terug  begin  verderprepost

XX. Spelling

1. Brei, van breien
Brij, pap
Eiken, bomen
IJken, toetsen
Karwei, werk
Karwij, komijn
Neigen (neigde, geneigd), overhellen. Zie bl. 31.
Nijgen (neeg, genegen), buigen als groet of eerbewijs
Peil, hoogtemerk
Pijl, werptuig
Peilen, de diepte meten
Pijler, pilaar
Rei, rondzang
Rij, reeks
Steigeren, paardenbeweging
Stijgen, rijzen
Steil, bijna loodrecht
Stijl, pilaar, schrijfwijze
Uitweiden, breed omschrijven
Verwijden, wijder maken
Veil, te koop
Vijl, werktuig
Vleien, to flatter
Vlijen, neerleggen (In het gevlij, terwille)
Weids, luisterrijk
Wijd, niet nauw
Een leven leiden (mener une vie, to lead a life)
N.B. De y, zeer in gebruik bij schilderwerk (Dd.) en tikwerk (voor het gemak) is geen Nederlandse letter. Tik i en j of laat op uw schrijfmachine de ij aanbrengen.
Aambeeld, onjuist voor aanbeeld.
2. Aardde, van aarden
Evenaarde, van evenaren
Graad, degré
Graat, visbeen
Hoofs, hoffelijk
Blootshoofds
Kruid, gewas
Kruit, buskruit
[p. 87]
Leidraad, voor geleidraad. De d vervalt naar analogie van leiboom, leistang.
Noords, noordelijk
Noors, uit Noorwegen
Raad, advies
Raat, waskoek

3. Krabt, krabde, gekrabd, getrapt, getobd, geschopt, geschubd, gevonnist, behept. Verstomd (stom), verstompt, (stomp)

4. Aanvaardde, ontwaarde; schitterendste, bekrompenste, dikste, geschiktste; ervarenste, welvarendste

5. Aanwensel (wennen), voorwendsel (voorwenden). Woordvoerster, bestuurster, vereerster.

6. Laatje, sneetje, zootje van la, snee, zoo

N.B. De Minister speldde hem de medaille op de borst en de zetter spelde speldde verkeerd.

7. Toets de plaatsing der stomme t aan een analoge vorm waar zij gehoord wordt.

Je neemt: je vindt - neem je: vind je
je nam: je deed - nam je: deed je
u neemt: u houdt - neemt u: houdt u
u nam: u had - nam u: had u
De gij-vormen (gij naamt, meendet gij, enz.) hebben dus steeds t: gij vondt, vondt gij; gij hadt, hadt gij.

8. Brodeloos, breidelloos; dadelijk, adellijk; lijdelijk, ijdellijk; weldadig, gewelddadig; logenstraffen, onloochenbaar; ontzaglijk, hachelijk; gelach (het lachen), gelag (vertering).

9. Boud, bijdehand. Men zegt, en schrijve dus: boute, bijdehante.

10. Heuglijk, ontegenzeglijk, onmiddellijk; dienovereenkomstig, dien(s)volgens, heel(s)huids; enigszins

11. Ten aanhoren, ten aanschouwen, ten genoegen (het aanhoren, het aanschouwen, het genoegen) - ten gerieve (het gerief). Verg. ten aanzien, ten overstaan.

[p. 88]

12. Aaneengeschreven worden:

a.kennelijke eenheden, bv. zoveel te, totnogtoe, (maar tot nu toe); tweemaal, tweekeer (Lat. bis), maar: twee malen, twee keren
b.samenstellingen met hier, daar, waar; niet met er
c.tweehonderd, enz., maar: twee duizend, enz.

prepostterug  begin  verder