Een woord kan niet in twee naamvallen tegelijk staan, kan niet zowel onderwerp als voorwerp zijn. Twee
door en verbonden werkwoorden die verschillende naamvallen vragen, vorderen dus twee woorden, elk in zijn vereiste naamval; het tweede woord kan dan een synoniem of een voornaamwoord zijn.
Die brief is niet tot mij gericht en beantwoord ik dus niet.
Brief is onderwerp van gericht worden en voorwerp van beantwoorden, nominatief en accusatief tegelijk. Schrijf:
Die brief is niet tot mij gericht; dat stuk beantwoord ik dus niet.
Die brief is niet tot mij gericht; ik beantwoord hem dus niet.
| Nominatief-accusatief | Accusatief-nominatief |
|---|---|
| Dit was blijkbaar een vergissing en zag ik daarom gaarne door de vingers. De reden is duidelijk en behoef ik niet te herhalen. Die rol voegt ons niet en wenschen wij ook niet. Een beschrijving zou te kort schieten en laat ik achterwege. Het gevaar is in ons land niet te duchten en acht spreker onmogelijk. Brieven worden niet bezorgd maar kunt u afhalen. Dit woord leek me onjuist en schrapte ik dus. Wat is en waarvoor onderwijst men de Geschiedenis? |
Dit feit betreuren wij zeer en stemt onwillekeurig wrevelig. Dat heeft nog niemand durven beweren en schijnt ook wel zeer ongerechtvaardigd. Zulke uitingen kan men elken dag in Egypte horen en doen het land veel kwaad. Veel van deze wijzigingen vinden wij leelijk en kwetsen ons taalgevoel. Die aquarellen zag ik thans voor het eerst en waren een verrassing voor mij. Verdere inlichtingen bevat de Staatscourant en kunnen overigens worden bekomen bij het Departement van koloniën. |
Hier verschijnt de fout bijna uitsluitend in de volgorde accusatief-nominatief.
Taalschut is een werk dat ieder moet bezitten en in geen boekenkast mag ontbreken.
Onze taal is armoedig met al die moderne woordjes als ‘een verveeld gebaar’, wat je tegenwoordig dikwijls leest, maar volslagen onzin is.
Groot is het aantal folterwerktuigen die men er kan zien en dienden om een bekentenis af te dwingen.
Er zijn twee leegstaande verdiepingen die de winkelier zou gaan bewonen en juist geheel waren opgeknapt.
Wat de Regeering niet mededeelt, doch onmiddellijk blijkt, is dat de schepen zich naar de Middellandsche zee begaven.
Hij bezat teekeningen die men zeer zelden ziet en in Holland absoluut onbekend zijn.
Maar dat uw landje zoo groot zou zijn heb ik nimmer kunnen vermoeden en dringt nu pas goed tot mij door.
Dat de tijd hiervoor is gekomen zal iedereen moeten toegeven en wordt ook in het bedrijf in praktijk gebracht.
Nadat ik hem getroost en goeden raad gegeven had vertrok ik.
Troosten heeft de accusatief, geven de datief; hem staat hier dus in twee naamvallen: ook hier moet een woord worden ingevoegd:
Nadat ik den gevangene getroost en hem goeden raad gegeven had, vertrok ik.
| Nominatief-datief | Datief-nominatief |
|---|---|
| De spreekster werd ingeleid en dank gezegd door den voorzitter. De jongen werd betrapt en ernstig de les gelezen door den rechter. |
De inspectrice is geen werk te zwaar en controleert alles zoo nauwkeurig mogelijk. Vele vrouwen werd de aandoening te machtig en barstten in snikken uit. |
| Accusatief-datief | Datief-accusatief |
| Verdachte had het meisje op de markt aangevallen en met een mes een aantal steken toegebracht. Ik erken dat zijn conversatie mij boeit en behaagt. |
Hij heeft haar wel het hof gemaakt, maar niet ten huwelijk gevraagd. Gij moet hem de behulpzame hand bieden en niet tegenwerken bij zijn zwaren strijd. |
N.B. Gemakkelijk sluipt deze fout in opsommingen:
Zij doorzochten het huis, waarna zij de vrouw vastbonden, een prop in de mond stopten en blinddoekten.
De verwarring nominatief-genitief komt minder dikwijls voor, doordat het verschil in de vorm der relatieven (die, wier, wiens) den schrijver gewoonlijk waarschuwt.
Toen kwam een jonge man, wiens vader door de hand des boekaniers gevallen was en bij zijn graf plechtig zwoer hem te zullen wreken.
De volgende zin, die er oppervlakkig lang niet lelijk uitziet, vertoont bij nadere beschouwing een samenpersing der vier naamvallen in één relatief:
De edele vrouw, wier beide kinderen in den oorlog waren omgekomen en haar gansche vermogen aan onze stichting vermaakte, leeft in onze harten voort en zullen wij nimmer vergeten, noch de tol onzer dankbaarheid onthouden.