terug  begin  verderprepost
[p. 244]

Herinneringen aan de oorlogstijd in Nederland

1
De Duitse inval. (Aug.-sept. 1914)

De moord op Aartshertog Franz Ferdinand van Oostenrijk en zijn echtgenote te Serajevo(1) in Bosnië door de jonge Serbiër Princip(2) op 28 juni 1914, is het vuur geweest dat de oorlogsmonden, welke door Duitsland sedert jaren in gereed waren gebracht, deed losbranden. De nota door Keizer Frans Jozef(3) aan de Serbische regering gestuurd was in bijzonder harde woorden gesteld, zoals men na een zo afschuwelijke aanslag als deze welke het Oostenrijks-Hongaarse Rijk van zijn rechtmatige troonopvolger beroofde, kon verwachten. Deze nota moest evenwel niet noodzakelijk tot inleiding dienen van een oorlog, waarvan ieder de gruwelijke gevolgen kon voorzien. Naar me door Dillon(4), die toen de buitenlandse politiek van de Daily Telegraph leidde en die bekend stond als de best geïnformeerde berichtgever van Europa op internationaal gebied, werd verzekerd, lag het ten andere niet in de bedoeling van de Oostenrijkse regering, het op een oorlog te laten aankomen. Hij steunde op verklaringen hem ge-

[p. 245]

daan door de Graaf van Berchtold(5), die toen minister van Buitenlandse Zaken van het Oostenrijk-Hongaarse keizer- en koninkrijk was. Deze mening werd evenwel door andere tegengesproken op grond van het feit dat Berchtold reeds vroeger had gedreigd met Serbië gewapenderhand af te rekenen en van zekere van zijn openbare uitlatingen in verband met de eerste wereldoorlog. Een feit staat in elk geval vast: Duitsland heeft niets gedaan om de woede van Oostenrijk en de zucht om Serbië te vernederen te matigen en zinde sedert enkele jaren op een krachtproef, om de groeiende macht en de versteviging van de Triple Entente - het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland - te breken. Was keizer Willem(6) zelf deze opvatting toegedaan? Sommigen betwijfelen het en beweren dat hij niet moedig genoeg was, om ze met harde onvermijdelijke consequenties te aanvaarden. Maar zij beheerste de leidende persoonlijkheden en de reeds traditioneel geworden lering van de legerleiding, en werd stelselmatig - en niet zonder bijval - verspreid bij het Duitse volk door het ‘Alldeutscher Verband’(7). Deze politiek werd vóór de oorlog met alle duidelijkheid ontwikkeld in een boek, dat voor de eerste maal verscheen in 1912 en reeds in 1914 zijn vijfde vijfduizend-oplage beleefde. Het draagt voor titel ‘Wenn Ich der Kaiser wär’. Men kan er reeds de grondgedachte in ontdekken waarop Hitler later zijn nationaal-socialisme heeft gebouwd. Het boek werd uitgegeven onder de deknaam Daniël Frymann, maar zoals na de oorlog bekend is geworden werd het geschreven door de voorzitter van

[p. 246]

het ‘Alldeutscher Verband’ zelf, Heinrich Class(8). Deze gaf, eveneens onder deknaam, een omvangrijke geschiedenis uit van Duitsland, die op honderdduizenden exemplaren werd verkocht en die reeds geheel werd geschreven in de subjectieve geest, die door Goebbels(9) later aan alle historieschrijvers werd opgelegd. Voor de schrijver van Wenn Ich der Kaïser wär kon Duitsland zowel in zijn binnenland als in zijn internationale bestemming slechts gered worden door een offensieve oorlogsvoering. ‘Der Krieg ist uns heilig, wie das läuternde Schicksal’, zo luidt het op blz. 182 van de 21e-25e duizendste oplage. Als bewijs dat de tragische gevolgen noch hem noch zijn handlangers afschrikten, schrijft hij op blz. 185: ‘Wer es gut meint mit unserem Volke, muss wünschen, dass es ihm schwer gemacht werde’(10). De ‘frische, fröhliche Krieg’ was de vrucht en de weergave van deze voor ons verbijsterende geestesgesteldheid.

Welke ook het spel der invloeden en bedoelingen moge geweest zijn, de poort van de oorlogsverschrikkingen werd opengezet op 28 juli toen de regering van Wenen de oorlog aan Serbië verklaarde. Rusland mobiliseert op 29 juli, waarop Duitsland aan het tsaristische rijk de oorlog verklaart, en Frankrijk op zijn beurt op 1 augustus. Duitsland dat, op zijn uitstekende krijgsmacht en organisatie vertrouwende, door een snelle actie na enkele weken een afdoende overwinning hoopte te behalen, viel onmiddellijk in het Groot-Hertogdom Luxemburg binnen en liet op zondag 2 augustus te 7 uur 's avonds door zijn gezant de heer von Below(11)

[p. 247]

aan onze minister van Buitenlandse Zaken een ultimatum afgeven, waarbij vrije doorgang van zijn legers door ons land werd geëist, dan wanneer die zelfde morgen die zelfde diplomaat aan Minister Davignon(12) de geruststelling had gebracht dat ons land van een mogelijk conflict met Frankrijk voor zijn eigen veiligheid niets te vrezen had. Reeds te 9 uur vond op het Paleis te Brussel een ministerraad plaats, die door de Koning zelf werd voorgezeten en te 11 uur gevolgd werd door een meer uitgebreide raadsvergadering, waarop ook de voorzitters van beide Wetgevende Kamers en enkele ministers van Staat aanwezig waren. P. Hymans, leider van de liberale partij, die pas tot minister van Staat was benoemd(13), was ook op deze vergadering aanwezig.

Wat moest België doen? De te nemen beslissing was zwaar, maar over het beginsel dat ons gedrag moest bepalen, kon geen twijfel bestaan. De Koning kon dan ook spoedig het besluit trekken, waarover de vergadering het eens bleek, namelijk dat België aan zijn eer en zijn internationaal statuut verplicht was, zich tegen de doortocht van het Duitse leger met alle hem geboden middelen te verzetten. De enige die niet onvoorwaardelijk deze houding schijnt te hebben gedeeld is Charles Woeste. Hij had over landsverdediging zijn eigen begrippen. President Schollaert vertelde mij dat Woeste hem bij het binnengaan van de raadszaal tot omzichtigheid aanmaande in het advies dat hij geven zou, en in zijn Mémoires(14) geeft hij zelfs de indruk dat hij zich met een schijnverdediging had kunnen tevreden stellen. Wanneer de Koning naar zijn zienswijze vroeg, sprak hij de wens uit, eerst over de sterkte van ons leger en over het uithoudingsvermogen van de vestingen

[p. 248]

van Luik en Namen te worden ingelicht. Ten overstaan van het antwoord dat hem door Generaal de Selliers(15), overste van de Generale Staf, werd gegeven, vroeg hij ‘s'il ne serait pas prudent pour notre armée de se retirer vers Anvers, en ajoutant que c'était sur ce point que, d'après moi, la délibération devait porter’. En toen ik in zijn bijzijn na afloop van de historische vergadering van de Kamer op 4 augustus(16) mijn ontevredenheid uitsprak over het feit dat de militieklas van 1914 nog niet was opgeroepen, maakte hij op mijne klacht de koele bedenking: ‘Notre pays ne peut cependant sacrifier toute sa jeunesse’. Was de reis die hij op 9 september, naar aanleiding van een geheimzinnig bezoek waarvan Woeste zelf spreekt(17) maar de auteur niet bekend geeft, naar Antwerpen ondernam, waar de Koning en de regering zich hadden teruggetrokken, was dit bezoek, zoals beweerd is geworden, ingegeven door het verlangen om een verdere passieve houding van ons leger aan te bevelen? Woeste heeft steeds geloochend dat hij bij deze gelegenheid een missie vanwege de Duitse regering zou hebben vervuld en alleen voor doel had, de regering op de hoogte te brengen van wat zijn geheime bezoeker hem had medegedeeld omtrent een nakende aanval van het Duitse leger op Antwerpen.

Ik wil de vaderlandsliefde van Woeste niet in twijfel trekken. Deze was oprecht en diep maar hij zag de dingen met een ander oog dan de Koning en zijn raadgevers. Hij was, naar mijn gevoel, overtuigd dat Duitsland als overwinnaar uit de strijd zou te voorschijn komen. Met de koelheid van gemoed die hem eigen was, beschouwde hij het optreden van Duitsland als een soort natuurlijke uiting van de politieke gedragslijn van een grote natie. In zulke gedachtengang moest de wijsheid België aanzetten, om zich naar het onvermijdelijke te schikken en zich zoveel mogelijk aan de rampspoedige gevolgen van de strijd te onttrekken. Deze beoordeling berust niet op een louter vermoeden. Toen ik in ant-

[p. 249]

woord op de verklaring van Woeste betreffende de noodzakelijkheid onze jeugd te ontzien, waarvan ik hoger melding heb gemaakt, mijn verontwaardiging uitsprak over het misdadig bedrijf van Duitsland, liet hij zich de bedenking ontvallen dat ‘l'Allemagne mène une politique de grande nation’. En in een gesprek dat ik op 13 november 1915 had met een bevriende persoonlijkheid, die in de Brusselse hogere kringen verkeerde en als vertegenwoordiger van de belangen van een onzer oudste adellijke families naar Den Haag was gekomen, vernam ik dat een dame, van wie hij de naam niet vermeldde hem had medegedeeld dat Woeste haar had gezegd: ‘Vous verrez, Madame, l'Allemagne sera victorieuse partout et sur tous les terrains’. Het vermoeden ligt nabij dat hij daarin werd aangemoedigd door zijn zwager Baron Greindl(18), gezant van België te Berlijn, die bekend stond als een vriend van de Duitse Keizer en wiens correspondentie met ons ministerie van Buitenlandse zaken door de Duitsers tijdens de bezetting van België in het archief van het ministerie werd ontdekt en aan de publiciteit werd prijsgegeven met de weliswaar ijdele hoop, in het buitenland de indruk te verwekken dat België zijn verplichte onzijdigheid vóór de oorlog zelf had geschonden en o.a. met het Verenigd Koninkrijk geheime militaire afspraken had genomen.

Het land was echter eensgezind om de Koning en de regering in hun besluit - het enige dat zij op eervolle wijze konden nemen - te steunen. Deze eensgezindheid werd op de gemeenschappelijke vergadering, welke door de Wetgevende Kamers, in aanwezigheid van de Koning en de Koninklijke Familie werd gehouden, op ontroerende wijze tot uiting gebracht. De nota van antwoord op het Duitse ultimatum, welke in de nacht van 2 op 3 augustus door de regering werd opgesteld en reeds te zeven uur 's morgens aan de gezant van Duitsland werd overhandigd, was naar toon en inhoud een waardig stuk. Indien België, zo heet het, de voorstellen van Duitsland moest aannemen, zou het de eer van de Natie verloochenen en verraad plegen op de plichten die het heeft tegenover Europa. En verder, dat ‘België vast besloten is, met alle

[p. 250]

middelen waarover het beschikt, elke inbreuk op zijn recht (op de onschendbaarheid van zijn onafhankelijkheid en onzijdigheid) te bestrijden’.

De lezing van het regeringsantwoord werd door beide Wetgevende Kamers langdurig en rechtstaande toegejuicht. Maar het meest ontroerend ogenblik was de verschijning van de Koning en zijn toespraak tot de Verenigde Kamers. Zij was waardig en beslist en droeg de stempel van het verheven plichtsgevoel dat geheel het leven van Koning Albert, en meer bijzonder van zijn gedragingen onder de eerste wereldoorlog, heeft gekenmerkt. ‘Indien we weerstand moeten bieden aan een inval zullen we deze plicht, hoe zwaar ook, vervullen met de kracht van de wapenen en bereid tot de grootste offers. (...) Een enkel gevoel beheerst de harten, de vaderlandsliefde; een enkel beeld staat ons volk voor de geest: onze bedreigde onafhankelijkheid; een enkele plicht dringt zich op aan onze wil: een onverzettelijke weerstand’. Elk van deze zinssneden werd door de Kamers geestdriftig onthaald. Wanneer hij besloot met de indrukwekkende woorden: ‘Ik heb vertrouwen in onze bestemming. Een land dat zich verdedigt, dwingt de eerbied af van allen; dit land zal niet vergaan. God zal met ons zijn in deze gerechte zaak’, dan brak op alle banken van de Kamer en ook op de tribunes een geestdriftige instemming uit, waarvan de weerga in onze parlementaire geschiedenis niet zal worden ontdekt. Er was die dag geen onderscheid tussen de partijen te erkennen. Reeds bij de besprekingen van de jongste militiewet hadden de leiders van de socialistische groep verklaard, dat hun oppositie geenszins betekende dat de socialisten hun dienst zouden weigeren, indien het land onrechtvaardig werd aangevallen. Op 4 augustus hebben zij zonder aarzeling hun getrouwheid aan dit beginsel bevestigd. Zij hebben aan de noodwetgeving voor welke de regering de hoogstdringende goedkeuring vroeg, zonder tegenspraak en eensgezind hun steun verleend. Wanneer de Broqueville kennis gaf van het Koninklijk Besluit waarbij Em. Vandervelde tot minister van Staat werd verheven, was het ook met een warme instemming dat geheel de Kamer haar bijval aan deze verdiende onderscheiding verleende. Het was niet alleen tegenover een groot leider maar tegenover geheel de socialistische partij een blijk van waardering en vertrouwen, die tevens een trouwe weerklank was

[p. 251]

van de spontane eenheid met welke geheel de Belgische bevolking het onterend verzoek van het Duitsch Keizerrijk heeft afgewezen(19).

 

Het ligt niet in mijn bedoeling de militaire gebeurtenissen op de voet te volgen, noch de wijze te bespreken op welke onze militaire aanvoerders zich van hun taak hebben gekweten. Ik zal niet de laatste zijn om hulde te brengen aan mannen zoals Generaal Leman(20), die van de verdediging van het fort Loncin een van de lichtpunten van het begin van onze weerstand hebben gemaakt. Aan de slag en de verdere verdediging van de IJzer wens ik later enige beschouwingen te wijden. Ik wil echter niet verzwijgen dat het begin van onze verdediging en meer bijzonder deze van onze vestingen geen glanspunt was van onze militaire krijgskunde noch van het vooruitzicht dat van onze militaire overheden kon worden verwacht. De optimistische verzekeringen met welke de Wetgevende Kamers tot de vereiste uitgaven voor onze vestingen werden bewogen zijn meer verbeeldingswerk dan vrucht van een zakelijke kennis gebleken. Reeds op 20 augustus deden de Duitse troepen hun intrede in Brussel en de oninneembare vesting van Antwerpen zag hare nieuwste forten bezwijken onder een geschut, waarvan men de kracht niet vermoedde en de draagwijdte te groot was om door onze beste kanonnen te kunnen worden beantwoord. Niet zonder bewondering kan ik evenwel spreken van de geest waarin onze soldaten aan de oproep van de Koning hebben geantwoord en de kalmte met welke ons volk de eerste oorlogsgebeurtenissen en de ongekende plichten welke deze meebrachten heeft aanvaard.

[p. 252]

Ik begaf me te middernacht, toen de algemene mobilisatie in uitvoering trad, naar de middenstatie te Antwerpen en was werkelijk ontroerd bij het zien van de gehaastheid en de opgewektheid met welke zelfs de soldaten van de oudere klassen zich in een uniform dat soms te klein of onvolledig was geworden, naar de speciale treinen spoedden. De tegenspoed van de eerste oorlogsweken was alvast niet van aard om hun moed en hun vertrouwen in onze wapenen te scherpen. En toch hebben ze aan de IJzer, na een uitputtende mars van Antwerpen naar de verste uithoek van onze zeestranden, een bewijs van heldhaftigheid gegeven, dat in geheel de wereld verbazing heeft gewekt. De wijze op welke de tocht van Antwerpen naar de IJzer, onder de nabije bedreiging van een Duitse flankaanval, werd uitgevoerd en niettegenstaande ongeveer twintigduizend van onze manschappen gedwongen werden de Nederlandse grenzen te overschrijden om aan de Duitse krijgsgevangenschap te ontsnappen, mag na de minder gunstige beoordeling welke ik over ons militair oorlogsbeleid reeds heb uitgesproken, ook als een merkwaardige prestatie aan onze opperste legerleiding ten goede worden gebracht.

Onze bevolking had, eilaas, inmiddels ook de gruwel van de oorlog aan den lijve ondervonden. Een van de tactische middelen van de Duitse legerleiding om de aanvalskracht van onze wapenen en het moreel verzet van de bevolking te breken, was het scheppen van een verschrikkingszone langs de opmars van hun leger. Niet alleen werden op de meest willekeurige wijze gijzelaars genomen, die met hun leven moesten instaan voor de onschadelijkheid van hun medeburgers, doch, onder het leugenachtig voorwendsel dat de Duitse troepen op hun doortocht aangevallen werden door vrijschutters in burgerkledij, werden o.m. Aarschot en Leuven op de meest woeste wijze aan vernieling prijsgegeven en tientallen onschuldige burgers zonder enige schijn van rechtspleging neergeschoten. De opzettelijke brand van de bibliotheek van de Universiteit te Leuven met de onherstelbare vernietiging van haar historische schatten zal ten eeuwigen dage een onuitwisbare vlek blijven op de reputatie van de Duitse Generale Staf van de oorlog van 1914. Ook de stad Dendermonde werd gedurende een korte inval van de Duitsers verwoest en de moordpartijen welke aan de Maas plaats vonden waren een bewijs te meer van de stel-

[p. 253]

selmatige wijze op welke deze wilde vernielingszucht werd uitgeoefend(21).

(1)Aartshertog kroonprins Franz Ferdinand (neef van de keizer), oGraz 18 dec. 1863, huwde in 1900 met gravin Sophie von Chotek, oStuttgart 1 maart 1868, sedert 1909 hertogin von Hohenberg; beiden werden te Sarajevo vermoord op 28 juni 1914.
(2)Gavrilo Princip, oOkljaj (Bosnië) en op 28 april 1918, 24 jaar oud, overleden te Theresienstadt (Terezin, Bohemen).
(3)Franz Jozeph i, oSchönbrunn 18 aug. 1830 †ald. 21 nov. 1916, keizer sedert 1848.
(4)Emile Joseph Dillon, oDublin 21 maart 1854 †Barcelona 9 juni 1933, studeerde te Parijs bij Ernest Renan Oosterse Talen en wijdde zich in vele universiteiten aan filologische studies (drie doctoraten), 1887-1914 in Rusland correspondent voor de Daily Telegraph, tijdens Wereldoorlog i niet meer officieel aan de D.T. verbonden maar nog zeer actief achter de schermen.
(5)Leopold graaf von Berchtold, oWenen 18 april 1863 †Sopron (Duits: Ödenburg, Hongarije) 21 nov. 1942, Oostenrijks-Hongaars staatsman, 1906-1911 ambassadeur in Petersburg, 1912-jan. 1915 minister van Buitenlandse Zaken.
(6)Wilhelm ii, oBerlijn 27 jan. 1859 †Doorn 4 juni 1941, 1888-nov. 1918 Duits keizer.
(7)Dit ‘Alldeutscher Verband’, op 28 sept. 1890 opgericht, werd pas bedrijvig sedert de reorganisatie op 1 juli 1894 toen het de naam ‘A.V.’ aannam. Sedertdien ook verschenen wekelijks de Alldeutsche Blätter. Opzet was de ‘Pflege des deutschen Volkstums’, maar met duidelijk annexionistisch-imperialistische accenten, vooral o.l.v. Heinrich Class (zie volgende noot). De vereniging werd in 1939 ontbonden. Zie a.kruck, Geschichte des Alldeutschen Verbandes (1890-1939), Wiesbaden, 1954, 258 pp.
(8)Heinrich Class, oAlzey 29 febr. 1868 †Jena 16 april 1953, advocaat, 1908-1939 voorzitter van het ‘Alldeutscher Verband’, schreef onder pseudoniem Einhart een populaire Deutsche Geschichte (eerste uitg. 1909, negentiende in 1941) en als Daniel Frymann in 1912 Wenn ich der Kaiser wär (talloze herdrukken).
(9)Joseph Goebbels, Duits nationaal-socialistisch politicus, oRheydt (Rijnland) 29 okt. 1897 †Berlijn 1 mei 1945.
(10)Wie over de geestelijke evolutie, die het Duitse volk naar de oorlog heeft gedreven, meer en treffende bijzonderheden wil kennen, leze ook wat Heinrich Heine (1797/99-1856) reeds in de dertiger jaren van vorige eeuw schreef in de Revue des Deux Mondes. (Noot F.V.C.). - F.V.C. bedoelt ongetwijfeld het art. De L'Allemagne depuis Luther, in genoemd tijdschrift gepubliceerd in 1834, vol. 19, p. 473-505, en in vol. 22, p. 373-408.
(11)Karl K.A.C. von Below-Saleske, oSaleske (Pommeren) 8 april 1866 †Berlijn 14 aug. 1939, na rechtsstudies verbonden aan Buitenl. Zaken, o.m. 1899-1900 ambassadesecretaris in Peking, 1910-1913 minister in Sofia en 24 okt. 1913 tot 4 aug. 1914 (einde van zijn carrière) buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel.
(12)H.F.Julien Davignon, oSint-Joost-ten-Node 3 dec. 1854 †Nice 12 maart 1916, mei 1898-mei 1900 kath. senator nadien tot aan zijn dood volksverteg. voor het arr. Verviers, mei 1907-jan. 1916 minister van Buitenl. Zaken, nadien tot zijn dood minister zonder Portefeuille.
(13)Bij het uitbreken van de oorlog, op 4 aug. 1914, waren de liberalen E. Goblet d'Alviella (voor deze, zie verder noot 83) Paul Hymans en de socialist Em. Vandervelde tot minister van Staat benoemd.
(14)Woeste, Mémoires, iii, p. 3. (Noot F.V.C.).
(15)Antonin Maurice Léonard de Selliers de Moranville, oSint-Joost-ten-Node 12 jan. 1852 †Elsene 17 april 1945, bij het uitbreken van Wereldoorlog i luitenant-generaal en organisator van de mobilisatie, stafchef van het Belgisch leger tot kort voor het eind van de oorlog.
(16)Zie verder noot 19.
(17)Woeste, Mémoires, iii, p. 9. (Noot F.V.C.).
(18)Jules Greindl (baron), oMons 12 april 1835 †Vorst 1 juli 1917, broer van Marie Louise Greindl, echtgenote van Woeste; 1888-1912 Belgisch gezant in Berlijn, 1912 gepensioneerd en graaf.
(19)In een korte zitting van de beide Kamers op 4 aug. werd o.m. de Duitse nota van 2 aug. en het Belgische antwoord van 3 aug. besproken. Naast deze zitting heeft ook de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 4 aug. een korte eigen vergadering gehouden. A.P.C. Session extraordinaire de 1914 en Session ordinaire 1918-1919, 4 aug. 1914 (Brussel, 1921), met tekst van Belgische nota. - Zie ook F.V.C.'s art. 4 augustus 1914, in het weekblad Elckerlyc, op 5 augustus 1939.
(20)Gerard M.J.G.Leman, oLuik 8 jan. 1851 †ald. 17 okt. 1920, 26 juni 1912 luitenant-generaal, 20 febr. 1913 lid van de ‘Conseil supérieur de la défense nationale’, 31 jan. 1913 commandant van Luik. Na de val op 15 aug. 1914 van het Fort Loncin bleef hij tot dec. 1917 krijgsgevangen in Duitsland, nadien voegde hij zich bij de Belgische regering in Le Havre, 15 nov. 1919 graaf.
(21)Voor de oorlogsdaden in genoemde steden zie vooral a.rolin, Les Allemands en Belgique 1914-1918. Conclusions de l'Enquête officielle belge, Luik, 1925; en verder: Aarschot tijdens de Oorlog 1914-1918. Tentoonstelling ingericht door de Aarschotse Kring voor Heemkunde in samenwerking met het stadsbestuur. (Stedelijke beroepsschool, Amerstraat 5, Aarschot. 14-23 augustus 1964), Leuven, 1964; - j.vewez, De Stad Dendermonde en haare Helden. Geschiedkundige aantekening ter gelegenheid van de inhuldiging van het Gedenkteeken aan de gesneuvelden en aan de gedoode burgers in den oorlog 1914-1918, s.l., 1924; - p.schöller, Het geval Leuven en het Duitse Witboek. Een kritisch onderzoek van de Duitse documentatie over de gebeurtenissen te Leuven van 25-28 augustus 1914, Leuven, 1958.
prepostterug  begin  verder