terug  begin  verderprepost

13
Levensvernieuwing op katholiek en sociaal vlak spijt de overheersing van de conservatieve machten. Optreden in Nederland en strijd tegen de integralistische ketterjagers. Einde van mijn studies en inschrijving aan de Antwerpse balie (1910-1914)

Mijn optreden als spreker bleef niet tot België beperkt. Reeds in mijn studentenjaren te Leuven onderhield ik vele betrekkingen met katholieke vrienden uit de toen zo levenskrachtige katholieke studentenwereld aan de Nederlandse universiteiten. Twee bijzonder hoogstaande vrienden, Prof. A. Noyons(322) en G. Brom(323),

[p. 190]

zijn me steeds bijzonder duurbaar gebleven. Wellicht heeft deze omstandigheid er toe bijgedragen dat ik later zovele uitnodigingen uit Nederland te beantwoorden kreeg. Er zijn weinig steden van enig belang waar ik niet voor Geloof en Wetenschap(324) of andere katholieke verenigingen het woord voerde over de Vlaamse of maatschappelijke aangelegenheden.

Eenmaal heb ik er zelfs grote opschudding veroorzaakt. Het was in de onzalige tijd van de ketterjagerij van het integralisme(325). Er zijn, in België althans, weinige katholieken die van het integralisme ooit hebben gehoord. Het was in feite een tot geestelijke bezetenheid geworden reactie op het modernisme, dat in zijn ware vorm terecht door Paus Pius x in zijn decreet Lamentabili (3 juli 1907) en zijn encycliek Pascendi (8 september 1907) als strijdig met de katholieke geloofsbeginselen werd veroordeeld(326). Het modernisme, dat verwant was aan de individualistische ervaringstheorieën, die door het liberaliserend protestantisme werden gehuldigd, trok de vastheid van de katholieke dogma's en de onfeilbaarheid van de Kerk in twijfel, om zowel op moreel als op doctrinaal en hiërarchisch gebied naar een evolutionistische opvat-

[p. 191]

ting over te hellen. De Franse theoloog Loisy(327), hoogleraar aan het ‘Institut catholique’ van Parijs en later aan het ‘Collège de France’, is waarschijnlijk de in ons land meest gekende vertegenwoordiger van het modernisme. Ons eigen land bleef feitelijk voor deze kwaal gespaard, dank zij de heilzame en wetenschappelijk onaanvechtbare invloed die door de universiteit van Leuven op ons theologisch onderwijs en meer bijzonder op het gebied van de exegese werd uitgeoefend. Wij hebben gelukkiglijk ook de verderfelijke uitwassen niet gekend tot welke de bestrijding van het modernisme, onder de dekmantel van iever voor het gezag van de kerkelijke overheid, als integraal-katholicisme heeft geleid.

De stichter en gedurende enkele jaren de grote beschermer van het integralisme was een Romeins priester, Mgr. Benigni(328), die aan het persbureau van het Vaticaan werkzaam was en die zich in het vertrouwen had weten te vestigen van de vrij conservatieve staatssecretaris van Paus Pius x, de Spaanse Kardinaal Merry del Val(329) en van Kardinaal Billot(330), wiens omgang met de ‘Action française’ voldoende bekend is. Benigni bracht een uitgebreid spionagenet tot stand dat, over geheel westelijk Europa speurend, de bron is geworden van vele lage en laaghartige aantijgingen tegen onaanvechtbare katholieke leken en priesters, die

[p. 192]

met een open oog voor de maatschappelijke en geestelijke noden van de tijd, zich aan de vernieuwende kracht van de kerkelijke leer en invloed wijdden. L. Duchesne(331), P. Batiffol(332), Pater M.J. Lagrange(333), stichter van de Bijbelse School te Jeruzalem, die in Frankrijk aan de spits stonden van de kerkelijke historische en exegetische wetenschappen, werden roekeloos als modernisten aangeklaagd. Ook grote Belgische schriftuurgeleerden, die aan de hogeschool te Leuven onderwezen, Prof. R. van Hoonacker(334), Ladeuze, later rector, H. Coppieters(335), later bisschop van Gent, zelfs Kardinaal Mercier, ontsnapten niet aan de onzalige iever van de ketterjagers. Een bijzondere haat scheen hen te bezielen tegen al wie zich aan een vooruitstrevende sociale beweging bezondigde. Dit was zeer bijzonder in Duitsland en Oostenrijk het geval. Men behoefde geen modernist te zijn. Er werd ten behoeve van de verdachten, wier actie zich buiten het gebied van de theologische wetenschappen bewoog, de kategorie van de ‘moderniserenden’ geschapen en wie daaronder kon worden gerangschikt - en wie niet? - was voor de meest sluwe verdachtmakingen en zelfs openlijke laster niet langer veilig.

De toestand werd in Duitsland voor de katholieke sociale leiders zelfs zeer gespannen, alhoewel het integralisme bij het Duitse

[p. t.o. 192]



illustratie
7 / Frans Van Cauwelaert (rechts) tijdens Wereldoorlog I in Engeland op bezoek bij Dokter A. Laporta (midden) en Dokter A. Van de Perre

[p. 193]

Episcopaat, met uitzondering wellicht van Mgr. Korum(336) van Trier, geen schijn van aanmoediging had gevonden. De Petrus-Blätter van Trier waren een van de bijzonderste organen van de integralistische drijverijen; een van de vaste mikpunten waren de leiders van de christelijke arbeidersbeweging, waarvan de zetel in München-Gladbach was gevestigd. Ik woonde in 1911 te Aken, ter gelegenheid van de Duitse Katholiekendagen, een vertrouwelijke vergadering bij, op welke ook Dr. Poels(337), Pater Rutten en Pater Vermeersch s.j.(338) aanwezig waren. Eerw. Heer Brauns(339) deelde er mede dat indien de Paus, die zijn zegen had gestuurd aan de katholieke ‘Gewerkschaften’(340) die slechts een onbeduidend en door integralisten gedreven groepje vertegenwoordigden, zich afkeurend moest uitlaten over de christene gemengde syndicaten, hij beducht was dat de bij deze aangesloten Roomse arbeiders zich niet zouden onderwerpen.

De onoprechtheid van de onzalige iever die door de integralisten werd aan de dag gelegd, moge blijken uit de kerkelijke afvalligheid tot welke meer dan een van zijn leiders later is gekomen. Dit was o.a. het geval in Duitsland met twee seculiere priesters Kauf-

[p. 194]

mann en Schopen(341). Men kent de moeilijkheden welke de Franse bisschoppen gehad hebben met de priesters en katholieke leken van de ‘Action française’, bij welke de meeste Franse integralisten zich hadden geschaard. Ook met Benigni, die onder de oorlog als verdacht van spionage voor Duitsland door het Italiaans gerecht werd aangehouden, had het Vaticaan tal van moeilijkheden. ‘Zoals in Frankrijk met de Action française’ bleek straks in Duitsland de personele unie van een integralistisch verleden met nationaal-socialistische sympathie heel gewoon: van de ‘Berliner Richtung gingen straks velen gretig overstag voor Hitler. In België deed zich deze affiniteit met het activisme voor en te onzent doken tussen 1940 en 1945 waarachtig nog enige oudintegralisten in de N.S.B. of bij Zwart Front op.’(342)

In België waren de integralisten feitelijk onbekend. Een van hun zeldzame vertegenwoordigers was de onbenullige Gentse advocaat Jonckx(343), die slechts enige bekendheid heeft verkregen door het ellendige feit dat hij, onder de oorlog van 1914-18, het ambt van minister van Buitenlandse Zaken heeft bezet in het potsierlijke ministerie-Borms(344) en zijne doodstraf als balling in

[p. 195]

Holland ging uitzitten. Hij was een vriend van de Hollandse priester Thompson(345), waarover ik dadelijk iets meer zal vertellen. In zijn correspondenties aan Thompson word ik niet alleen aangeklaagd als een flamingant, maar deze voor hem toen nog hinderlijke benaming werd in het tijdschrift Rome verbeterd en aangevuld met vrome scheldwoorden als ‘plagiator, rasproleet (...) een verdoolde voor wie men vreest met grote vreze’(346).

De toestand was echter bijzonder en wellicht het meest ergerlijk in Nederland, waar het integralisme een dweepzieke voorman en woordvoerder had gevonden in priester M.A.Thompson, die als hoofdredacteur in de Maasbode, toen door velen als het voornaamste Roomse dagblad van Holland geprezen, en later in zijn tijdschrift Rome over een openbare tribune voor zijn inquisitoriale bedrijvigheid en aantijgingen beschikte. Het katholiek leven bevond zich in de beginjaren van deze eeuw in een periode van opzienbarende en veelzijdige opbloei. De scherpzinnige geest van Jozef Alberdingk Thijm(347) en de kloeke daadvaardigheid van Mgr. Schaepman(348) hadden in de leidende kringen van Nederland - het weze op wetenschappelijk, maatschappelijk of literair gebied - en zeer bijzonder in de nog jonge verenigingen van

[p. 196]

R.K. hogeschoolstudenten een behoefte in het leven geroepen, om het katholieke gedeelte van de bevolking een rechtmatig aandeel en betekenis te verschaffen in 's lands leiding, die tot dan toe zeer overwegend zo niet uitsluitend aan protestanten of vrijzinnigen werd voorbehouden. Een katholiek als eerste minister was in de Nederlandse geschiedenis van de negentiende eeuw onbekend gebleven. Op al de universiteiten van Nederland tezamen, de vrije leerstoel van Prof. Magister de Groot(349) in de thomistische wijsbegeerte te Amsterdam medegerekend, waren er bij het begin van deze eeuw zeker niet meer dan een half dozijn katholieke professoren. De machtige ontplooiing welke de katholieke invloed sedertdien zowel op het politiek en sociaal als op het wetenschappelijk gebied heeft bereikt, is slechts de rijp geworden vrucht van het groeizame zaad dat reeds vóór de eerste wereldoorlog aan de geestelijke vermogens van de R.K. gemeenschap werd toevertrouwd.

In deze zo weelderig opkomende oogst vond Thompson natuurlijk een uitgelezen jachtterrein. Geen enkel vooruitstrevende en zelfstandig denkende persoonlijkheid ontsnapte aan zijn ongezonde iever. ‘Ook de moderniserenden’, zo schreef hij in Rome, ‘hebben een lucht van besmetting in zich. Zij verbreden het terrein van de vrijheid’(350). Geen enkel van de ondernemende katholieken kon aan een zo breeds getrokken scheidingslijn ontsnappen. Voor de katholieke polemiek waren, naar het voorschrift van Thompson zelf, gematigdheid en hoffelijkheid een groot gevaar: ‘Eerlijkheid mag een goed katholiek in het debat zelfs niet bij tegenstanders veronderstellen’. Op twee bladen na, de Eindhovensche Courant en de Nieuwe Haarlemsche Courant, waren volgens hem alle katholieke bladen van Nederland door het modernisme vergiftigd(351). De grote rechtsgeleerde Prof. Struycken(352) was voor Thompson

[p. 197]

slechts een ‘auteur van minder allooi’. Maria Viola(353), voor haar kunstkritieken bekend, werd voor ‘een dwaas meubel’ gescholden; haar echtgenoot de Vondelspecialist C.R.de Klerk(354), de socioloog Aalberse(355), Ch. Ruys de Beerenbrouck(356), Gisbert en Gerard Brom(357), Albertine Smulders(358), stichters van de ‘R.K. Vrouwenbond’ en tal van geziene leken en priesters ontsnapten niet aan de grievende en zelfs lasterlijke aanvallen van Thompson in zijn tijdschrift Rome. Een bijzondere haat schijnt hij te hebben toegedragen aan Dr. A. Ariëns(359),

[p. 198]

voor wie thans te Rome een aanvraag tot heiligverklaring hangende is, omwille van zijn sociale bemoeiingen en zijn propaganda voor de drankbestrijding; en aan Dr. H. Poels, die reeds als bijbelgeleerde door kleingeestige naijver de Katholieke Universiteit van Washington had moeten verlaten, maar die door zijn leiding en ondernemingszin op maatschappelijk gebied een ongeëvenaarde weldoener voor het katholieke Nederlands-Limburg en een zegen voor heel het katholieke Nederland en zelfs voor onze eigen christelijke arbeidersbeweging is geworden. De bescherming die Thompson lange tijd op het bisdom te Haarlem, waarvan hij afhing, genoot, heeft hem enige tijd voor scherpe tegenaanvallen kunnen vrijwaren en tevens de mogelijkheid verschaft om zijn onzalige iever aan angstvallige zielen mede te delen. Maar het kon niet duren, en de tegenweer had in het begin van het tweede decennium reeds vrij scherpe vormen aangenomen.

Het was in die omstandigheden dat ik door mijn vriend Mgr. Poels werd aangezocht, om voor de Nederlandse katholieken eens kordaat mijn mening over het werk van de integralisten uiteen te zetten. Ik heb zijn verzoek bereidwillig aangenomen, op voorwaarde dat hij op zijn beurt in Antwerpen een voordracht zou komen houden over het nieuwe Limburg, een belofte welke hij voor de Nederduitsche Bond heeft ingelost(360). Ik ontving weldra een uitnodiging vanwege De Violier(361), de meest uitgelezen vereniging van katholieke intellectuelen van Amsterdam die, niettegenstaande het integralisme, onder het voorzitterschap van C.R.de Klerk een centrum van vooruitstrevende katholieken was gebleven. ‘Dit was’, zo getuigen de auteurs van In Vrijheid herboren, ‘in het bisdom Haarlem een stap die getuigde van moed.’ Mijn lezing werd vastgesteld op 21 januari 1913 en werd aangekondigd als een ‘Lekenbeschouwing over ons katholiek leven’. Ik heb van mijn rede geen tekst - vermoedelijk was zij in

[p. 199]

hoofdzaak een improvisatie - en zelfs geen nota's kunnen terugvinden. Alleen herinner ik mij dat mijn lezing naar Hollandse gewoonte in twee delen werd gesplitst en door de gebruikelijke pauze werd onderbroken. In het eerste gedeelte betoogde ik de noodzakelijkheid voor de Kerk van een vast en onweersproken leergezag en een hiërarchisch geregelde tucht. In het tweede gedeelte bepleitte ik de onmisbare rechten van de vrijheid en gaf ik onomwonden mijn afkeer lucht voor de onduldbare praktijken welke de integralisten in onze kerkelijke samenleving trachtten in te burgeren. Met begrijpelijke voldoening heb ik in het zo rijk gedocumenteerde en reeds aangehaalde boek van de professoren L.J. Rogier en N. De Rooy, een onverbloemde schets van mijn optreden gevonden en men zal het niet onredelijk vinden dat ik deze bladzijde ongewijzigd overschrijf. ‘De 21ste januari 1913 had het optreden van de als bestrijder van het clericalisme bekende Vlaming onder overweldigende belangstelling plaats in het American Hotel te Amsterdam. Het publiek werd niet teleurgesteld. De spreker - in onbeheerstheid van taal geenszins de mindere van Thompson - gispte de intellectuele achterstand van de katholieken, ook onder de priesters, het achterlijk negeren van het in de jonge vrouwen alom ontluikende verlangen naar hoger ontwikkeling, het wraakroepend tekort aan sociaal besef, om tot slot te komen tot een gedétailleerde klacht over de heersende terreur van de domheidsmacht. Wij katholieken, zo stelde de redenaar vast, lijden aan gezagsobsessie’ en ‘de onwetendheid’ weet zich helaas steeds te hullen in ‘de gezagsmantel’. Zij, die het wagen te ijveren voor het verhogen van het katholieke cultuurpeil, worden stelselmatig als ‘kwajongens’ behandeld. Alle kunst en alle wetenschap worden ‘een compromis met de moderniteit’ genoemd. Helaas kunnen in de huidige katholieke wereld allerlei ‘ellendelingen en levendoders’ ongestraft hun lasterlijk bedrijf van verkettering voortzetten. ‘Zij zijn niet talrijk, maar in alle landen vol onzalige ijver’. Zij willen het leven maken ‘tot een grote kinderkamer, waarin wij allen met valhoedjes moeten lopen’. Zij zijn de ‘klaplopers van het gezag’, de ‘ongeroepen inquisiteurs, die met wellust naar buit snuffelen en de geloofsgenoten van de zuiverste bedoeling van het kwijl hunner verdachtmakingen niet verschonen’. De spreker eindigde zijn met een ovatie van instemming beloonde rede met

[p. 200]

het uitspreken van de hoop, ‘dat eindelijk het werk dezer ellendelingen uit zal zijn, wier glorie in hun verwaten liefdeloosheid stijgt, naarmate zij meer afvalligen of verdachten hebben kunnen aanwijzen’(362).

De heftigheid van woorden met welke ik me had uitgedrukt kan bij een kalme lezing enigszins gedurfd schijnen. Onbedacht was ze niet en naar mijn innig gevoelen ook niet onverdiend. Zij was bovendien vrij van de perfide bijbedoelingen met welke de scheldpartijen van Thompson steeds vergezeld gingen. De uitbundige bijval met welke het talrijk en voornaam gehoor het einde van mijn toespraak begroette, was een bewijs dat ik deze katholieke elite naar het hart had gesproken. Dr. Poels was tevreden. Juffrouw M.E.Belpaire(363), de geliefde vrouw van Vlaanderen, betuigde mij hare vreugde over mijn optreden en vroeg om mijn tekst voor Dietsche Warande en Belfort - een verzoek dat ik niet kon beantwoorden, omdat ik geen geschreven tekst bezat. Van Dr. Ariëns ontving ik uit Maarssen, waar hij pastoor was, een zeer vriendelijk schrijven waarvan ik de inhoud laat volgen, niet alleen om de betekenis van de auteur maar tevens omdat het een indruk geeft van de vreesaanjaging welke het integralisme onder de R.K. priesters had tot stand gebracht. ‘Moet ik u zeggen’, zo ving het aan, ‘dat ik bij de lezing van het verslag uwer rede in Centrum en Tijd en Maasbode (beide laatste zeer uitvoerig) genoten heb? En tevens spijt gevoeld over mijn heengaan? Ik vind dat u meesterlijk de klippen ontzeild heeft. Het hoogere kerkelijk gezag werd door u uitgeschakeld; alleen de dragers van geen-gezag kregen er langs! Ook zou ik veilig geweest zijn achter de mantel van Prof. de Groot(364). Maar deze was er nog niet toen ik binnenkwam; en toen twee der Amsterdamsche vrienden mijne aanwezigheid niet gevaarloos dorsten te noemen, was ik gedwon-

[p. 201]

gen mij stil te verwijderen. U kan niet denken, hoezeer ik ‘gezocht’ word van zekere zijde. (...) Hoe 't zij, ik complimenteer u van harte met uwen nieuwen triomf en hoop dat u mijn heengaan zal willen verontschuldigen. Het was een harde dobber voor mij, maar ik kon niet anders. Ik heb dit ook al aan Dr. Persijn(365) geschreven met verzoek u in te lichten (...).’(366)Het origineel van deze brief berust in het F.V.C.-Archief.

Op een ruwe tegenaanval van Thompson en zijn handlangers was ik voorbereid. In een van de eerstvolgende nummers van De Maasbode, waar de integralisten ook na het aftreden van Thompson als hoofdredacteur nog een tijd zich tehuis hebben kunnen voelen, schreef een zekere heer Vismans(367), makelaar in granen, in een ingezonden stuk, dat Van Cauwelaert als een nieuwe Luther zijn opstandige stellingen was komen aanplakken aan de kerkportalen van Amsterdam. In zijn tijdschrift Rome heeft Thompson de scherpte van zijn speurzin nog geruime tijd over ieder woord dat ik in Holland zou spreken, laten inwerken. Dit heeft me evenwel geen de minste hinder veroorzaakt. In het mildere zuiden, waar de meeste van mijn voordrachten werden gehouden, heb ik me steeds in een vriendelijk onthaal vanwege de hoge kerkelijke overheden kunnen verheugen. De ruchtbaarheid die mede door de integralisten aan mijn rede te Amsterdam was verzekerd, was alvast niet van aard om de belangstelling van de pers en van het publiek voor mijn verder optreden in Holland te verminderen. Het schrikbewind van Thompson was bovendien zijn einde nabij. Het Nederlands episcopaat, geleid door Mgr. van de Wetering(368), aartsbisschop van Utrecht, brak eindelijk zijn stilzwijgen. Kardi-

[p. 202]

naal van Rossum(369), de roemrijke zoon van de R.K.Kerk van Nederland, gaf ondubbelzinnige blijken van zijn waardering en zijn beschermend gezag voor verschillende van de meest geziene slachtoffers van Thompsons vervolgingswaanzin. Paus Benedictus xv heeft spoedig na zijn verkiezing voor heel de christenheid het roemloze graf van het integralisme toegedekt(370). Thompson zelf eindigde zijn laatste dagen onder de zorgen van een psychiater.

Ook over wat ik te Amsterdam gezegd heb over de toenmalige intellectuele achterstand van de katholieke gemeenschap en haar noodlottig tekort aan sociale bekommernissen, behoef ik geen naberouw te gevoelen. De katholieken hadden zich toen nog niet geheel vrijgemaakt van de geestelijke schuchterheid en de liberaaleconomische vooroordelen, die zij van de negentiende eeuw - ‘ce siècle stupide’ zoals Barrès(371) zich uitdrukt - hadden overgeërfd. Paus Leo xiii(372) had weliswaar reeds zijn lichtseinen gegeven voor een doeltreffende opwekking van nieuw leven zowel op wetenschappelijk als op maatschappelijk gebied. Maar zijn voorzienige aanmaningen waren nog niet tot het gemoed van alle kerkelijke en wereldlijke katholieke leiders doorgedrongen. De tekenen der grote levensvernieuwing die sedertdien is ingetreden, waren evenwel reeds duidelijk te erkennen en werden vruchteloos door het integralisme aangetast. De noodlottige gevolgen, welke door de laattijdigheid van deze ontwaking, voornamelijk op maat-

[p. 203]

schappelijk en godsdienstig gebied werden teweeggebracht konden weliswaar niet geheel worden ongedaan gemaakt. Wij kunnen er ons thans over verheugen dat de katholieke Kerk in de laatste decennia in de vrijgebleven landen een invloed en een aanzien heeft herwonnen, welke zij sedert lang niet meer gekend had. De onverenigbaarheid tussen geloof en wetenschap werd naar de oude rommelkamer verwezen. De christelijke democratie is een beslissende factor geworden in de sociale en economische ontwikkeling van het Westen, en de beginselen van de christelijke beschaving worden ook door niet-gelovigen als de enige vaste grondslag voor onze volksvrijheden geprezen.

Ook in België hebben we, alhoewel we gespaard bleven voor de bekrompenheid en de roekeloosheden van het integralisme, in ons vooroorlogs leven op maatschappelijk en politiek gebied de droeve gevolgen van de negentiende-eeuwse vooringenomenheden aan de lijve ondervonden. Ik zal de onbillijkheid niet begaan het katholiek bewind, dat na de overwinning van 1884 gedurende dertig jaren ononderbroken heeft voortgeduurd, kleinerend te bejegenen. Het heeft de welvaart van het land verzekerd, zijn financieel beleid met omzichtigheid gevoerd, de vrede op schoolgebied en de volksontwikkeling bevorderd, en het heeft op maatschappelijk gebied de grondslag gelegd van hervormingen, welke zelfs door Destrée in zijn Code du Travail(373) met zekere waardering werden begroet. Onder de leiding van Beernaert werd dit alles zelfs met meer dan gewone ruimte van visie beschouwd. Maar over het geheel genomen miste de katholieke partij de bezieling die voor een diepingrijpende volksleiding onontbeerlijk is. Zij vertoonde geen doctrinale eenheid en haar initiatieven op sociaal gebied waren schroomvallig. De kans om aan het schoolvraagstuk een vaste oplossing te geven, zoals de christelijke partijen in Holland verwezenlijkten, liet ze ongebruikt voorbijgaan wanneer zij in de Kamer zelfs over twee derden van de stemmen beschikte. Voor de opstuwende beweging van het Vlaamse volk naar eigen cultureel leven was zij meer bang dan meegaande. Over het algemeen is dertig jaar lang de onbarmhartige en volksvreemde geest van

[p. 204]

de conservatieve machten in onze politiek overheersend gebleven. Het is vooral aan deze engheid van gemoed dat het socialisme zijn machtige opkomst heeft te danken gehad. In de jaren die de oorlog onmiddellijk voorafgingen, was het echter duidelijk geworden, dat de sociale en Vlaamse doorbraak in onze partijpolitiek nabij was. Reeds op het katholiek congres dat te Mechelen in 1909 werd gehouden, waren de kenmerkende voortekenen van deze nakende koersverandering opvallend te voorschijn getreden(374). Maar de tijd ontbrak om aan deze verjongingsarbeid zijn volle ontwikkeling te geven. De oorlog brak af met het verleden en vele politieke en sociale hervormingen, welke de katholieke partij rustig en naar eigen overleg had kunnen voltrekken, werden nadien, en niet zonder schade voor haar gezag, bij wijze van overrompeling tot stand gebracht.

 

De jaren aan welke deze herinneringen zijn ontleend hebben aan mijn uithoudingsvermogen ongewone eisen gesteld. Niet alleen voor mijn parlementaire werkzaamheden en mijn plaatselijke politieke verplichtingen, aan welke ik bij mijn beste weten niet ben te kort gekomen, noch voor de vele spreekbeurten die ik in die tijd heb vervuld of de journalistieke arbeid die ik nevenbij verrichtte, om de lasten van een snel aangroeiend gezin dragelijker te maken. Doch ik had tevens te denken aan de regelmatige voortzetting van de rechtsstudiën voor welke ik mij als student aan de hogeschool te Leuven in oktober 1909 had laten inschrijven. Ik heb het, gode zij dank, kunnen volhouden. Op 16 oktober 1913 mocht ik met vreugde de titel van doctor in de Rechten wegdragen. het leven stond voor mij eindelijk wijder open en voor mijn gezin kon ik de toekomst met een rustiger oog beschouwen.

Ik begon onmiddellijk een samenwerking met mijn broeder August zaliger, die reeds drie jaar bij de balie te Antwerpen was ingeschreven en die bij mij te Antwerpen inwoonde(375). Het eerste jaar van deze gelukkige collaboratie was zeer hoopgevend en voor

[p. 205]

de eerste maal van mijn leven kon ik denken aan een rustig zomerverlof. Ik huurde voor de maanden augustus en september, voor 250 fr., een bescheiden gemeubelde villa op het strand van St.-Idesbald, dat maar onlangs voor een geregelde uitbating was geopend. Toen alles in gereedheid was gebracht voor het vertrek, weerklonk in de nacht van 31 juli op 1 augustus aan de hoek van de straat het noodsein van de algemene mobilisatie. Toen begon de tijd van de grote angsten, die na vijftig jaar de landen der christenheid nog niet heeft verlaten.

(322)Adrien K.M. Noyons, oUtrecht 7 jan. 1878 †ald. 1 juni 1941, na studies in de geneeskunde sedert 1906 arts, promoveerde 1908, 1909 privaat docent; 1912 gewoon hoogleraar aan de Universiteit te Leuven, waar hij in beide talen fysiologie doceerde; tijdens Wereldoorlog i te Leuven bijzonder toegewijd aan de slachtoffers van de vernieling der stad; 1927 hoogleraar te Utrecht.
(323)Bedoeld wordt Gerard Brom, oUtrecht 17 april 1882 †Wychen (Nijmegen) 30 nov. 1959, kunsthistoricus en letterkundige, leidend figuur in de katholieke studentenbeweging, redacteur van De Beiaard, 1923 hoogleraar in Nijmegen. Schreef in F.V.C. Vriendenhulde bij zijn zeventigste verjaardag, p.151-154 een bijdrage betiteld De Vriend van Nederland. (Niet verwarren met diens broer Gisbert Brom; voor deze zie verder, noot 357).
(324)Onder leiding van Jezuïeten werd in 1873 in Amsterdam een studiekring gesticht, die in 1880 werd uitgebreid tot Geloof en Wetenschap, waarvan op allerlei plaatsen in Nederland afdelingen of navolgingen ontstonden. Meer daarover bij gerard brom, Herleving van de Wetenschap in Katholiek Nederland. Gedenkboek, 's-Gravenhage, 1930, p.150.
(325)Het Integralisme of Integraal-Katholicisme (Fr. Intégrisme) was een zeer conservatieve richting in de Katholieke Kerk, bij het begin van de twintigste eeuw, inzonderheid gericht tegen het Modernisme. De naam integralisme was ontleend aan de encycliek Pascendi (8 sept. 1907) van Pius x (o1835 †1914, paus sedert 4 aug. 1903).
(326)Zie hiervoor ook p. 62, noot 4. - Voor het Integralisme zie o.m. j. schmidlin, Papstgeschichte der neuesten Zeit. iii: Papsttum und Päpste im XX. Jahrhundert. Pius x und Benedikt xv. (1903-1922), p.138-177, inzonderheid Die integralistische Verschwörung p.162-169, en j.colsen, Poels, Roermond/Maaseik, 1955, p.514-537.
(327)Alfred Loisy, Frans modernistisch theoloog, oAmbières 28 febr. 1857 †Ceffonds 1 juni 1940, 1881-1893 (afgezet) professor aan het ‘Institut catholique’, 1908 geëxcommuniceerd, 1909-1932 prof. aan het ‘College de France’.
(328)Umberto Benigni, Italiaans monseigneur, o1862 †1934, sedert 24 mei 1906 verbonden aan de pauselijke staatssecretarie, gaf op 23 mei 1907 het eerste nummer uit van zijn Corrispondenza Romana (sedert 15 febr. 1908 in Correspondance de Rome omgedoopt), 1909 stichter van een geheime door Pius X gesteunde liga ‘Sodalitium Pianum’. Na de dood van Pius X in 1914 ging deze integralistische beweging en pers ten onder. (Zie schmidlin, o.c., l.c.).
(329)Raffaele Merry del Val, uit een Iers-Spaanse diplomatenfamilie oLonden 10 okt. 1865 †Rome 26 febr. 1930, 1903-1914 kardinaal-staatssecretaris van Pius x, nadien aartspriester van Sint-Pietersbasiliek te Rome.
(330)Louis Billot, katholiek theoloog, jezuïet, oSierck (Metz) 12 jan. 1846 †Galloro (Rome) 18 dec. 1931, 1885-1911 professor aan de Gregoriana, 1911 kardinaal maar legde deze waardigheid 1927 neer, nadat Pius xi eind dec. 1926 de ‘Action française’ verboden had; als bestrijder van het Modernisme mederedacteur van de encycliek Pascendi.
(331)Louis Duchesne, Frans kerkhistoricus, oSaint-Servan (Saint-Malo) 13 sept. 1843 †Rome 21 april 1922, 1867 priester, 1895-1922 directeur van de ‘Ecole française’ te Rome; zijn Histoire ancienne de l'église kwam op de Index.
(332)Pierre Batiffol, Frans theoloog, oToulouse 27 jan. 1861 †Parijs 13 jan. 1929, 1898-1907 rector van het ‘Institut catholique’ te Toulouse, afgetreden nadat zijn werk L'Eucharistie op de Index was geplaatst.
(333)Albert Lagrange (met kloosternaam: Frère Joseph Marie), Frans dominicaan, exegeet, oBourg-en-Bresse 7 maart 1855 †Saint-Maximin-la-Sainte-Baume 8 maart 1938, stichtte 1890 te Jeruzalem de ‘Ecole pratique d'études bibliques’ en in 1892 de Revue biblique.
(334)Albinus van Hoonacker, oBrugge 19 okt. 1857 †1 nov. 1933, 1889-1927 te Leuven hoogleraar in oudtestamentische exege; streefde naar hernieuwing van de exegese en naar aanpassing ervan aan de modern-wetenschappelijke methode.
(335)Honoré Coppieters, oOvermere 30 maart 1874 †Gent 20 dec. 1947, 1900-1920 hoogleraar te Leuven voor bijbelexegese en Hebreeuws, 1920-1927 deken achtereenvolgens te Lokeren en te Aalst, 1927-1947 bisschop van Gent.
(336)Michael Felix Korum, oWickerschweier (Ober-Elsass) 2 nov. 1840 †Trier 4 dec. 1921, 1881-1921 bisschop van Trier.
(337)Henricus Poels, oVenray 14 febr. 1868 †Amstenrade (Sittard) 7 sept. 1948, promoveerde 1897 in de theologie te Leuven, 1903 kapelaan te Venlo, 1904-1910 prof. van exegese aan de Katholieke Universiteit van Washington, sedert 1910 in Limburg belast met de leiding van de katholieke sociale beweging.
(338)Arthur Vermeersch, jezuïet, oErtvelde 26 aug. 1858 † Heverlee 12 juli 1936, moralist, canonist, ascetisch schrijver, 1918-1934 te Rome professor aan de Gregoriana.
(339)Heinrich Brauns, oKeulen 3 jan. 1868 †Lindenberg (Allgäu) 19 okt. 1939, Duits priester, sociaal werker en politicus in de ‘Zentrumspartei’, 1890 priester en tot 1900 in de zielzorg, 1900-1920 directeur van het centrale bureau van de ‘Volksverein für das katholische Deutschland’ (o1890), 1919 lid van de ‘National-Versammlung’ nadien van de ‘Reichstag’, 1920-1928 minister van Arbeid.
(340)Vóór Wereldoorlog i verdeelde de zgn. ‘Gewerkschaftsstreit’ de Duitse katholieke arbeiders over de ‘Katholische Arbeitervereine’ van de Berlijnse richting die door de integralisten werden gesteund, en de op samenwerking met andere christenen gerichte katholieken met centra o.m. te München-Gladbach, de zgn. Keulse richting.
(341)Karl Maria Kaufmann, oDüsseldorf 28(27?) mei 1869 †Konstanz 11 dec. 1948, publiceerde sinds 1905 in het tijdschrift Der Felz; Edmund Schopen, oDüsseldorf 25 mei 1882 †?, o.m. auteur van Köln. Eine innere Gefabr für den Katholiszismus (Berlijn, 1910), met de afwijzing van de ‘Kölner Richtung’ (zie vorige noot).
(342)Uit l.j.rogier en n.de rooy, In Vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953, 's-Gravenhage, 1953, p.529. (Noot F.V.C.). - Voor de ‘Berliner Richtung’, zie noot 340.
(343)Alfons T.M. Jonckx, oGent 29 okt. 1872 †ald. 20 jan. 1953, promoveerde 1899 in de rechten te Gent, advocaat aldaar, activist tijdens Wereldoorlog i en als dusdanig 1916-1918 buitengewoon hoogleraar in strafrecht en fiscaal recht aan de vernederlandste universiteit, en in de Commissie van Gevolmachtigden belast met Buitenlandse Zaken, 1919 ter dood veroordeeld; verbleef na de oorlog in Nederland en was er als jurist werkzaam; tijdens Wereldoorlog ii lid van de herstelcommissie-Borms en na de Bevrijding tot vijftien jaar hechtenis veroordeeld; publiceerde verschillende studies over amnestie en was specialist in kerkelijk recht.
(344)August Borms, oSint-Niklaas 14 april 1878 †(gefusilleerd) Etterbeek 12 april 1946, promoveerde te Gent in de Germaanse filologie, Vlaamsgezind voorman o.m. voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, tijdens Wereldoorlog i activist en als dusdanig o.m. gevolmachtigde voor Nationaal Verweer in de Commissie voor Gevolmachtigden bij de Raad van Vlaanderen, nadien zelfde functie in de Commissie van Zaakgelastigden; na de oorlog ter dood veroordeeld, maar in 1929 vrijgelaten na als gevangene tot kamerlid ‘gekozen’ geweest te zijn. Wegens collaboratie na Wereldoorlog ii gefusilleerd. De uitdrukking ‘ministerie-Borms’ komt wellicht van het gewicht van Borms' figuur; hij was echter geen voorzitter noch van de Commissie van Gevolmachtigden, noch van die der Zaakgelastigden.
(345)Maria Antonius Thompson, oRotterdam 1 nov. 1861 †Voorschoten 31 okt. 1938, Nederlands priester en journalist, 1898-1912 hoofdredacteur van De Maasbode, het blad van zijn vader; april 1912-april 1915 uitgever van Rome ‘tijdschrift gewijd aan de verdediging der katholieke beginselen’ dat twee jaar lang eerst om de veertien dagen, nadien als weekblad verscheen. Zie verder in de tekst bij F.V.C.
(346)Cfr. rogier-de rooy, o.c., p.545. (Noot F.V.C.).
(347)Jozef Alberdingk Thijm, oAmsterdam 13 aug. 1820 †ald. 17 maart 1889, Nederlands letterkundige en strijder voor de ontvoogding der katholieken.
(348)Herman J.A.M. Schaepman, oTubbergen 2 maart 1844 †Rome 21 jan. 1903, priester, dichter, publicist en staatsman, 1880 tot zijn dood lid van de Tweede Kamer.
(349)Joannes Vincentius de Groot, oSchiedam 4 juli 1848 †Amsterdam 26 febr. 1922, dominicaan, 1894 te Amsterdam hoogleraar in de thomistische wijsbegeerte en pionier hiervan in Nederland.
(350)Rome, nr. van 1 mei 1913, p.20. (Noot F.V.C.).
(351)rogier-de rooy, o.c., p.537. (Noot F.V.C.).
(352)Antonius A.H. Struycken, oDoesburg 8 febr. 1873 †'s-Gravenhage 28 juli 1923, promoveerde 1898 in de rechten en 1903 in de staatswetenschappen, advocaat in 's-Gravenhage, 1906-1914 hoogleraar in de rechten aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, nadien lid van de Raad van State, vriend van België en heftig tegenstander van Nederlandse medewerking aan de Vlaamse hogeschool van Gent tijdens Wereldoorlog i.
(353)Maria Viola, oRotterdam 1 dec. 1871 †Ouderkerk 19 aug. 1951, Nederlands letterkundige, 1896 katholiek, huwde 1904 C.R. de Klerk (zie volgende noot).
(354)Cornelius Reinier de Klerk, oWoubrugge 11 nov. 1873 †Amsterdam 29 jan. 1953, Nederlands cultuurhistoricus, huwde 1904 Maria Viola (zie vorige noot).
(355)Petrus J.M. Aalberse, oLeiden 27 maart 1871 †'s-Gravenhage 5 juli 1948, socioloog en politicus, 1903-1916 en 1925 lid van de Tweede Kamer voor de R.K. Staatspartij, 1918-1925 minister van Arbeid, sedert 1928 ook van Handel en Nijverheid, 1925-1928 hoofdredacteur van het blad Het Centrum, 1903-1930 van het Katholiek Sociaal Weekblad, 1937-1946 lid van de Raad van State.
(356)Charles Joseph Marie Ruys de Beerenbrouck (jonkheer), oRoermond 1 dec. 1873 †Utrecht 17 april 1936, promoveerde in de rechten te Leiden, 1905 tot zijn dood lid van de Tweede Kamer voor de R.K. Staatspartij, 1918-1925 en 1929-1933 minister-president en minister van Binnenl. Zaken, tussenin en nadien voorzitter van de Tweede Kamer; tijdens Wereldoorlog i Nederlands regeringscommissaris voor de uitgewekenen in de provincies Noord-Brabant en Zeeland, en sedert eind 1916 voorzitter van een commissie voor de Belgische kinderen in Nederland.
(357)Gisbert Brom, oUtrecht 3 febr. 1864 †ald. 7 febr. 1915, priester en historicus, 1898-1902 hoofdredacteur van Het Centrum, 1906 eerste directeur van het Nederlands Historisch Instituut te Rome. - Voor diens jongere broer Gerard, zie noot 323.
(358)Albertine (Steenhoff-) Smulders, oRotterdam 2 nov. 1871 †Baarn 10 april 1933, Nederlands letterkundige, huwde 1904 Piet Steenhoff (voor deze zie verder p. 241, noot 118).
(359)Alfons M.A.J. Ariëns, oUtrecht 26 april 1860 †Amersfoort 7 aug. 1928, 1882 priester, promoveerde 1885 in de theologie te Rome, 1886-1901 kapelaan te Enschede en in 1899 aldaar grondlegger van de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging, 1901 pastoor te Steenderen, 1908-1928 te Maarssen.
(360)Blijkens een bericht in Het Handelsblad greep deze voordracht plaats op 11 februari 1913.
(361)Deze katholieke kunstkring te Amsterdam werd in 1901 opgericht en stelde zich tot doel, de verhouding tussen het katholieke volk en de artistieke traditie der Nederlandse katholieken te herstellen; na 1906 werd hij vooral een vereniging die sprekers uit binnen- en buitenland artistieke onderwerpen liet behandelen.
(362)rogier-de rooy, o.c., p.552-553, met verwijzing naar de uitvoerige verslagen in De Tijd van 21 jan. De Maasbode van 22 jan. 1913. - Zie ook uitvoeriger verslag in Het Centrum, 21 jan. 1913.
(363)Maria Elisa Belpaire, oAntwerpen 31 jan. 1853 †ald. 9 juni 1948, promotor op sociaal en cultureel gebied, letterkundige onder wier leiding in 1900 de samensmelting plaatsvond van Dietsche Warande (o1855) en Het Belfort (o1886).
(364)Die de vergadering tot het einde bijwoonde (Noot F.V.C.).
(365)Jules Persijn, literatuurhistoricus en criticus, oWachtebeke 20 april 1878 †Broechem 10 okt. 1933, studeerde wijsbegeerte te Rome en promoveerde 1902 in de Germaanse filologie te Leuven, 1912 hoogleraar te Gent, 1905-1933 hoofdredacteur van het maandblad Dietsche Warande en Belfort.
(367)Pieter Mattheus Vismans, oRotterdam 26 juli 1873 †ald. 21 mei 1953, graanfactor en expediteur te Rotterdam, 1911 vlg. voorzitter van het Maasbode-propagandacomité.
(368)Henricus van de Wetering, oHoogland 26 nov. 1850 †Driebergen 18 nov. 1929, 1895 aartsbisschop van Utrecht; van zijn uiteindelijke afwijzing van het integralisme in 1914 ging een beslissende invloed uit.
(369)Wilhelm van Rossum, oZwolle 3 sept. 1854 †Maastricht 30 aug. 1932, trad 1874 in de Congregatie van de Redemptoristen, bekleedde sedert 1895 functies in de Romeinse Curie o.m. als groot-penitencier, 1908 prefect van de Congregatie der Propaganda, 1911 kardinaal.
(370)Benedictus XV, o1854 †1922, 3 sept. 1914-1922 paus; zijn eerste encycliek Ad beatissimi van 1 nov. 1914 betekende het einde van het integralisme.
(371)Deze uitdrukking wordt wel verkeerdelijk toegeschreven aan de Franse nationalistische schrijver en politicus Maurice Barrès (o1862 †1932) in de plaats van aan zijn geestesgenoot Léon Daudet (o1867 †1942) wiens rol in de ‘Action française’ bekend is en die in 1922 Le stupide XIXe siècle publiceerde. Daudet was echter op een conservatieve manier tegen de negentiende eeuw. Getuige daarvan het vervolg van de titel van het boek: Exposé des insanités meurtrières qui se sont abattues sur la France depuis 130 ans. 1789-1919.
(372)Leo XIII, paus van 20 febr. 1878 tot zijn dood op 20 juli 1903.
(373)Jules destree en Max hallet, Code du Travail. Comprenant les lois, arrêtés, règlements et circulaires ministérielles relatifs au Droit ouvrier. Brussel 11904, 21924.
(374)Zie o.a. de Nabetrachting op 't Congres te Mechelen, die van mijn hand verscheen in Dietsche Warande en Belfort, 1909, p.331-337. (Noot F.V.C.).
(375)Bij het begin van zijn parlementaire loopbaan vestigde F.V.C. zich te Antwerpen in de Gratiekapelstraat 12-14 en bleef er wonen tot in 1920.
prepostterug  begin  verder