terug  begin  verderprepost

7
Opbeurende invloed van het Vlaamsch Manifest en van Vrij België. Anti-Vlaamse bezetenheid leidt tot eerste crisisverschijnselen bij Vlaamsgezinde frontsoldaten. (Dec. 1914 - eind 1916)

Mijn stellingen en gedragslijn in deze aangelegenheid, zowel als bij de behandeling van het hogeschoolvraagstuk, lagen geheel in de richting, welke Vrij België reeds in zijn eerste nummer had voorgetekend. Zij beantwoordden aan de beginselverklaringen, die werden neergelegd in het Vlaamsch Manifest, waarvan de tekst verscheen in Vrij België van 27 augustus 1915(103). Dit manifest werd in de socialistische Duitse Vorwärts van 29 juli 1915 door een correspondent uit Antwerpen beschouwd als een daad die van aard moest zijn, om menig Duits hoogleraar en gymnasiumprofes-

[p. 296]

sor te genezen van hun begoochelingen omtrent een Vlaams-Duitse culturele of andere gemeenschap die in wording zou zijn. Het stuk, dat door mij was opgesteld, werd mede ondertekend o.a. door Julius Hoste, Alberic Deswarte, Cyriel Buysse, André de Ridder en vond bij de in het buitenland verblijvende Vlaamsgezinden een gunstige weerklank.

Het standpunt van Vrij België was ook dat van alle ontwikkelde en landsgetrouwe Vlaamsgezinden in het bezet landsgebied en werd op moedige wijze tot uiting gebracht in een vertrouwelijk rondschrijven, waarvan Vrij België in zijn eerste nummer de tekst bekend gaf en dat werd opgesteld door twee radicale Vlamingen uit het Gentse, de heren Alfons Sevens en B. Maes, ambtenaar bij de telegraafdienst, die hun koen patriottisme met enkele maanden gevang moesten betalen. De houding van de redacteurs van Vrij België beantwoordde ook aan de ingevingen van het openbaar protest dat in augustus 1915 te Brussel werd uitgegeven door Aug. Vermeylen, Louis Franck, C. Huysmans, Herman Teirlinck, Karel van de Woestijne en andere vooraanstaande vertegenwoordigers van ons Vlaams intellectueel leven(104).

Wat me echter het meest verheugde en tot volharding aanspoorde was de opbeurende invloed, welke de in Vrij België gevoerde politiek had op het gemoed van onze Vlaamse soldaten aan het IJzerfront. ‘Het Vlaamsch Manifest was voor ons een riem onder het hart’, zo schreef me een gekwetste vrijwilliger van uit het gasthuis. Dankbetuigingen van die aard zijn er vele geweest zowel voor het Manifest als voor Vrij België in het algemeen. Doch geen bewijs van instemming, geen aanmoediging heeft me dieper getroffen dan de hulde die mij door de leiders van onze vooroorlogse hoogstudentenbeweging werd gebracht in het Oorlogsnummer van Ons Leven dat in de loop van 1916 in Nederland verscheen(105).

[p. 297]

Het is niet uit enig zelfbehagen dat ik de aandacht op dit stuk meen te moeten vestigen, wel echter om de bijzondere betekenis die het heeft voor de verklaring van de meer extreme vormen, welke de Vlaamsgezinde gevoelens van onze intellectuelen op het front nadien hebben aangenomen en waarop ik verder nog terugkom. Dit moge evenwel onmiddellijk worden in het licht gesteld: toen bedoeld huldeadres werd opgesteld, waren de ondertekenaars niet meer onwetend van de afwijzende houding die ik én tegenover de oorlogshervorming van de Gentse hogeschool én tegen de bestuurlijke scheiding had aangenomen. Dit bewijst duidelijk dat de activistische politiek en de beweegredenen, welke o.a. door een zo gezaghebbende persoonlijkheid als Lod. Dosfel ontwikkeld werden, op de geestesgesteldheid zelfs van onze meest vooruitstrevende Vlaamsgezinde frontsoldaten in 1916 geen voelbare invloed hadden uitgeoefend. Zoals ik het verder zal aantonen zijn de scherpere verhoudingen, die later ontstonden, evenmin aan een inzijpeling van het activisme te wijten.

Het weze mij vergund als bewijs enkele zinsneden uit het stuk te lichten: ‘Nu wij op een keerpunt schijnen te staan in den wereldkrijg en een einde aan den langen lijdensweg van ons volk in het verschiet mogen ontwaren, achten de Vlaamsche ontwikkelden van de voorlinie het zich als een plicht aan U, den tolk van wat zoovelen denken, hun hulde en hunnen dank over te brengen. Het zal U voorzeker gepijnigd hebben, om meeningsverschil over den te volgen weg, van hooggeschatte en aan dezelfde zaak trouw genegen vrienden te hebben moeten scheiden (...). Gij voelt U zeker verontwaardigd van een andere zijde stelselmatig bekampt en belaagd te zien. Wij deelen in uwe verontwaardiging (...). Met uwe liefde tot uw volk en uw land hebt gij de baan afgebakend in deze wereldgloeiing, tegenwerkend het roerloos drijven van annexionisten en waanzin van grootmacht, roepend aan de verantwoordelijke personen de klippen langs dien kant, afwijzend van den anderen kant het verleidend uitlokken van den overweldiger, smedend aan vriendschapsbanden met aanverwante volkeren en uitroeiende valsche verdenkingen van onze eerlijkheid. Uit liefde tot

[p. 298]

Uw volk, tot de jongens die hier te velde in zoo groot aantal hun leven veil houden voor het Vaderland of die ginder op den vreemde door de omstandigheden tot ledigheid zijn gedwongen, hebt gij hun geestesvoedsel bezorgd, de harten ginder en hier hooggehouden, de geesten voorgelicht (...). Van Uw plicht tegenover de gemeenschap hebt gij U willen kwijten en het bewustzijn dit gedaan te hebben is Uwe beste belooning. Wij ook zijn er ons bewust van en daarom zeggen wij U al onze genegenheid en onzen dank. Nergens kondet gij dien plicht beter vervullen dan waar gij hem vervuldet.’

De namen van de ondertekenaars gaven aan deze getuigenis een zeer bijzondere waarde en daarom laat ik ze hier volgen, met de kwalificatie die zij er zelf aan hebben toegevoegd: Filip de Pillecijn(106), voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond van België; J. Guldentops(107), hoofdopsteller van Ons Leven; H. Gravez(108), ondervoorzitter van ‘Amicitia’, waarvan de voorzitter gesneuveld was; H. D'Haese(109), voorzitter van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond van Leuven; G. van Severen(110), hoofdopsteller van Hoogstudent; R.

[p. 299]

van de Velde(111), voorzitter van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond van Gent; Dr. J. Verduyn(112), oudvoorzitter van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond van België; Dr. Frans Daels(113), namens het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond en Dr. A. Quintens(114), Alderman van Kerlinga(115). Het zijn enkel katholieke Vlamingen die het stuk ondertekenden. Ons Leven was een orgaan van katholieke studenten. Maar men kan zich moeilijk een meer volledige vertegenwoordiging van onze katholieke Vlaamse hogeschoolstudentenbeweging uit die tijd voorstellen. De hoedanigheid en de verscheidenheid van de vermelde leiders bewijzen dat de bloem van ons katholieke Vlaamse studerende jeugd op het IJzerfront aanwezig was.

 

Tegen het einde van 1916 begonnen zich echter in het gemoed van onze Vlaamsgezinde frontsoldaten zekere crisisverschijnselen af te tekenen. Deze hebben gaandeweg scherpere vormen aangenomen tot op de vooravond van het eindoffensief in 1918. Zij zijn na de oorlog de bron geworden van een tragische verdeeldheid tussen de Vlamingen en de oorzaak van veel ellende, niet alleen voor vele Vlaamse frontleiders die door hun bekwaamheid en offergeest geroepen waren om een plaats van aanzien in onze Vlaamse heropleving en, langs Vlaamse wegen, ten aanzien van geheel het land te veroveren. Maar het weze duidelijk vastgesteld: ook deze zo

[p. 300]

noodlottige crisis werd niet veroorzaakt door de tussenkomst van het activisme, dat gaandeweg dieper in zijn ontrouw verzonk en in het binnenland het voorwerp was geworden van steeds grotere volksafkeer. De spanning bij de Vlaamsgezinden in het leger vond haar hoofdoorzaak in de kwade verdenking, waarmede een plompe veiligheidsdienst tegenover elke uiting van Vlaamsgezindheid behept was en die een reeks van krenkende maatregelen uitlokte in het onverschoonbaar onbegrip dat op taalgebied door de militaire overheden werd getoond tegenover een leger dat voor meer dan 80 % uit Vlamingen, meestendeels Fransonkundigen, bestond. De spanning groeide tevens door de dolzinnige wijze op welke onze Fransschrijvende pers en sommige van onze Franse letterkundigen onze Vlaamse taal en beschaving getracht hebben in discrediet te brengen en tevens aanstuurden op een nauw verbond met Frankrijk, dat door de Vlamingen als een levensgevaar werd geschuwd. Het ware onbegrijpelijk geweest dat al deze invloeden samen, ingegeven tenslotte door een zelfde anti-Vlaamse gezindheid, op de duur het gemoed van jonge mannen, die voor de vrijmaking van hun land maar ook met de zorg voor de toekomst van hun bloedeigen volk het tragisch bestaan van de IJzervlakte hadden gedragen, niet in een geprikkelde toestand zouden brengen. Ook bij de uitgeweken Vlaamsgezinden bleven de uitwerkingen niet na. Van regeringswege kwam geen enkel gezaghebbend woord, om aan deze gemoedscrisis tijdig een einde of zelfs enige mildering te brengen.

Het begon reeds vroeg na de bezetting, alsof er in het geheim een ordewoord was gegeven. ‘Klaarblijkelijk’, zo schrijft M. Basse, ‘zagen eenige vuige zielen in de oorlogsramp vooral een gelegenheid om de Vlaamsche Beweging door verdachtmaking te bestrijden. Anderen wilden de gelegenheid te baat nemen om het Vlaamsch en de Vlaamsche Beweging uit te roeien.’(116) Men zou kunnen begrijpen dat de handelingen van het activisme, waarvan de Duitse inslag al te duidelijk was, in het bezette gebied de oorzaak zou zijn geworden van veel betreurenswaardig misbegrip omtrent de doeleinden en de aard van de Vlaamse Beweging en aanleiding

[p. 301]

zou hebben gegeven tot verscherpte uitingen van de anti-Vlaamse gevoelens, waarvan we de blinde passie maar al te goed hadden leren kennen bij de bespreking van elke wettelijke taalregeling. Het anti-Vlaamse gestook heeft echter niet gewacht op de activistische hervormingen om zijn horens op te steken.

De meest ergerlijke uitingen van die anti-Vlaamse bezetenheid kwamen overigens niet van het bezette gebied. Vele vooraanstaande geesten werden daar door de zo betreurenswaardige wanpolitiek van het activisme tot ernstiger nadenken over het Belgisch talenprobleem bewogen. Doch in het vrije buitenland kende de anti-Vlaamse actie geen rem en sommige van onze Franstalige schrijvers lieten zich tot uitingen verleiden, welke de geringste bezorgdheid om de vaderlandse eendracht hun had moeten ontzeggen. Reeds op 2 december 1914 vermeldde de Parijse Figaro dat Maurice Maeterlinck(117) - die de Vlaamse taal eenmaal als een ‘jargon vaseux’ heeft bestempeld - in de maand november te Milaan had verklaard, dat geheel België voor de Latijnse beschaving streed tegen al wat Germaans was, en dat het feit, dat de Vlamingen van Germaanse afkomst waren en een taal spraken die met het Duits verwant was, als van geen betekenis moést worden beschouwd. Gérard Harry(118) schreef in Le Petit Journal van 21 december 1914, dat de eenheid van België nu voor goed door de Franse taal verzekerd was. Raymond Colleye(119) bevestigde in Le Cri de

[p. 302]

Londres van 15 juni 1915, dat het België van morgen Latijns zou zijn of niet zijn(120); in het Engels tijdschrift The Nineteenth Century van augustus 1915 ging hij zelfs verder: ‘Het flamingantisme is dood (...), de officiële taal van België, die van de staat en van de besturen, moet het Frans alleen zijn.’(121) Uitlatingen van dien aard stonden niet alleen. Zij vonden weerklank en steun in onze Franse uitgewekenenpers. Zij kregen vooral een voor de Vlamingen onrustwekkend karakter door de politiek van aanleuning bij Frankrijk, welke door invloedrijke Belgische journalisten die te Havre verbleven werd verdedigd en uiting vond in een door Belgen veel gelezen orgaan, de xxe Siècle, dat openlijk door het hoofd van de regering en de militaire overheden werd gesteund, terwijl de Vlaamse weekbladen, die door landsgetrouwe en als dusdanig voldoende bekende personen werden uitgegeven, met allerlei geniepige tegenwerkingen hadden te kampen. Vrij België, dat door de Vlaamse frontsoldaten bijzonder gegeerd was omdat het meer levend nieuws uit het bezette vaderland bevatte en op Vlaams gebied ook meer leiding gaf dan de bladen die in Engeland of achter het front verschenen konden geven, was het voorwerp van een onregelmatigheid in de bestelling of zelfs van een achterhouding, die in de vervoermoeilijkheden geen voldoende verklaring kon vinden. Wie zich de tijd zou willen nemen om al de nummers van het blad te doorbladeren, zal vruchteloos naar een enkel stuk of mededeling zoeken die aan de vaderlandse gevoelens of de strijdvaardigheid van onze soldaten de minste schade konden berokkenen.

Deze verkapte tegenwerking ging echter gepaard met een loense actie van verdachtmaking, die bijzonder in Nederland een gunstige voedingsbodem vond bij enkele welstellende landgenoten die hun vele vrije uren trachtten te vullen met de Belgische vluchtelingencomités op te maken tegen een Vlaamse Beweging, waarvan zij zelfs geen elementair begrip bezaten, of bij een paar actieve

[p. 303]

agenten van de Belgische bespiedings- en informatiediensten, die het veilige Nederland benuttigden om, op kosten van de Belgische staat, hun partijpolitieke passie te bevredigen of een oorlogsdecoratie te verdienen met een onderduimse maar vrij klungelige propaganda voor de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg. Deze geestelijke valsmunterij werd met bijzondere iever bedreven in de bureaus of met de tussenkomst van het zogenaamde ‘Office belge’ dat, kort na de vestiging van de regering te Ste-Adresse, in Den Haag werd opgericht met de loffelijke bedoeling ertoe bij te dragen, om de regeringsdiensten zo getrouw mogelijk op de hoogte te houden van de gebeurtenissen in het bezette land en haar in de verdediging van 's lands eer en belangen in Nederland en over de Belgische grens heen bij te staan. De leiding ervan werd toevertrouwd aan de gezamenlijke zorgen van de socialistische volksvertegenwoordiger voor Antwerpen, Dr. Modeste Terwagne, en mezelf. Ik ondervond vrij spoedig dat een vertrouwelijke samenwerking met mijn Antwerpse collega moeilijk uit te denken viel. Ik nam mijn ontslag wanneer in het begin van 1915 de regering mij de taak toevertrouwde van secretaris van het Bijstandscomité voor de Belgische uitgewekenen(122), waarvan het voorzitterschap werd opgedragen aan de heer Albéric Rolin, emeritus professor van de hogeschool te Gent en bibliothecaris van het Vredespaleis.

Dr. M. Terwagne vond voor zijn euvel beleid o.m. twee ijverige medewerkers in Leonce du Catillon, een oud aanhanger van het Daensisme, die sedertdien het met zichzelf moeilijk schijnt te zijn eens geworden aan welke partij hij zich voortaan zou hechten. Du Catillon had reeds in het begin van de oorlog moeilijkheden veroorzaakt te Baarle-Hertog, waar hij aanvankelijk verbleef en het was op uitdrukkelijke beslissing van de regering dat hij als medewerker in het Belgisch ‘Office’ werd opgenomen. In het begin van 1916 werd hij hoofdredacteur van het Belgisch Dagblad, dat het orgaan werd van de anti-Vlaamse en groot-Belgische drijverijen en zich dan ook in het gestook dat mijn persoon betrof, in die geest onderscheidde. De tweede door mij bedoelde medewerker

[p. 304]

van Dr. M. Terwagne was een Vlaams atheneumleraar, die een actieve rol had gespeeld in de katholieke Vlaamse Studentenbeweging en van wie men beter mocht verwachten dan de geslepen wijze op welke hij de politiek van Vrij België hielp in verdenking brengen en die zich in zijn brieven naar Le Havre trachtte schuil te houden onder het nr. 234(123). Deze anti-Vlaamse opruiing, die mij tot haar hoofdonderwerp had gekozen, vond ook in vele comités van Belgische uitgewekenen een vruchtbaar terrein. Verschillende poogden zelfs mijn ontslag als secretaris van het Officieel Comité voor uitgewekenen te bereiken. Baron Fallon, onze gezant te Den Haag, aan wie het aan goede bedoelingen niet ontbrak, was niet de man die aan dit gehaspel een einde had kunnen stellen. Hij was geen krachtige persoonlijkheid, en onze taalaangelegenheden waren hem blijkbaar volkomen vreemd. Ik behoefde me evenwel aan dit dwaas gedoe niet veel te storen. Op mijn verder optreden heeft het niet de minste invloed gehad. Het werk dat ik als algemeen secretaris voor de vluchtelingen heb verricht, werd steeds onbezoldigd en zonder de minste vergoeding verricht.

(103)D.w.z. in het eerste nummer van Vrij België. Het Manifest, in juli publiek gemaakt, beslaat de eerste twee kolommen van p.10, en wordt gevolgd door een eerste bespreking ervan in het Berlijnse socialistische blad Vorwärts op 29 juli 1915.
(104)Dit protest lag in de lijn van het Manifest dat in Nederland in jul-aug. 1915 door F.V.C. c.s. was uitgegeven (cfr. vorige noot) en weigerde evenzeer van de Duitse regering gunsten te ontvangen, erkende het activisme niet en deed een oproep om tijdens de oorlog de taalgeschillen te laten rusten.
(105)Ons Leven, blad van de katholieke Vlaamse hoogstudenten te Leuven (o1888), verscheen niet tijdens de oorlog maar gaf samen met het Gentse zusterorgaan Hoogstudent als enig oorlogsnummer uit: Ons Leven - Hoogstudent. Oorlogsnummer 1914-1915-1916, Vlaamsche Boekenhalle te Leiden, 71 blz., 1917. In de loop van 1916 werd veel aan de voorbereiding ervan gewerkt, maar het verscheen pas begin 1917. Het citaat geeft feitelijk nagenoeg de hele inhoud weer van het stuk Aan Dr. Frans Van Cauwelaert p.54-55.
(106)Filip de Pillecijn, oHamme 25 maart 1891 †Gent 7 aug. 1962, promoveerde 1926 te Leuven in de Germaanse filologie, journalist, leraar en letterkundige; oorlogsvrijwilliger. In de Frontbeweging was hij o.m. secretaris van ruwaard Ad. Debeuckelaere (o1888) en gaf met Hendrik Borginon (o1890) in okt. 1917 Vlaanderen's Dageraad aan de IJzer uit.
(107)Jan Guldentops, oSint-Lambrechts-Woluwe 25 febr. 1891 †Vilvoorde 4 mei 1956, promoveerde in de geneeskunde te Leuven, 1914 oorlogsvrijwilliger, 1919-1944 gezondheidsinspecteur bij het ministerie van Volksgezondheid.
(108)Hilaire Gravez, oGijzegem 8 april 1889, studeerde geneeskunde te Leuven, tijdens Wereldoorlog i hulpdokter aan het IJzerfront, 1919 voorzitter van het nieuw gestichte Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond, mei 1929-1932 senator Frontpartij voor het arrondissement Oudenaarde-Aalst, mei 1936-1939 V.N.V.-senator voor het arr. Gent-Eeklo. Woont thans te Aalst. - Voor de studentenkring Amicitia, zie h.j. elias, Vijfentwintig jaar Vlaamsche Beweging, (Antwerpen, 1969), i, p.109-110.
(109)Hendrik V. D'Haese, oZegelsem 2 jan. 1889 †Genk 10 jan. 1952, 1914-1918 oorlogsvrijwilliger en o.m. medestichter van Heldenhulde, 1919 burgerlijk ingenieur te Leuven, 1919-1928 in staatsdienst, nadien stadsingenieur te Genk.
(110)Joris van Severen, oWakken 19 juli 1894 †(neergeschoten) Abbeville 20 mei 1940, studeerde twee jaar rechten te Gent, tijdens Wereldoorlog i officier (wegens Vlaamse actie gedegradeerd) aan het IJzerfront, nov. 1921-1929 volksverteg. van de Frontpartij voor het arr. Roeselare-Tielt, 1931 stichter van het Verbond van Dietsche Nationaalsolidaristen (Verdinaso).
(111)René van de Velde, oBelsele 13 oct. 1890, studeerde geneeskunde te Gent, promoveerde er in 1920, medestichter van Heldenhulde en rol in de Frontbeweging; bleef legerarts na de oorlog.
(112)Jozef (Jef) Verduyn, oRuddervoorde 23 nov. 1884 †Brussel 7 okt. 1936, promoveerde 1911 te Leuven in de geneeskunde, leidend figuur in de Frontbeweging, na de oorlog stichter en eerste voorzitter van de Vlaamsche Oudstrijdersbond (V.O.S.).
(113)Frans Daels, oAntwerpen 7 jan. 1882, studeerde geneeskunde te Leuven en te Gent en promoveerde in 1906, 1911 docent te Gent, 1920-1944 gewoon hoogleraar in de verloskunde en gynecologie. Woont thans te Gent.
(114)Aloïs Quintens, oSint-Truiden 26 mei 1889 †ald. 7 aug. 1960, promoveerde 1914 - juist vóór het uitbreken van de oorlog - tot doctor in de geneeskunde te Leuven, na de oorlog arts te Sint-Truiden.
(115)Kerlinga, vereniging van Limburgse studenten te Leuven.
(116)m.basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, 2 dln., Gent, 1930-1933, deel i, p. 165-166. (Noot F.V.C.).
(117)Maurice Maeterlinck, oGent 29 aug. 1862 †Nice 5 mei 1949, studeerde rechten te Gent en advocaat aldaar; sedert 1896 als letterkundige te Parijs gevestigd.
(118)Gérard Harry, oParijs (uit Engelse ouders) 3 maart 1856 †Brussel 17 nov. 1931, vestigde zich in 1876 te Brussel waar hij redacteur werd bij de Indépendance belge, liberaal dagblad; zelf stichtte hij er in 1894 de liberale krant Le Petit bleu. Tijdens Wereldoorlog i verbleef hij in Parijs en werkte er mee aan Le Petit Journal. Zijn artikel van 21 dec. 1914 heette L'Union morale et verbale des races en noemde het Frans een betoverend anti-germaans verbindingsteken.
(119)Raymond Colleye (pseudoniem voor Raymond De Weerdt), oBrussel 18 jan. 1890 †Vorst 9 april 1963, Waals dichter en essayist; als wallingant, stichter van de Revue française, die hij 1905-1907 bestuurde, en waarvan het werk werd voortgezet door La Wallonie, met Colleye als hoofdopsteller; in 1916 door de censuur opgeheven kwam kort daarop een heruitgave als L'Opinion wallonne. Zeer Fransgezind stuwden deze bladen aan op aansluiting bij Frankrijk. Op 20 juli 1914 publiceerde Colleye een ‘Appel aux Wallons’ waarin aanhechting bij Frankrijk werd gevraagd. Colleye werkte ook mee aan Ons Vaderland (Calais) en na de oorlog aan het Vlaams-nationale dagblad De Schelde.
(120)Of in de oorspronkelijke versie: ‘La Belgique de demain sera latine ou ne sera pas.’
(121)Uit basse, o.c., i, p. 166. (Noot F.V.C.).
(122)Met dit laatste wordt het ‘Officieel Belgisch Comité (ook Comiteit) voor Nederland/Comité Officiel Belge’ bedoeld.
(123)Hiermee wordt naar Leo van Puyvelde verwezen, oSint-Niklaas 30 juli 1882 †Ukkel 27 okt. 1966, in 1903 medestichter van het (derde) A.K.V.S., promoveerde 1905 te Leuven in de letteren en wijsbegeerte, 1912-1926 hoogleraar te Gent (maar tijdens Wereldoorlog i in Nederland), nadien tot 1952 te Luik, 1927-1948 hoofdconservator van de Koninklijke Musea van Schone Kunsten.
prepostterug  begin  verder