tekst).
(307)Ernest Claes, oZichem 24 okt. 1885 †Brussel 2 sept. 1968, promoveerde 1910 te Leuven in de letteren en wijsbegeerte (Germaanse filologie), 1913-1944 ambtenaar bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
(308)De Wagner, een koffiehuis waar vaak politieke vergaderingen plaats vonden, was gelegen op de hoek Frankrijklei-F.D.Rooseveltplaats (toen Gemeenteplaats).
(309)Na maanden plannen, discussie en propaganda verschenen de statuten van de N.V. De Standaard in het Staatsblad van 24 mei 1914. Hooger Leven van 1 aug.1914 (ix, nr. 31) verscheen als ‘Standaard’-nummer; op p.1-2 las men het Programartikel van de ‘De Standaard’.
(310)Hugo Verriest, oDeerlijk 25 nov. 1840 †Ingooigem 28 okt. 1922, letterkundige, 1867-1877 priester-leraar in het college van Roeselare, 1877-1888 directeur van een zustercongregatie te Heule, 1888-1895 pastoor te Wakken, nadien te Ingooigem tot 1913, waar hij, op rust gegaan, verder bleef wonen en op 17 aug. 1913 werd gevierd.
(311)Hendrik Persijn, oWingene 15 april 1857 †ald. 22 april 1933, leerling van Hugo Verriest (een der zeven van De Swighenden Eede), notaris te Wingene. Schreef in Hooger Leven van 16 aug. 1913 (viii, nr.33) een art. Hugo Verriest, waarin het thema van Verriest als ‘krachtige zaaier’ werd ontwikkeld en diens leven ‘een zaaitijd’ werd genoemd.
(312)Fernand Victor Toussaint (van Boelare), Vlaams letterkundige, oAnderlecht 19 febr. 1875 †Brussel 30 april 1947.
(313)Alfons Sevens, oLapscheure 10 maart 1877 †Gent 3 dec. 1961, als Vlaamsgezinde vóór Wereldoorlog i o.m. leider van de Gentse afdeling van het Nationaal Vlaamsch Verbond en uitgever van het blad De Witte Kaproen (1910-1914, en na de oorlog tot 1921), juli 1915 door de Duitse bezetter gevangen gezet en tot nov. 1918 naar Duitsland gedeporteerd.
(314)Vlaanderen leeft! Hugo-Verriest-Hulde. 17 Augustus 1913, in Hooger Leven, 9 aug. 1913 (viii, nr. 32), p.1.
(315)Liberaal blad dat te Brussel verscheen van 1894 tot 1919 en onder de leiding stond van Gérard Harry. Hooger Leven van 5 okt. 1913 citeert uit Picards art. La question des langues en Belgique (in Le Petit Bleu): ‘Rien de plus naturel que la lutte déjà mi-séculaire des Flamands pour conquérir la place fraternelle et normale que des hurluberlus politiques eurent le projet grotesque de leur enlever après 1830... Ah, quelle aberration diabolique, alors qu'on a la chance d'avoir deux langues qui symbolisent les plus nobles civilisations du monde, la latine et la germaine, et d'avoir ainsi deux puissants oculaires ouverts sur les mentalités humaines - que de voir dans cette rare fortune, un malheur, et d'en faire l'occasion de discordes envenimées.’ (Noot deels van F.V.C.).
(316)Godefroid Kurth, oAarlen 11 mei 1847 †Asse 4 jan. 1916, Belgisch historicus, actief in de christen-democratie, sedert 1871 hoogleraar aan de rijksuniversiteit te Luik.
(317)De tekst van deze rede verscheen in Het Handelsblad op 15 sept. 1913. (Noot F.V.C.).
(318)Het wetsvoorstel Franck-Van Cauwelaert van maart 1911 was op 12 nov. 1912 opnieuw bij de Kamer ingediend maar kwam pas op 6 maart 1914 in de afdelingen, waar het in vier van de zes werd goedgekeurd. Het kwam echter niet meer op de dagorde van de Kamer. De vier door F.V.C. vermelde voorstemmers waren: Helleputte, Segers, van de Vyvere en Carton de Wiart.
(319)De Oudersbond tot Uitbreiding en Verbetering van het Vlaamsch Katholiek Onderwijs werd, vooral onder de stuwing van F.V.C. die er voorzitter van werd, op 17 dec. 1910 te Antwerpen gesticht door het Katholiek Vlaamsch Secretariaat. Met financiële hulp van Lieven Gevaert werden te Antwerpen in 1912 de Sint-Lutgardisschool en in 1929 het Sint-Lievenscollege gesticht. De Oudersbond had een belangrijk aandeel in de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs. Naast F.V.C. speelden o.m. Dokter Laporta, A.J.Hendrix en Lieven Gevaert er een grote rol in.
(320)Voor deze Vacantieleergangen zie hoger p. 183-184.
(321)Men diende tot na Wereldoorlog i en vooral tot de vernederlandsing der Gentse universiteit te wachten, vooraleer te Leuven op grote schaal Vlaamse leergangen, m.a.w. colleges in de Nederlandse taal, werden georganiseerd. (Zie daarover w.peremans, Nederlandsch Hooger Onderwijs te Leuven, Leuven, 1943).
prepostterug  begin  verder