| 1. Brei, van breien |
| Brij, pap |
| Eiken, bomen |
| IJken, toetsen |
| Karwei, werk |
| Karwij, komijn |
| Neigen (neigde, geneigd), overhellen. Zie bl. 31. |
| Nijgen (neeg, genegen), buigen als groet of eerbewijs |
| Peil, hoogtemerk |
| Pijl, werptuig |
| Peilen, de diepte meten |
| Pijler, pilaar |
| Rei, rondzang |
| Rij, reeks |
| Steigeren, paardenbeweging |
| Stijgen, rijzen |
| Steil, bijna loodrecht |
| Stijl, pilaar, schrijfwijze |
| Uitweiden, breed omschrijven |
| Verwijden, wijder maken |
| Veil, te koop |
| Vijl, werktuig |
| Vleien, to flatter |
| Vlijen, neerleggen (In het gevlij, terwille) |
| Weids, luisterrijk |
| Wijd, niet nauw |
Een leven leiden (mener une vie, to lead a life)
N.B. De y, zeer in gebruik bij schilderwerk (Dd.) en tikwerk (voor het gemak) is geen Nederlandse letter. Tik i en j of laat op uw schrijfmachine de ij aanbrengen.
Aambeeld, onjuist voor aanbeeld.
| 2. Aardde, van aarden |
| Evenaarde, van evenaren |
| Graad, degré |
| Graat, visbeen |
| Hoofs, hoffelijk |
| Blootshoofds |
| Kruid, gewas |
| Kruit, buskruit |
| Leidraad, voor geleidraad. De d vervalt naar analogie van leiboom, leistang. |
| Noords, noordelijk |
| Noors, uit Noorwegen |
| Raad, advies |
| Raat, waskoek |
3. Krabt, krabde, gekrabd, getrapt, getobd, geschopt, geschubd, gevonnist, behept. Verstomd (stom), verstompt, (stomp)
4. Aanvaardde, ontwaarde; schitterendste, bekrompenste, dikste, geschiktste; ervarenste, welvarendste
5. Aanwensel (wennen), voorwendsel (voorwenden). Woordvoerster, bestuurster, vereerster.
6. Laatje, sneetje, zootje van la, snee, zoo
N.B. De Minister speldde hem de medaille op de borst en de zetter spelde speldde verkeerd.
7. Toets de plaatsing der stomme t aan een analoge vorm waar zij gehoord wordt.
Je neemt: je vindt - neem je: vind je
je nam: je deed - nam je: deed je
u neemt: u houdt - neemt u: houdt u
u nam: u had - nam u: had u
De gij-vormen (gij naamt, meendet gij, enz.) hebben dus steeds t: gij vondt, vondt gij; gij hadt, hadt gij.
8. Brodeloos, breidelloos; dadelijk, adellijk; lijdelijk, ijdellijk; weldadig, gewelddadig; logenstraffen, onloochenbaar; ontzaglijk, hachelijk; gelach (het lachen), gelag (vertering).
9. Boud, bijdehand. Men zegt, en schrijve dus: boute, bijdehante.
10. Heuglijk, ontegenzeglijk, onmiddellijk; dienovereenkomstig, dien(s)volgens, heel(s)huids; enigszins
11. Ten aanhoren, ten aanschouwen, ten genoegen (het aanhoren, het aanschouwen, het genoegen) - ten gerieve (het gerief). Verg. ten aanzien, ten overstaan.
12. Aaneengeschreven worden:
| a. | kennelijke eenheden, bv. zoveel te, totnogtoe, (maar tot nu toe); tweemaal, tweekeer (Lat. bis), maar: twee malen, twee keren |
| b. | samenstellingen met hier, daar, waar; niet met er |
| c. | tweehonderd, enz., maar: twee duizend, enz. |