a.g.m. claassen

nicolás antonio piña-lampe werd op 6 december 1921 geboren in Tocopero, Venezuela. Hij was op Aruba komen wonen, waar hij zich vereenzelvigde met de plaatselijke bevolking. Om die reden plaatste hij de naam van zijn Arubaanse moeder achter de zijne. In 1945 huwde hij met Brunilda Maria Haydee Vicioso, die afkomstig was uit Ciudad Trujillo in de Dominicaanse Republiek.
Piña wilde zich bewust in het Papiaments uitdrukken. Daarom richtte hij samen met anderen het tijdschrift Simadan op, waarmee hij ook literair vorm wilde geven aan de Papiamentse taal. Simadan is een woord van het eiland Bonaire wat staat voor een oogstdans. Met de keuze van het woord simadan wilde de redactie benadrukken, dat men een rijke bloei van het Papiaments verwachtte. De oogst daarvan was bestemd voor het blad. Van dit literaire tijdschrift zijn echter slechts drie afleveringen verschenen, in januari 1950, januari 1951 en oktober 1961.
Nicolás Piña dichtte in het Engels, Nederlands, Papiaments en Spaans. Als hij publiceerde gebeurde dat hoofdzakelijk in het tijdschrift Simadan en in Antilliaanse Cahiers.
Piña werd op 1 juli 1967 vermoord in de wijk Tarabana van Oranjestad. Dit tragische einde deed hem uitgroeien tot een legendarische figuur. Helaas is zijn werk slechts fragmentarisch in tijdschriften en kranten gepubliceerd. We kunnen slechts gissen naar wat hij totaal aan poëzie heeft nagelaten.
Wellicht geeft een van zijn Spaanstalige gedichten een verklaring voor zijn geringe hang naar publiciteit en het feit, dat hij nooit tot bundelen is gekomen. Hij schrijft:
Llevo en mi mil poemas que no he escrito.
Duizend gedichten, die ik niet heb geschreven, draag ik in mij mee.
kosecha gaat over de aankondiging, dat de maïs zal worden geoogst. Het gedicht valt uiteen in drie gedeelten. In de eerste strofe beschrijft de dichter de bestaande situatie van het gewas. In de tweede geeft hij een terugblik op het groeiproces. De derde strofe gaat over het uitzien naar de oogst. We behandelen nu de drie strofen als heden, verleden en toekomst.
In de eerste vier versregels vinden we de tegenstelling tussen ‘schitteren’ en ‘neergeslagen liggen’. De lezer kan dit associëren met de afwisseling van voor- en tegenspoed, die aan het leven verbonden is. Door de glans van de eerste twee regels komt de personificatie in de vierde regel des te indringender over. Door het eindrijm ‘kla’ en ‘kansá’ in de regels 2 en 4 krijgt deze tegenstelling nog een extra accent. Het woord uitgeput (kansá) staat in contrast met het felle zonlicht.
Nan ta drumi tur kansá (r 4). Deze regel kan ook worden vertaald als: Ze slapen helemaal uitgeput. Op ‘nan ta drumi’ sluit het mijmeren over het verleden in de tweede strofe goed aan.
In de tweede strofe treffen we in de beginregels weer een personificatie aan. Maïskolven wordt de eigenschap toegedicht te kunnen denken en bescheiden te kunnen zijn. Het is hun toch maar gelukt om ondanks de felle zon en het gebrek aan water te groeien. Ondanks deze omstandigheden is er de rijkdom van de te oogsten maïs. Weer een tegenstelling dus. Het dubbel eindrijm in de regels 6 en 8 (‘penitensha’ en ‘eksistensha’) en het binnenrijm van regel 7 accentueren deze tegenstelling.
De feestelijke muziek, dans en zang, die op de Antillen het oogstfeest begeleiden, staan in contrast met de vaak schrijnende armoede, die de agrarische gemeenschappen op de Benedenwindse eilanden in het begin van de twintigste eeuw nog kenmerkte. De maïs wordt hier gebruikt ter illustratie van de levensomstandigheden van het gros van de toenmalige bevolking.
In de derde strofe werkt de dichter de hiervoor beschreven gedachtengang verder uit door te wijzen op de oogststoet (r 17), gesitueerd in een karig bestaan van hard werken (r 11 en 12).
Deze lange strofe gaat over de naaste toekomst (mas aworó). In de versregels 11 en 12 en verderop vergelijkt Piña het leven van de maïs met
dat van de plaatselijke boeren, wat blijkt uit de opsomming van lokale elementen als de muziekinstrumenten en de tambú, een dans. In regel 12 lezen we ‘lo kòrta’, letterlijk: zullen worden afgesneden. Zo wordt ook het leven van een mens eens afgesneden. ‘Di mes un suèrte ku nan’, regel 12 van de vertaling. Deze vergelijking van het menselijk bestaan met maïskolven is de kern van het gedicht en wordt in de vorm benadrukt door de rijmen ‘aworó’, ‘trahadó’ en ‘doló’.
De bestemming van de maïs verschaft de mens vreugde, zoals de slotregels uitdrukken. De maat van ijzeren instrumenten sluit aan bij het oogsten zelf. Het geloei van de hoorns (r 14) brengt de overgang naar het tromgeroffel, de oogstmuziek. De dans tambu is van Afrikaanse oorsprong en houdt verband met de Afrikaanse inslag van de Antillianen, waarop ook dichters als Frank Booi en Henry Habibe zinspelen. Muziek en dans, hartstochtelijke vrouwen en oogst zijn beelden die goed bij elkaar passen.
Piña wil de lezer voorhouden, dat het aardse bestaan, hoe schraal ook, ten doel heeft te dienen. Onwillekeurig dringt zich de parallel op tussen ‘kosecha’ en ‘simadan’, het feestelijk binnenhalen van de maïsoogst. Ondanks de schrale voedingsbodem verwacht Piña van initiatieven als het oprichten van het tijdschrift Simadan een rijke oogst aan lokale, literaire werken.