Is dat goed Nederlands?


auteur: Charivarius


editeur: Wim Daniëls


bron: Charivarius, Is dat goed Nederlands? Sdu Uitgevers, Den Haag 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. V]

‘Een groot man is Charivarius nooit geweest. Op geen enkel gebied heeft hij belangrijke ontdekkingen gedaan of nieuwe denkbeelden verkondigd. Maar wát hij gedaan heeft, als Charivarius of onder zijn officiële naam dr. G. Nolst Trenité: les geven, leerboekjes samenstellen, werken voor het dilettantentoneel als regisseur en schrijver, klassieken vertalen, de gebeurtenissen van de dag en het menselijk leven berijmen, strijden voor de zuiverheid van de Nederlandse taal - dat heeft hij even oorspronkelijk als geestig gedaan, zoo, dat duizenden en duizenden er door gepakt werden, er van genoten en er nut van hadden.’

 

Yge Foppema in 1946 bij de dood van Charivarius

[p. VII]

Inleiding

Zoals in ‘chapeau’ zo moet de ‘ch’ van Charivarius worden uitgesproken, althans zo deed Gerard Nolst Trenité het zelf volgens de mensen die hem gekend hebben. Sjarivarius dus, dat in familiekring ook wel verkort werd tot Sjar: oom Char.

Het pseudoniem Charivarius koos Gerard Nolst Trenité toen hij in 1909 - hij was toen 39 - startte met een taalrubriek in het weekblad De Amsterdammer, vanaf 1925 De Groene Amsterdammer geheten. De rubriek zelf noemde hij aanvankelijk Charivari, later Charivaria.

Zeker is het niet, maar waarschijnlijk ontleende Nolst Trenité zijn rubrieksnaam en pseudoniem aan de titel van het satirische Engelse tijdschrift Punch, or the London Charivari. De betekenis van dit ‘Charivari’ is ‘grappige kritiek’ of ‘afkeurend geluid’.

Het gezag van Charivarius

Charivarius signaleerde in zijn taalrubriek vooral taal- en denkfouten die hij in kranten en tijdschriften tegenkwam, en hij sprak er - vaak uitsluitend door spottende kopjes te gebruiken - zijn oordeel over uit1.

 

Onze classici

‘mutatio mutandro’

 

Op de glibberige paden der beeldspraak

‘In Drente en Groningen heeft de fabrieksaardappel zijn intocht gedaan.’

 

Onvriendelijke verzoeken

‘200ste en op veelvuldig verzoek beslist laatste voorstelling van Rubber.’

[p. VIII]

Paindeluxe-brood

‘Deze fout herhalen we nog altijd opnieuw.’

 

Taalverrijking

‘De geringiteit van de schade.’

 

Gaat dat zien! Gaat dat zien!

‘Hij meende dat hier dezelfde regeling zou toegepast kunnen worden als aan de ambachtsschool, waar een groot aantal leerlingen zonder hoofd zijn.’

 

Door zijn taalrubriek verkreeg Nolst Trenité als Charivarius grote bekendheid. En in vrij brede kring werd hij ook als een taalautoriteit gezien. Zijn rubriek werd bijvoorbeeld op scholen bij de lessen Nederlands besproken. En veel schrijvers, vooral journalisten, hadden in die tijd het gevoel dat hij over hun schouders meekeek als ze hun teksten schreven, zoals blijkt uit de volgende citaten:

‘Meer en meer komt de wereld - Charivarius vergeve ons - in het teeken der coöperatie in ruimeren zin te staan (...).’ (Vrijzinnig Democraat)

‘Zelfs Charivarius zal het ons vergeven, wanneer we zeggen dat de afgeloopen week in het teeken stond van den voetbalwedstrijd Holland-Uruguay.’ (De Haagsche Post)

‘Van Herbin hangen hier vele werken uit allerlei perioden van zijn kunstenaarsbestaan: vanaf (verontschuldigingen aan Charivarius) de tijd toen hij nog onder invloed stond van Claude Monet.’ (Utrechts Provinciaals en Stedelijk Dagblad)

‘Daar kun je van op aan. Drie voorzetsels achter elkaar. Ik hoor Charivarius brieschen (...).’ (nrc)

 

Max Nord schreef in Het Parool van 2 maart 1965 dat hij vlak voor de oorlog een hoofdredacteur in Den Haag kende die elke morgen over de redactiezalen rondging met de krant van de vorige avond, waarop met rode strepen stond aangegeven welke zonden tegen de taal waren begaan en onder welke afdeling van de rubriek Charivaria in De

[p. IX]

Groene Amsterdammer die thuishoorden. ‘Die Haagse hoofdredacteur’, aldus Nord, ‘was een goedmoedig en liberaal man, van wie ik begreep dat hij maar één grote angst kende in zijn leven: dat zijn eerbiedwaardige dagblad door Charivarius bespot en bestraft zou worden.’

Charivarius scheen in de journalistieke vrees voor zijn foutenverzameling wel een zeker genoegen te scheppen. Tegen journalisten die hij persoonlijk kende en die volgens hem in de voorbije week in de fout waren gegaan, zei hij soms op quasi ernstige toon: ‘Je staat er in vrijdag.’

De invloed van Charivarius blijkt ook uit een anekdote die Han G. Hoekstra in oktober 1946 in Vrij Nederland opdiste bij de dood van Charivarius: ‘Charivarius was de man die niet van aardbeien met slagroom hield. Niet omdat hij deze lekkernij zelve verafschuwde, maar omdat hij het plompe germanisme verafschuwde, dat de uitdrukking bevatte. Hij beval ons om te spreken van aardbeien met geklopte room. Wij hebben dat eens gedaan. In Het Gouden Hoofd op de Groenmarkt in Den Haag hebben wij zo argeloos mogelijk aardbeien met geklopte room besteld. De bediende keek ons eerst onderzoekend aan, daarna verhelderde een glimlach zijn gezicht. Hij kwam terug met het bestelde, plaatste het op ons tafeltje en zeide minzaam: “Een fijne portie aardbeie met slagroom voor menèèr!” Hij ging, met het denkbeeld het geheugen van den bezoeker ietwat te hebben opgefrist. Op dat ogenblik verrieden wij Charivarius. Wij zwegen lafhartig.’2

Kritiek op Charivarius

Er waren ook mensen die Charivarius minder serieus namen of kritiek op hem hadden. Sommigen hadden vooral moeite met het voorschrijvende karakter van zijn opmerkingen. Tegenwoordig krijgen taalkundigen die stellen wat goed en fout is het etiket ‘traditioneel’ of ‘prescriptief’ opgeplakt, waarmee men hen wil onderscheiden van de moderne of descriptieve taalcritici, die vooral oog hebben voor

[p. X]

de begrijpelijkheid van teksten en meer béschrijvend dan vóórschrijvend te werk gaan. Moderne taalcritici maken zich bijvoorbeeld niet druk om de woordkeuze ‘vanaf’ als die woordkeuze de begrijpelijkheid van een tekst niet belemmert.

Overigens bestond het onderscheid ‘prescriptief’ en ‘descriptief’ - zij het niet in deze terminologie - al ten tijde van Charivarius. Zo schreef de neerlandicus Yge Foppema op 19 oktober 1946 in De Groene Amsterdammer dat hijzelf ‘vroeger’ tijdens zijn opleiding tot onderwijzer te maken kreeg met leraren die Charivarius een overdreven taalzuiveraar vonden. ‘Men moest niet al te veel de taal willen voorschrijven hoe ze had te zijn, maar meer opmerken hoe ze was’, zo lichtte Foppema de mening van zijn vroegere leraren toe.

Behalve om zijn normatieve standpunt was er ook om een andere reden kritiek op Charivarius. De taalpater Gerlach Royen schreef in 1941 in het tijdschrift Taal en Leven dat Charivarius een scherp waarnemer was, maar dat hij er blijkbaar nooit toe was gekomen wat aandacht te schenken aan taalwetenschap. Royen - die Charivarius ook eens ‘een besmettelijke ziekte’ noemde - lichtte zijn opvatting vervolgens toe met een uiteenzetting over verkleinwoorden. Hij haalde onder andere het spellinghoofdstuk uit de eerste druk van Is dat goed Nederlands? aan, waarin Charivarius schrijft dat ‘laatje’ dikwijls ten onrechte men een ‘d’ wordt geschreven ‘doordat men denkt aan lade, snede en zode’.

Volgens Gerlach Royen was ‘laadje’ wel degelijk een acceptabele verkleinvorm. Hijzelf hanteerde - zoals hij het noemde - een uitstekende tweelingspelling: ‘laadje’ was in zijn ogen de verkleinvorm van ‘lade’ en ‘laatje’ hoorde bij ‘la’.

Gerlach Royens mening over het a-wetenschappelijk gehalte van Charivarius wordt - zonder verdere bewijsvoering - gedeeld door taalwetenschapper Joop van der Horst, die in het Biografisch Woordenboek van Nederland (1994, deel iv) het volgende schrijft: ‘Charivarius' gezag was niet gebaseerd op een grote kennis van zaken. Hij was namelijk gespeend van iedere wetenschappelijke belangstelling. Sterker nog: uit niets blijkt dat hij ook maar van de elementaire beginselen van de taalkunde op de hoogte was. De norm die Nolst Trenité

[p. XI]

aanlegde, was die van een op de spits gedreven soort logica en voor het overige die van het taalgebruik van zijn eigen deftige milieu. Erg zeker voelde hij zich niet: zijn boeken op taalkundig gebied legde hij bijvoorbeeld, alvorens ze te publiceren, eerst voor aan een leraar Nederlands. Naar buiten toe was van die onzekerheid overigens weinig te merken.’

 

Dat Charivarius gespeend was van iedere wetenschappelijke belangstelling is beslist te sterk uitgedrukt. Wel was hij meer iemand van de vrolijke en sterk op de praktijk gerichte wetenschap. Hij bestudeerde bijvoorbeeld het werk van de filosoof Schopenhauer om datgene wat hem daarin aansprak vrijmoedig en op rijm in het Nederlands te vertalen. En de vakliteratuur die hij voor de Engelse taal bestudeerde, verleidde hem niet tot het schrijven van een wetenschappelijke verhandeling over het Engels, maar tot het maken van oefenboekjes voor het leren van die taal.

Hij zou zeker ook zelf onmiddellijk hebben toegegeven dat hij geen diep doorwrochte artikelen en boeken schreef. Hij dacht over zijn taalkundig werk waarschijnlijk niet anders dan over zijn gedichten. En daarover was hij zeer relativerend, zoals blijkt uit een brief van 21 juni 1924 die hij schreef aan W. Moell, gemeentearchivaris in Den Haag: ‘Ik heb indertijd wel een verzoek ontvangen om wat (gedichten of dichtbundels, wd) af te staan maar ik ben altijd een beetje bang me belachelijk te maken met mijn dunne boekjes te midden van al die deftige letterkundigen (...).’

Dat Charivarius zoals Van der Horst opmerkt, naar buiten toe van zijn onzekerheid weinig liet merken, is evenmin helemaal waar. Zo zei hij in een interview met het Algemeen Handelsblad (19-7-1940) dat hij ‘heel langzaam schreef en met veel moeite’, en daarmee doelde hij zeker niet op een trage motoriek.

 

Het wetenschappelijke gehalte van Charivarius' werk stond ook centraal in een merkwaardig soort recensie die in december 1940 in het maandblad Onze Taal opgenomen werd. De aanleiding was Charivarius' boekje Is dat goed Nederlands?, dat de maand ervoor

[p. XII]

verschenen was: ‘Het boekje van Charivarius is er. - Het boekje van wie? - Van Charivarius. Van Nolst Trenité. - O...èn? - En? Wat en...? Moet je koopen, het kost een gulden. - Och, ik ben niet zoo erg Charivariusachtig; dat is te zeggen, niet zoo erg op zijn werk. Ik heb niets tegen den man; ik ken hem persoonlijk... o ja, dat mag ik niet zeggen hè? - Zeker, dat mag best. Ik ken hem niet alleen uit zijn geschriften, ik ken hem ook persoonlijk. - Goed; nou, het is een charmante vent, ik kan niet anders zeggen; maar zijn werk... - Ja? zeg het maar; wat is er met zijn werk? Verkeerd? - Verkeerd zal ik niet zeggen, maar het is dilettantenwerk; niet wetenschappelijk zie-je? - O juist; niet wetenschappelijk. Dus jij houdt het meer met wetenschappelijke werken? - Nee, dat nu niet zoo zeer; daar heb ik zoo geen tijd toe; en bovendien, die zijn mij wat te zwaar. Te zwaar om te verwerken en te zwaar om in mijn zak te steken. Ik lees namelijk alleen in den trein, zie-je. Thuis kom je daar zoo niet toe. - Precies. Te zwaar. Maar Charivarius deugt ook niet. Te licht hè? Weet-je wat jij nu eens moest doen? Koop jij nu dat boekje en dat lees je dan in den trein. En dan neem je een potlood en telkens als de man je nu wat al te onwetenschappelijk wordt, dan zet je er een kruisje bij. Een dun kruisje. En als je er doorheen bent, dan begin je weer eens opnieuw; en dan nog maar eens. En dan neem je een vlakelastiekje en overal waar je vindt dat je eigenlijk verkeerd een kruisje hebt gezet, daar vlak je het uit. Net zoo lang tot er geen kruisje meer staat dat er niet in hoort. Ik denk dat er niet zoo heel veel zullen blijven staan.’

Charivarius' vasthoudendheid

De lof en de waardering van het grote publiek die Charivarius ten deel vielen, zorgden ervoor dat hij zijn taalcolumn in De Groene Amsterdammer meer dan dertig jaar bleef schrijven. Het was in oktober 1940 dat er een einde aan kwam toen De Groene Amsterdammer vanwege de oorlog ophield te verschijnen. Charivarius zette zijn rubriek nog wel even in het Algemeen Handelsblad voort, maar het

[p. XIII]

enthousiasme was blijkbaar weg en na een jaar was de rubriek definitief ter ziele.

Een paar maanden voordat De Groene Amsterdammer tijdelijk van het podium verdween, werd Charivarius' 70e verjaardag door het blad nog opgeluisterd met een nummer dat speciaal aan hem gewijd was. Dat was het nummer van 20 juli 1940. ‘Hoe is het mogelijk’, schreef Anton van Duinkerken in zijn lange bijdrage daarin, ‘dat iemand zeventig jaar wordt met het ongewroken aanwijzen van allerhande stijlfouten in onze Nederlandse dagbladen, terwijl de wereld, die ons om zoo te zeggen omringt, de geweldigste veranderingen ondergaat?’

Het was geen al te serieus bedoelde vraag van Van Duinkerken. En het was een vraag die waarschijnlijk met Charivarius' instemming deels ook wel afgedaan zou kunnen worden met het aanhalen van een anekdote over de Oostenrijkse schrijver en journalist Karl Kraus, die eens in zijn werkkamer zat te werken toen er een vriend binnenstormde die riep: ‘Heb je 't gehoord, de Japanners hebben Sjanghai gebombardeerd!’ Kraus toonde zich niet erg onder de indruk van de mededeling, waarop de vriend zei: ‘Je schijnt de juiste plaatsing van een komma belangrijker te vinden dan dat Sjanghai gebombardeerd is.’ De reactie van Kraus was: ‘Als alle komma's op hun plaats zouden staan, zou Sjanghai niet gebombardeerd zijn.’

 

Voor de vasthoudendheid van Charivarius waarop hij in zijn vraag doelt, gaf Van Duinkerken echter ook zelf een verklaring in zijn artikel. Het komt omdat er zo weinig verandert, schreef hij. De domheid is eindeloos maar Charivarius blijft er toch tegen strijden omdat hij eigenlijk geen 70 wordt maar voor de zevende keer een jongetje van 10, die zich er heerlijk over verbaast dat de mensen alles zo verkeerd doen. Van Duinkerken voegde daar nog spottend aan toe: ‘Wij beloven hem dan ook namens allen die de pen hanteeren, dat wij zullen voortgaan met het schrijven van afschuwelijke narigheden. Niemand van ons zal hem teleurstellen met de bittere ervaring, dat er geen fouten meer gemaakt worden. Hij zal zijn plezier aan ons blijven beleven en wij verzekeren hem van harte, dat wij

[p. XIV]

kennis zullen blijven nemen van zijn opgeruimde verontwaardiging, even vol bewondering en even onverbeterlijk als wij ten zijnen opzichte jaar in jaar uit geweest zijn.’

In de Oprechte Haarlemsche Courant had een journalist de vasthoudendheid van Charivarius al veel eerder (op 15-8-1924) in andere bewoordingen verklaard: ‘Laat men niet denken, dat Charivarius maar iedere week voor zijn genoegen al die uitknipseltjes zit te verzamelen, alleen om het plezier een journalist op de vingers te tikken. Nee, er is daarvoor een veel diepere grond, het is zijn waarachtige verlangen om, door maar steeds op hetzelfde aanbeeld te hameren, tenslotte ook resultaten te bereiken: dat men er eens mee op zal houden.’

Charivarius' leven en loopbaan

De indruk die Van Duinkerken in zijn feestartikel in De Groene Amsterdammer van Charivarius wekte als zou het een man zijn geweest die zijn dagen enkel sleet met het op taalfouten van anderen letten en daar dan artikelen over schrijven, is niet correct. Charivarius had juist een nogal brede belangstelling. Zo was hij een groot liefhebber van toneel, dat hij ook zelf schreef en regisseerde en ook nog eens stimuleerde in zijn hoedanigheid van oprichter (in 1912) en bestuurslid van de Haarlemsche Tooneel Club. Verder was hij bestuurslid van een tennisclub en een coöperatieve keuken, een enthousiast biljarter, vertaler van klassieke werken, schrijver van schoolboeken en ook een bevlogen dichter. Daarnaast mocht Charivarius - hij was vrijgezel - graag op bezoek gaan bij vrienden en kennissen, zoals bij de schrijver Lodewijk van Deyssel. De letterkundige P.H. Ritter schrijft in zijn boek Ontmoetingen met schrijvers, dat Charivarius en Van Deyssel een omgang in grote stijl hadden. Zij waren in Haarlem bijna buren van elkaar. ‘Maar dat nam niet weg, dat als zij elkaar bezochten, een auto werd afgehuurd, waarin zij zich van de ene woning naar de andere begaven. Zij lieten zich dan bij elkaar plechtig aandienen.’3

[p. XV]

Dat Charivarius meer dan dertig jaar lang de vasthoudendheid had om een taalrubriek te schrijven, is wel verbazingwekkend als de aanloop naar die lange periode bekeken wordt. Vooral zijn studieperiode laat nog weinig standvastigheid zien.

Hij studeerde aanvankelijk klassieke talen in Utrecht, de stad waar hij in 1870 ook geboren was. Tijdens zijn eerste studiejaren stierven zijn ouders. De studie klassieke talen bevredigde hem niet en de jonge Gerard stapte over op een rechtenstudie. Hij behaalde daarvoor zijn kandidaatsexamen en koos als voortzetting een studie staatswetenschappen. Maar ook die brak hij af. Blijkbaar ontbrak hem een duidelijk toekomstperspectief of mogelijk was hij nog te onrustig voor het voltooien van een studie.

Hij wilde vervolgens weg uit Nederland en vertrok naar San Francisco, waar hij privé-docent werd van de kinderen van een Nederlandse familie. Zo'n twee jaar hield hij die baan vol. Daarna reisde hij via Japan naar Nederlands-Indië, waar hij een tijdje Engels en Frans gaf aan het gymnasium Koning Willem iii in Batavia. In 1896 keerde hij weer terug in Nederland.

Vanaf dat moment had hij wél voldoende rust om zich in iets vast te bijten. Hij pakte zijn studie staatswetenschappen weer op, studeerde af, koppelde er een promotieonderzoek aan vast en was daarmee in 1901 klaar, terwijl hij in de tussentijd ook nog een onderwijsakte Engels haalde.

Hij koos in 1901 voor een baan in het onderwijs, wat in die tijd vanzelfsprekend was na zo'n studie. Het waren de twee gemeentelijke hbs'en in Haarlem waar hij als leraar terechtkwam. Voor de rest van zijn leven zou hij ook in Haarlem blijven wonen, zelfs op hetzelfde adres: de Gedempte Oudegracht, waar hij op nummer 31 een huurhuis bewoonde.

Het lesgeven hield hij vol tot 1918. Een schildklierziekte noopte hem toen het onderwijs vaarwel te zeggen, al is het de vraag of hij dat gezien zijn schrijvende nevenactiviteiten bezwaarlijk vond. In de jaren twintig werkte hij nog een tijdlang op de redactie van De Groene Amsterdammer, maar verder had hij geen echte baantjes meer en leefde hij - op bescheiden voet - van de pen.

[p. XVI]

De publicaties

De schrijverscarrière van Gerard Nolst Trenité begon enkele jaren na het begin van zijn onderwijsloopbaan met de publicatie van leerboekjes voor de vreemde talen, vooral voor het Engels. Zo verscheen in 1906 het boekje The Nutshell; shortest English Grammar en in 1909 Drop your foreign accent. Nolst Trenité schreef in The Nutshell dat er in Nederland lang niet genoeg aan ‘tong- en lippengymnastiek’ werd gedaan. ‘Het gevolg is dat men het Engelsch, ook bij vrij groote kennis der taal, dikwijls zéér slecht uitspreekt.’

Verschillende van zijn schoolboekjes - hij schreef er ook voor de Duitse, Franse en Italiaanse taal, al waren dat enkel woordenlijsten - hebben het lang uitgehouden. Drop your foreign accent, met daarin het fameus geworden uitspraakgedicht ‘De Chaos’, kreeg zelfs in 1971 nog een herdruk, zij het van een bewerkte editie.4

Ook op het vakgebied waarop hij was gepromoveerd, staatswetenschappen, vestigde Nolst Trenité zijn naam. Dat was met het boek De grondwet met korte aantekeningen, dat in 1912 verscheen en waarvan in 1939 nog een herziene druk werd uitgebracht.

Zijn eerste boekje voor het grote publiek - onder het pseudoniem Charivarius - kwam in 1913 uit: de bundel Charivari, waarin een ruime selectie van de door hem verzamelde taalfouten uit kranten stond en een aantal gedichten die hij had geschreven. Nadien, in 1915 en 1916, verschenen de taalfoutencollecties nog in twee aparte bundels onder een iets gewijzigde titel: Charivaria.

In dezelfde periode publiceerde Charivarius ook vier bundels met daarin uitsluitend gedichten. Hij noemde die gedichten Ruize-Rijmen, een benaming waarin ‘ruize’ een door hem verfoeide uitspraak van ‘reuze’ was. Net als zijn taalfoutenverzamelingen waren ook de Ruize-Rijmen allemaal al in De Amsterdammer verschenen.

Over de uitgave van de tweede bundel Ruize-Rijmen kreeg Charivarius een ernstig conflict met zijn toenmalige uitgever. Dat conflict werd op de spits gedreven door een brief die Charivarius op 26 februari 1916 aan de uitgever schreef5:

[p. XVII]

‘Den Heer L. Simons, Amsterdam.

 

Mag ik u verzoeken de slordigheid te doen verbeteren in de mededeeling over de Ruize-rymen. “Voorradig” (hm!) zyn niet R-R, “2de druk, geheel nieuw uitgegeven en herzien”, maar 2de Bundel.

De 2de druk, geheel niuew uitgegeven en herzien, laat zich tot myn voortdurende ergernis nu al een half jaar wachten. In 8 maanden was de 1ste druk van 2000 ex. uitverkocht. Tegen myn zin, op uitdrukkelyk verzoek van Mr. Wiessing, weigerde ik de oorspronkelyke uitgevers een tweede druk. Had ik hen aan 't werk gelaten, dan was die 2de druk nu al een half jaar uit. Ik heb verder al herhaaldelyk op het drukken van de rest der Charivaria, die ik ook al in September persklaar zond, aangedrongen. De twee deeltjes behooren onafscheidelyk bij elkaar. Ik splitste alleen om handiger boekjes te krygen, maar gaf u daarby volstrekt niet de vryheid, de laatste zoo lang uit te stellen als u zou goeddunken. Het is een geheel, en by uw belofte uit te geven, had u zich zedelyk verbonden, de beide afdeelingen, die u tegelyk ontving, met het verzoek ze tegelyk uit te geven, te gelyk te doen verschynen. Ik zal nu weldra in staat zyn een 3de bundel te maken, maar ik kan u verklaren, dat er tegen op zie!

Ik verzoek u nu in het volgend nummer van de Amsterdammer te doen plaatsen een mededeeling, dat de tweede druk van de 1ste bundel Ruize-rymen nog niet verschenen is, maar ter perse; dat verschenen is de 2de Bundel. Dat voorts ter perse is een 3de bundel Charivaria, den inhoud waarvan men in de voorrede van den 2den bundel kan lezen.’

 

De brief die geen aanhef met ‘Geachte’ kent en ook geen afsluitgroet bevat, viel bij de heer Simons niet in goede aarde. Simons zond de brief door aan een van zijn medewerkers en zette er het volgende commentaar bij: ‘Amice, Ik wensch met dezen heer niets meer te doen te hebben. Wil jij svp de boekjes maar bij een ander laten drukken.’

 

De bundels met Ruize-Rijmen bevatten gedichten over actuele, veelal politieke kwesties, maar ook gedichten over taaleigenaardigheden en

[p. XVIII]

feestelijke gebeurtenissen. Een van de Ruize-Rijmen - opgenomen in de derde bundel (1916) - heet St. Nicolaasklacht en begint als volgt:

 
O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o jaarlijksche bezoeking!
 
U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!
 
O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,
 
Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos?
 
Die 'k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,
 
Omdat 'k, geleerd door droeve ondervinding, d'inhoud ducht;
 
Het angstzweet breekt me uit en ik sta op 't punt om te bezwijken,
 
Als 't voorwerp nakend voor mij ligt, en 'k durf haast niet te kijken:
 
Een kussen, dat 'k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,
 
Och kom, ik heb een vulpen, en zoo'n ding dat dient tot niets!
 
Een nare dure vaas - o jee, die moet j' ‘een plaatsje geven!’
 
En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk 't langste leven;

Zijn gedichten werden indertijd over het algemeen zeer positief onthaald:

‘Alleraangenaamste lectuur.’

‘Een kostelijke verzameling humor.’

‘Het cynisme, de lichte spot van Charivarius zijn levens-echt; dáárom juist verheft hij zich boven de gewone politieke tijddichtschrijvers.’

‘Smakelijke, pittige lectuur.’

‘In hun lossen trant zijn Charivarius' rijmen vaak opmerkelijk knap, handig en van een scherpen geest, waarvan men ook bij herlezing zeer genieten kan.’

Veel van de gedichten van Charivarius hebben intussen hun oorspronkelijke zeggingskracht verloren, wat natuurlijk zeker geldt voor de gedichten die uitsluitend de actualiteit van destijds tot onderwerp hebben. Het houdbaarst nog lijken sommige van zijn taalgedichten te zijn, zoals ‘rid- en runders’, dat in 1913 al in de bundel Charivari stond.

[p. XIX]
 
'k Zie schapen, witgewold,
 
'k Zie rid- en runders draven,
 
'k Zie vo- en vlegels zich
 
Aan wa- en bitter laven.
 
In 't mooie voorjaarsweer,
 
Gaan bloe- en ramen open,
 
'k Zie ieder met een bloem,
 
zelf schoo- met anjers lopen,
 
'k Zie ei- en beuken staan,
 
En dreu- en andre mussen,
 
'k Zie kro- en meisjes kussen.
 
Geen pneu- slechts harmonie:
 
De tweedracht wijkt voor vrede,
 
De ru- voor poëzie,
 
Juicht kin- en ouders mede!
 
Want len- en warmte is daar,
 
Mijn geest stijgt op, naar boven,
 
'k Wil nat- en morgenuur
 
Met vul- en lippen loven!6

Hoe Charivarius zelf over zijn dichterschap dacht, is al aangegeven met het citaat uit zijn brief van 21 juni 1924 aan de Haagse gemeentearchivaris Moell. Explicieter nog drukte hij zich over zijn dichtkunst uit in een opmerkelijk voorwoord dat hij in 1917 schreef in zijn vierde bundel Ruize-Rijmen:

‘Ook in dezen bundel geef ik ongeveer alle Rijmen, die wekelijks in de Nieuwe Groene verschenen. Ik doe ook hier weer geen keuze. Had ik willen schiften, dan waren de bundeltjes heel wat dunner geworden. 't Was me eenvoudig te doen om een nagenoeg volledige verzameling te krijgen van wat ik in deze richting gedaan en misdaan heb. Dit tot naricht van de kritiek - waarover ik intusschen weer lang geen klagen heb. Alleen Carel Scharten heb ik uit zijn humeur gebracht met mijn werk. Maar dat is zijn schuld. Hij heeft een zwaarwichtig stuk over me geschreven in de Telegraaf. “Grof”, “plat”, “aanmatigend” - de rest ben ik vergeten, en ik heb dat nummer van

[p. XX]

de Telegraaf niet bewaard, maar ziehier eenige van de invectieven, die uit de diepten van zijn booze humeur tegen mij oprispten. Hij merkt “verstilling” in enkele van mijn regels, mist die in andere, en windt zich daar dan geweldig over op. Ten onrechte. Ik doe nu eenmaal niet aan verstilling. Een dichter ben ik niet, en ik heb me er ook nooit voor uitgegeven. Ik berijm losse gedachten - krantengedachten meestal, en de krantenpassage zet ik er gewoonlijk eerlijk boven. Is iemand die dat doet, nu een dichter? En is 't niet dwaas van Scharten om mij in één rubriek met Boutens en dergelijke te behandelen? En heeft hij 't niet aan zichzelf te wijten, als hij bij 't lezen van mijn Rijmen een onaangenaam uurtje gehad heeft? Nee, kunst-critici, hetissers7, verstilzuchtigen, en andere - zoekt de verstilling elders. Hier wordt niet verstild. Ik maak geen aanspraak op meer dan een belangstellend praatje in de rubriek “Onze leestafel” of zoo. Bespreek me daar, en geef me er maar eens flink van langs, dat is wel eens goed voor me.’8

De ontvangst van Is dat goed Nederlands?

Na 1917 verschenen er nog andere dichtwerken van Charivarius, maar van een nieuwe taalfoutenbundeling zag hij af. Zijn taalrubriek in De (Groene) Amsterdammer bleef zoals gezegd wel bestaan en was volgens sommigen zelfs de meest gelezen rubriek van de vaderlandse pers.

Het boek Is dat goed Nederlands?, dat in november 1940 uitkwam, een maand nadat De Groene Amsterdammer opgehouden was met verschijnen, is duidelijk een afsluiting van die rubriek, al zette hij die dus nog wel even voort in het Algemeen Handelsblad. In de inleiding van de eerste druk van Is dat goed Nederlands? legt Charivarius ook duidelijk een link tussen zijn taalrubriek en Is dat goed Nederlands?: ‘Gedurende vele jaren heb ik wekelijks in de Groene een lijst geplaatst van de gebruikelijkste taalfouten. Ik toonde daarin hoe het niet moet, en dikwijls richtte men tot mij het verzoek nu ook eens te zeggen hoe het moet. Dit boekje is mijn antwoord.’

Bij latere drukken van Is dat goed Nederlands? verscheen ook nog

[p. XXI]

een oefenboekje, dat Charivarius samen met Foort Cornelis Dominicus9 samenstelde.

De ontvangst van Is dat goed Nederlands? was in brede kring zeer positief. Het dagblad De Tijd schreef: ‘Laten we zijn boekje warm aanbevelen; het verdient niet alleen groote belangstelling om zijn nut, maar ook om den frisschen en zakelijken betoogtrant en om den scherpzinnigen geest van den schrijver.’

De Haagsche Post hield het erop dat ieder die zijn Nederlands zuiver wilde houden, het boekje moest lezen. En dat vond ook de redactie van het Tijdschrift van de politie: ‘Dit zeer bijzondere boekje moet in het bezit zijn van ieder die feilloos wil schrijven en spreken.’

Het maandblad Onze Taal ging zelfs nog verder: ‘Meer dan twee procent van onze bevolking, misschien wel drie, zal er geen behoefte aan hebben; maar de overige 97 à 98 procent zullen het moeten koopen.’

De verschillende drukken van Is dat goed Nederlands?

In totaal kwamen er vanaf de eerste druk tot aan het overlijden van Gerard Nolst Trenité - 9 oktober 1946 - zeven drukken van Is dat goed Nederlands? uit. De zevende druk, waarvan voor deze uitgave gebruik is gemaakt, verscheen een paar weken voor zijn dood. In de eerste jaren na zijn dood werd het boek nog drie keer herdrukt: in 1948, 1949 en 1953. De totale oplage van het boek was enkele tienduizenden exemplaren. Is dat goed Nederlands? kan daardoor beschouwd worden als het eerste Nederlandse taaladviesboek dat onder de aandacht van een groot publiek kwam. Tegenwoordig wordt het boek gezien als de voorloper van de enorme stroom taaladviesboeken die later op gang is gekomen.

In veel van de taalboeken die in het spoor van Is dat goed Nederlands? zijn gepubliceerd, is de geest van Charivarius ook nadrukkelijk aanwezig. Soms zijn definities van Charivarius min of meer letterlijk overgenomen of er staan identieke voorbeeldzinnen in.

Onmiskenbaar Charivariaans in vrijwel elk taalboek is de benaming

[p. XXII]

‘tante betje’10 voor een bepaalde taalfout. Die benaming is door Charivarius rond 1918 in het leven geroepen. Naar eigen zeggen was het een vernoeming naar een echte tante Betje van hem (maar daarover verderop meer).

 

In vrijwel elke druk van Is dat goed Nederlands? bracht Charivarius wijzigingen aan. En ook na zijn dood was het met de wijzigingen nog niet gedaan. In de tiende druk, uit 1953, is bijvoorbeeld aangegeven dat het om een herziene en uitgebreide uitgave gaat. Waarschijnlijk was C.P.J. van der Peet uit Amsterdam, de uitgever van de tiende druk, verantwoordelijk voor de herziening en uitbreiding. De postume wijzigingen betroffen vooral door Charivarius nog afgekeurde woorden die inmiddels waren ingeburgerd.

 

Sommige wijzigingen in de eerste zeven drukken van Is dat goed Nederlands? hebben met de spelling te maken, bijvoorbeeld ‘zoodanig’ versus ‘zodanig’. Die spellingvariatie houdt verband met het feit dat Charivarius' boek verscheen in een tijd dat de spellingwijziging van 1934 pas in 1947 algemeen werd doorgevoerd (in België in 1946). In de periode tussen 1934 en 1947 leverde de halfslachtige spellingsituatie nogal eens verwarring op, vooral ook bij uitgevers.

Charivarius was echter al vroeg een modern speller. Hij was ook lid van de in 1891 opgerichte Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Spelling, waarvan R.A. Kollewijn de roerganger was. Toen aan Charivarius in 1934 gevraagd werd of hij voor- of tegenstander was van de spellingwijziging zei hij dat hij vóór was, ook al ging de wijziging lang niet zover als Kollewijn en dus ook Charivarius gewild hadden. Charivarius: ‘Mijn bezwaar tegen de oude spelling is, dat het leeren op school zooveel kostbaren tijd eischt, dat er veel te weinig tijd overblijft voor taal-onderwijs, oefening in zorgvuldige woordkeus, zuivere zinswending en vermijding van gemeenplaatsen. Dit zijn de drie hoofdzaken, dunkt mij, waaraan alle aandacht gewijd moet worden. Dat gebeurt nu niet. Lees maar eens een opstel van een student. En het doel, schrijven zonder spelfouten, wordt toch nooit bereikt.’11

[p. XXIII]

Charivarius voerde in de herdrukken van Is dat goed Nederlands? ook enkele wijzigingen door naar aanleiding van kritiek die hij op eerdere drukken had ontvangen. De al aangehaalde kritiek die hij bijvoorbeeld van Gerlach Royen kreeg op zijn veroordeling van de verkleinvorm ‘laadje’ bracht hem ertoe zijn opmerking daaromtrent in latere drukken te schrappen.

Charivarius had er ook geen moeite mee om gewag te maken van de invloed van anderen. Zo schreef hij al in de inleiding van de tweede druk, die een maand na de eerste uitkwam: ‘In deze herdruk is het boekje belangrijk gewijzigd. Ik heb bij de herziening dankbaar gebruik gemaakt van vele wenken mij door belangstellende lezers gegeven.’

De wijzigingen die Charivarius in de verschillende drukken doorvoerde, betroffen echter niet zozeer de spelling als wel de indeling van de hoofdstukken, andere hoofdstukkopjes (‘gemeenzame en vormelijke taal’ in plaats van ‘spreek- en schrijftaal’), extra voorbeelden en toelichtende zinnen, het schrappen van overbodige zinnen en het opnemen van een register.

De extra voorbeelden die Charivarius gaf, haalde hij ook niet meer uitsluitend uit kranten en tijdschriften. In de verantwoording van de eerste druk stond nog: ‘Al de verkeerde woorden en zinnen zijn ontleend aan de pers.’ In de vierde druk is die zin veranderd in: ‘Verreweg de meeste voorbeelden zijn ontleend aan de pers.’

De opmerkelijkste wijziging in de verschillende drukken van Is dat goed Nederlands? is een ogenschijnlijk detail, namelijk het woord ‘vergassen’. ‘Vergassen’ is natuurlijk een beladen woord, dat met een nieuwe, schrikbarende betekenis opgang maakte in de tijd dat Charivarius' boek volop verkocht werd. Het woord ontbreekt nog in de eerste drukken van Is dat goed Nederlands?, maar het staat wel in de vierde druk, die in november 1942 uitkwam.12 Charivarius nam ‘vergassen’ op in het hoofdstuk ‘Het juiste woord’. Hij gaf daarin aan dat het woord niet correct is. Wel juist was volgens hem: ‘door gas doden’.

Het komt bijzonder vreemd over dat iemand zich in een oorlogssituatie waarin tallozen vergast werden, druk kon maken om de vorm van het woord ‘vergassen’ zonder ook maar iets te schrijven over de

[p. XXIV]

afschuwwekkende werkelijkheid achter dat woord. Je zou zeggen dat het een ernstige vorm van bedrijfsblindheid moet zijn geweest, maar misschien of waarschijnlijk was het toch iets anders. Het woord ‘vergassen’ was in de tijd dat Charivarius aan Is dat goed Nederlands? werkte een woord dat al lang bestond en dat verschillende betekenissen had: in gas veranderen, in gas omzetten en met gas bewerken. Die laatste betekenis had betrekking op hout waarin bijvoorbeeld houtworm zat.

‘Vergassen’ in de betekenis van mensen door gas doden - althans op de wijze waarop dat in nazi-Duitsland gebeurde - was echter nieuw. En het lijkt die nieuwe betekenis te zijn waarop Charivarius in Is dat goed Nederlands? doelt. In een boekje openlijk je afkeer over de verschrikkelijke vernietigingsmethode van de Duitsers uitspreken, kon in die tijd uiteraard niet. Maar het feit dat Charivarius het woord opneemt en erbij opmerkt dat het ‘door gas doden’ moet zijn, zou je ook kunnen beschouwen als een poging het woord te ontdoen van zijn eufemistische karakter. In die zin zou het opnemen van ‘vergassen’ zelfs als een daad van verzet gezien kunnen worden, al is dat pure speculatie, want de vraag blijft natuurlijk of Charivarius in 1942 wel wist welke rampzalige betekenis ‘vergassen’ in de concentratiekampen had gekregen.

Wel is duidelijk dat Gerard Nolst Trenité weinig sympathie had voor de praktijken van de Duitse bezetter. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1914-1918, had hij zich in zijn gedichten duidelijk tegen de Duitsers uitgesproken:

 
Eens was ik pro-Duitsch - maar dat kun je niet blijven,
 
Als j'even bedenkt, wat ze doen,
 
Die Duitschers, in 't dwaze, doldriftige drijven,
 
Teg' ieder begrip van fatsoen.

Ook uit enkele brieven die van Nolst Trenité bewaard zijn gebleven, blijkt zijn afkeer van het nationaal-socialisme, zoals uit een brief van 4 augustus 1935 die hij schreef aan een kennis met nsb-sympathieën. In die brief stelt hij het volgende: ‘De hoofdzaak is dit: als je je bij

[p. XXV]

de nsb aansluit, geefje te kennen, dat je je geestelijke vrijheid voorgoed opgeeft en alle burgers helpt dwingen dat te doen.’

Het woord ‘vergassen’ verdween uiteindelijk nog wel uit Is dat goed Nederlands?. Maar dat was pas in de drukken die na Charivarius' dood verschenen, toen het werkelijk ongepast werd het woord uitsluitend op zijn taalkundige correctheid te beoordelen en het opnemen ervan ook geen eventuele verzetsdaad meer verried.

Kenmerkende aspecten van Is dat goed Nederlands?

Pleonasmen

Charivarius' eerste hoofdstuk in Is dat goed Nederlands? gaat over pleonasmen. Pleonasmen zijn uitdrukkingen of andere woordcombinaties waarin iets ten overvloede wordt gezegd. Een voorbeeld dat Charivarius geeft, is ‘felle vuurzee’. ‘Felle’ is hier, aldus Charivarius, overbodig omdat een vuurzee per definitie fel is.

Charivarius stelt dat een pleonasme de stijl overladen en dwaas maakt, ‘als twee klokken in een kamer’. Hij noemt het pleonasme de meestvoorkomende stijlfout en hij staat er dan ook uitvoerig bij stil.

In recente taaladviesboeken wordt veel milder over pleonasmen gedacht. Jan Renkema bijvoorbeeld merkt in zijn Schrijfwijzer (1995) op dat een pleonasme, mits goed gebruikt, de zeggingskracht van een mededeling kan verhogen. Van een ‘ronde cirkel’ bestrijdt hij zelfs dat het altijd een pleonasme genoemd kan worden: ‘Wanneer een peuter met veel moeite iets heeft getekend dat lijkt op een cirkel, kan een ouder zeggen: “Wat een mooie ronde cirkel heb jij daar getekend!”’

Renkema behandelt in de Schrijfwijzer ook de woordcombinatie ‘tijdig redden’, waarvan Charivarius zegt dat het ‘blaarblijkelijk onzin’ is. Renkema neemt ‘tijdig redden’ op in de voorbeeldzin: ‘De jonge bergbeklimmers werden tijdig gered uit de lawine.’ Volgens Renkema is dit niet per se een pleonasme of althans geen afkeurenswaardig pleonasme omdat de zin kan voorkomen in bijvoorbeeld een verslag over een ongeval met bergbeklimmers waarin staat dat redding voor

[p. XXVI]

oude bergbeklimmers niet meer mogelijk was vanwege te sterke bevriezingsverschijnselen.

Dat Charivarius zoveel aandacht schonk aan het pleonasme kwam ook doordat hij vond dat de studie van ‘deze fout’ zeer bevorderlijk kan zijn voor het verkrijgen van een goede stijl in het algemeen. Aandacht krijgen voor pleonasmen dwingt een schrijver elk woord terdege te beschouwen, aldus Charivarius. En aangezien het niet terdege beschouwen van alle woorden in Charivarius' ogen ‘de oorzaak van alle kwaad’ op stijlgebied vormt, was uitgebreid aandacht schenken aan pleonasmen voor hem dus heel vanzelfsprekend.

Buitenlandse woorden

Vrij uitvoerig staat Charivarius ook stil bij germanismen, anglicismen en gallicismen, termen die voor respectievelijk aan het Duits, Engels en Frans ontleende woorden staan. Daarnaast noemde hij sommige woorden nog uitheemse woorden, afkomstig uit andere dan de genoemde talen.

Er zijn nogal wat mensen bij wie Charivarius vooral te boek staat als een purist, iemand die zich met hand en tand verzet tegen elk woord uit een vreemde taal. Dat is beslist een ongenuanceerde kwalificatie. Charivarius heeft inderdaad vaak geschreven over de invloed van andere talen op het Nederlands en hij heeft aspecten van die invloed ook bij herhaling afgekeurd, maar nooit blindelings.

Over uitheemse woorden zegt hij bijvoorbeeld in Is dat goed Nederlands? het volgende: ‘Vreemde woorden die hun afkomst tonen zijn ongevaarlijk voor de taal, bv. invitatie voor uitnodiging, tragedie voor treurspel. Vele missen een Nederlands equivalent, bv. equivalent, en kunnen dan, soms naar ons taaleigen gefatsoeneerd (bv. gefatsoeneerd), onze taalschat verrijken.’

Dat Charivarius geen echte purist was, blijkt ook uit een ingezonden brief die hij in 1932 aan het dagblad Het Volk schreef. De brief was een reactie op wat een journalist over hem had opgemerkt. Charivarius: ‘De opmerking dat ik zou strijden tegen vreemde woorden heb ik meer vernomen, maar uitsluitend van hen die mijn werk niet kennen. De anderen weten dat ik het weren van vreemde woorden,

[p. XXVII]

die de taal verrijken, even onwenschelijk als onmogelijk acht. Ik strijd tegen taalverknoeiing.’13

Met die taalverknoeiing doelde Charivarius - als het om de invloed van andere talen ging - op het gebruik van vreemde woorden voor zaken waarvoor ook duidelijke(re) Nederlandse woorden bestonden, het vermengen van Nederlandse en vreemde woorden, het verkeerd vertalen van buitenlandse woorden en uitdrukkingen, het via een vreemde taal binnenhalen van ongebruikelijke werkwoordstijden en zinsconstructies en het onnodige gebruik van hoofdletters onder invloed van het Duits en Engels.

Charivarius' houding tegenover buitenlandse woorden blijkt ook uit een brief van de Nederlandsche Lawn-Tennis Bond van 13 augustus 1942. In die brief, die gericht is aan C. Vreedenburgh en geschreven door D. Croll, gaat het over een voorstel om de vele Engelse termen die bij het tennis gangbaar waren te vervangen door Nederlandse woorden (‘over de handsch’ in plaats van ‘smash’, ‘boogbal’ in plaats van ‘lob’, enz.). De bond had in deze kwestie ook advies gevraagd aan Gerard Nolst Trenité en diens opvatting wordt in de brief van 13 augustus 1942 aangehaald: ‘Wat vertaalbaar is, vertaal het, en laat de rest zooals het is.’

Meervoud op ‘s’

Dat een heruitgave van een taalboek uit de jaren veertig duidelijk maakt dat taal leeft en verandert, bewijst hoofdstuk 4 uit Is dat goed Nederlands?, dat over meervoudsvormen gaat. Charivarius schrijft daar dat zuiver Nederlandse zelfstandige naamwoorden op -e altijd een meervouds-n krijgen. Alleen ‘lentes’ noemt hij een uitzondering. In een nota bene voegt hij eraan toe: ‘In Centraal-Nederland is deze -n stom; ter verduidelijking zegt men daar in het meervoud meestal -s. Dit verklaart het misbruik van deze letter ook in de schrijftaal.’

Zo'n zestig jaar nadat Charivarius dit schreef, moet geconstateerd worden dat het s-meervoud stevig terrein heeft gewonnen bij zelfstandige naamwoorden die op een -e eindigen. Daarvoor lijkt overigens eerder een Zuid-Nederlandse invloed vanuit de spreektaal verantwoordelijk te zijn dan een Midden-Nederlandse.

[p. XXVIII]

Charivarius gaf destijds dertien voorbeelden van woorden op een -e die volgens hem uitsluitend een meervoud op -n hadden: bate, schade, belofte, bode, boete, gemeente, gevaarte, gewoonte, gezindte, groente, leemte, rede en ziekte. In het huidige ‘Groene Boekje’ vinden we voor al deze woorden, met uitzondering van ‘bate’ (baat-baten) meervouden op -s. Blijkbaar zijn er tendensen in de taal en het taalgebruik die zich niets aan voorschriften gelegen laten liggen.14

Fnaffers en fnuiters

Hoofdstuk 6 van Is dat goed Nederlands? gaat over voorzetsels. Charivarius verwerpt daarin de woordkeuze ‘vanaf’ en ‘vanuit’. Splits ze of schrap het overtollige ‘af’ en ‘uit’ is zijn devies. In zijn rubriek in De Groene Amsterdammer noemde hij de mensen die ‘vanaf’ en ‘vanuit’ geregeld gebruikten, de fnaffers en de fnuiters.

Charivarius' houding tegenover ‘vanaf’ en ‘vanuit’ werd een keer flink ondermijnd door een meisje van een gymnasium, dat hem bij een bepaalde gelegenheid vroeg of je ook een ‘fnaffer’ was als je schreef: ‘Zeus donderde vanaf de Olympus.’ Want Charivarius kon toch niet serieus menen, aldus het meisje, dat de zin moest luiden: ‘Zeus donderde van de Olympus af.’15

Tante betje

In hoofdstuk 10, ‘Woordschikking’, schrijft Charivarius over zijn vermaard geworden tante betje, een benaming voor een taalfout waarbij de woordvolgorde van een deelzin niet overeenstemt met de woordvolgorde van een eerder deel van de zin. De officiëlere term voor deze taalfout is ‘foutieve inversie’:

‘Heden bereikte ons uw geëerd schrijven en zullen wij u morgen het verlangde bedrag overmaken.’

‘Vanmorgen zijn de bestelde spullen binnengekomen en haasten wij ons u daarvan op de hoogte te stellen.’

 

Charivarius openbaart in Is dat goed Nederlands? dat hij deze fout lang geleden naar zijn toen reeds hoogbejaarde tante Betje heeft genoemd, omdat de fout al haar brieven sierde.

[p. XXIX]

In het novembernummer 1990 van het maandblad Onze Taal vroeg R.F. van Dijk zich echter af of Charivarius werkelijk een tante Betje heeft gehad. Van Dijk: ‘Charivarius was de schrijversnaam van de ongehuwde dr. Gerard Nolst Trenité, geboren op 20 juli 1870 te Utrecht als zoon van Jean Gideon Lambertus Nolst Trenité en Gerardina Essenius Greeff. Laatstgenoemde had een zuster Elisabeth Magdalena Cornelia, die echter al op 7 februari 1897 te Helmond overleed en dus niet in aanmerking komt. Aan vaderszijde was er Wilhelmina Elisabeth Trenité, geboren op 23 april 1837 te Rotterdam en overleden op 6 januari 1918 te Haarlem, op tachtigjarige leeftijd. In 1940 meldde Charivarius dat tante Betje op papier had gezet: “Zuster Keetje zit er vaak met haar breiwerk en knapt zij zienderogen op.” Nu heette geen der zusters of halfzusters van W.E. Trenité “Keetje”, maar mogelijk bedoelde zij een, blijkbaar ziekelijke, verpleegkundige.’

Op het artikel van Van Dijk reageerden twee familieleden van Charivarius: mr. A.S. Nolst Trenité en J.G. Nolst Trenité. De eerstgenoemde van wie Charivarius een oudoom was, schreef dat Charivarius' tante Wilhelmina Elisabeth door het leven ging als tante Willemien (Mina, wd) en dat zowel tantje Betje als zuster Keetje derhalve aan Charivarius' fantasie ontsproten moeten zijn.

Oomzegger J.G. Nolst Trenité, de zoon van een broer van Charivarius, dacht er evenwel anders over: ‘Een beetje merkwaardig stukje, dat “Wie was tante Betje?” (...) door R.F. van Dijk (...). Niet omdat hij de voornaam van mijn grootvader verkeerd spelt (moet zijn Jean Gédéon, niet Jean Gideon; Gédéon is de Franse versie van Gideon), maar omdat hij zonder veel reden twijfelt of tante Betje als vrouw van vlees en bloed ooit heeft bestaan. Toch voert Van Dijk zelf aan dat Gerard een (oude) tante had: Wilhelmina Elisabeth, geboren 23 april 1837, overleden 6 januari 1918. Dat was die tante Betje waarover Gerard schrijft. Hijzelf was toen 47 jaar oud en zij dus 80.’

Beide reacties verschenen in het januarinummer 1991 van Onze Taal. De familieleden wisten van elkaar niet dat ze een ingezonden brief hadden geschreven. Nadien hebben ze hun reacties wel met elkaar besproken. Het standpunt van A.S. Nolst Trenité werd toen toch het

[p. XXX]

aannemelijkst gevonden: Charivarius moet de naam voor de taalfout verzonnen hebben, omdat hij nooit een tante heeft gehad die Betje werd genoemd, al kan niet helemaal worden uitgesloten dat Charivarius zijn benaming ontleende aan de tweede naam van zijn tante Wilhelmina Elisabeth.

Charivarius' ‘tante betje’ heeft verschillende taalboekenauteurs verleid tot een frivole uitleg van de fout die ermee bedoeld wordt. Een van hen is J.C. van Wageningen, die in zijn boek Goed gezegd zo! (z.j.) het volgende schrijft: ‘Tante Betje (...) is de bijnaam voor een eerbiedwaardige oude dame, die echter het ongeluk heeft, een tikje mank te lopen. Velen valt dat niet op, maar zij, die van nature een goed oog hebben voor wanproporties en onevenwichtigheden, zien het drommels goed en ergeren zich er aan. Zij voelen iedere keer weer de neiging, dat ene - onwillige - been recht te trekken, zodat het gelijke tred gaat houden met het andere.... Dit lijkt misschien erg oneerbiedig en ongevoelig, maar het is begrijpelijk, want (en hier onthullen wij U het hele geheim van Tantes euvel): Tante simuleert! Het is geen aangeboren gebrek van haar, doch alleen maar een lelijk aanwendsel. Tante behoeft niet mank te lopen; zij zou heel goed “normaal” kunnen lopen als zij wilde. Zij schijnt echter te denken, dat deze abnormale loop bijzonder elegant is en haar een tikje voornamer maakt dan andere mensen...’

Van Wageningen had de indruk dat het tante betje als taalfout erg veel voorkwam (‘overal en op alle uren van de dag loopt U haar tegen het lijf’), terwijl in het veel eerder verschenen boek Onze eigen taal (1943) van de Taalclub al gespeculeerd wordt op de definitieve aftocht van tante betje: ‘Charivarius heeft dit familielid zo hardnekkig achtervolgt, dat het althans in de krant niet vaak meer voorkomt.’

Aanhalingen

Een bijzonder hoofdstuk in Is dat goed Nederlands? is het hoofdstuk ‘Aanhalingen’, waarin Charivarius foutief geciteerde aanhalingen van zegswijzen behandelt. Het hoofdstuk is bijzonder te noemen omdat het onderwerp ‘foutieve aanhalingen’ in andere taalboeken niet of nauwelijks te vinden is. Bovendien laat het hoofdstuk zien dat

[p. XXXI]

sommige zegswijzen heel hardnekkig foutief gebruikt kunnen worden en zich dan in hun foutieve vorm toch een volwaardige plaats in onze woordenschat weten te verwerven, alle waarschuwingen van taalmeesters à la Charivarius ten spijt.

Charivarius geeft in het hoofdstuk ‘Aanhalingen’ echter ook nogal wat voorbeelden van zegswijzen die volstrekt niet meer gangbaar zijn. En het is zelfs de vraag of die zegswijzen in Charivarius' tijd wel gangbaar waren.

Schopenhauer

Een curieus aanhangsel bij Is dat goed Nederlands? is het lange gedicht ‘De stijl’. In de inleiding van zijn boek merkt Charivarius over dat gedicht op dat het geënt is op de stijlopvattingen van de filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860). Die opvattingen zijn allemaal bij elkaar gezet in het Schopenhauer-Lexikon (1871) van Julius Frauenstädt. Charivarius blijkt sommige opvattingen van Schopenhauer nagenoeg letterlijk te hebben berijmd. Een paar voorbeelden.

 

Schopenhauer:

‘Wer nächlassig schreibt, legt dadurch zunächst das Bekenntnis ab, dass er selbst seinen Gedanken keinen grossen Wert beilegt.’

Charivarius:

‘Vermijd ook slordigheid. Want wie iets slordig zegt

Toont dat hij aan zijn denkbeeld weinig waarde hecht.’

 

Schopenhauer:

‘Die erste, ja schon für sich allein beinahe ausreichende Regel des guten Stils ist diese, dass man etwas zu sagen habe; damit kommt man weit.’

Charivarius:

‘Hetzij g' een schetsje schrijft, of een beschouwing schept,

Vooreerst moet vaststaan dat gij iets te zeggen hebt.

Hoe simpel lijkt dit woord, en hoeveel houdt het in!

Het zij van al uw schrijven basis en begin.’

[p. XXXII]

Schopenhauer:

‘Fremden Stil nachahmen heisst eine Maske tragen.’

Charivarius:

‘Wie zich tot het stelen van een anders stijl verlaagt

Is als de man op straat, die mom en masker draagt.’

 

Zo tamelijk letterlijk als in deze voorbeelden neemt Charivarius de stijlopmerkingen van Schopenhauer echter niet steeds over. In de eerste strofe bijvoorbeeld van het Aanhangsel-gedicht staat dat een slechte stijl geen zaak van de taal is maar een karakterfout. Schopenhauer drukte zich toch wat milder uit: ‘Schlecht schreiben heisst dumpf oder konfus denken.’ En in het slot van het aanhangsel geeft Charivarius een verwijzing naar de tijd waarin hij leeft, en dat is uiteraard een verwijzing die bij Schopenhauer ontbreekt:

‘Wij leven in een wilde, schreeuwerige tijd;

Is 't wonder dat de stijl daar droevig onder lijdt?’

 

Het stijlgedicht is typerend voor Charivarius' werkwijze. Hij was serieus in wat hij vond van de zaken waarover hij schreef, maar hij probeerde die zaken zoveel mogelijk op een speelse manier te brengen.

De toon van Charivarius

De speelsheid die kenmerkend is voor Charivarius en het innemende karakter dat sommigen hem hebben toegedicht - de neerlandicus Yge Foppema noemde hem bij zijn dood zelfs ‘de beminnelijkste aller mensen’ - staan in scherp contrast met de harde, soms impertinente toon die Charivarius in zijn werk kon aanslaan. In Is dat goed Nederlands? komt die toon naar voren in zinnen en zinsneden als:

‘Dit is blaarblijkelijk onzin.’

‘het hedendaagse wansmakelijke gebruik’

‘het verschrikkelijke woord zittenblijvers

[p. XXXIII]

‘De schriklijkste aller stoplappen’

‘Dit is oppervlakkige onzin.’

‘Dit is dwaasheid.’

‘Dit is beuzelpraat.’

 

Het is een toon die ondenkbaar is in hedendaagse taalboeken, waarin ook niemand zou durven schrijven dat een slechte stijl volstrekt geen zaak van de taal is maar een karakterfout. Charivarius haalt in Is dat goed Nederlands? ook hard uit naar de mensen die de opvatting huldigen dat bepaalde fouten die heel vaak gemaakt worden, niet meer echt als fout te beschouwen zijn. ‘Liegen wordt geen deugd doordat er veel leugenaars zijn’, zo schrijft hij.

Een soortgelijke vergelijking maakte hij eens als tegenwerping tegen de opvatting dat je journalisten hun taalfouten dient te vergeven omdat ze altijd zo gehaast moeten werken. ‘Dat is nu juist journalistiek’, aldus Charivarius. ‘Een pianist kan toch ook niet zeggen, dat het andante hem wel goed afgaat, en clementie inroepen voor het presto.’ (Algemeen Handelsblad, 19-7-1940)

 

Overigens was het vroeger niet ongebruikelijk de taalgebruikers ferm toe te spreken en een hard en ongenuanceerd oordeel over hen te vellen. In het ‘Groene Boekje’ uit 1954 valt bijvoorbeeld te lezen dat het boekje in de eerste plaats bedoeld is om de gewone mensen een norm te geven. En die gewone mensen waren dan ‘middenstanders en kleine ambtenaren, aan wier zelfstandig taalgevoel wij niet te veel moeten overlaten’.16

Bepaald ongenuanceerd was ook de toon die mr. F.B. Bakels aansloeg in 1956 in zijn boekje Goed taalgebruik: ‘Wij Nederlanders hebben vele eigenschappen waar het buitenland ons om bewondert, maar op het punt van taalgebruik komen wij tamelijk achteraan. Wie (zaken)brieven, reclameteksten, notulen, rapporten, (wetenschappelijke) boeken en dag-, week- en maandbladen leest, zal, indien hij taalgevoelig is, dikwijls zijn haren te berge voelen rijzen. Haast niets is werkelijk logisch opgesteld in goede taal met karig woordgebruik - haast niemand kan schrijven.’

[p. XXXIV]

Zo, zoals mr. Bakels, dacht Charivarius er zeker niet over, of in ieder geval drukte hij zich niet zo ontmoedigend uit. In de inleiding van Is dat goed Nederlands? zegt hij het ook: ‘De oorzaak van de meeste fouten is niet onkunde, maar onnadenkendheid.’ De soms wat pittige toonzetting in Charivarius' boek zal dan ook vooral bedoeld zijn om de mensen wakker te houden of wakker te schudden of - zoals iemand het in Charivarius' tijd eens uitdrukte - Charivarius' toon was het noodzakelijke bittere medicijn.

Verantwoording voor de gekozen editie

Tot slot van deze inleiding nog enkele opmerkingen over de druk die voor deze heruitgave is gebruikt. Gekozen is voor de zevende druk, die in september 1946 uitkwam, een maand voor Charivarius' dood. Net als enkele eerdere drukken is de zevende druk een herziene en uitgebreide uitgave, die gezien het tijdstip van verschijnen te beschouwen is als de uitgave waarover. Charivarius inhoudelijk uiteindelijk het meest tevreden moet zijn geweest. De drukken die na zijn dood nog verschenen, kwamen voor deze heruitgave niet in aanmerking omdat daarin door anderen wijzigingen zijn aangebracht.

De zevende druk is integraal overgenomen. Dat betekent ook dat de fouten in de inhoudsopgave zijn blijven staan. Een van die fouten is een volgordekwestie: het hoofdstuk ‘Aanhalingen’ staat in de inhoudsopgave vóór de hoofdstukken ‘Spelling’ en ‘Leestekens’, maar in het boek zelf is het na die twee hoofdstukken opgenomen. De inhoudsopgave bevat ook een foutieve paginaverwijzing bij een aantal hoofdstukken en één hoofdstuktitel die niet exact overeenstemt met de werkelijke hoofdstuktitel. Het zijn slordigheden die de taalverzorger Charivarius pijn zullen hebben gedaan, als hij ze zo kort voor zijn dood tenminste nog heeft opgemerkt.

 

Wim Daniëls