De dichter henry habibe werd op 6 mei 1940 geboren op Aruba. Op dit eiland bezocht hij de lagere school en de mulo. In 1956 vertrok hij naar Nederland en behaalde in 1961 het diploma hbs B aan het Carmellyceum te Oldenzaal. In 1965 deed hij staatsexamen Gymnasium B, waarna hij aan de rijksuniversiteit te Leiden Spaanse taal en letterkunde ging studeren. In 1971 studeerde hij in dit vak af aan de universiteit van Nijmegen met als bijvakken Portugees en culturele antropologie. In hetzelfde jaar keerde hij naar Aruba terug, waar hij als leraar Spaans zes jaar werkzaam was aan het Colegio Arubano. In 1977 vertrok hij met een subsidie van de stichting wotro naar Puerto Rico om aan de universiteit van Río Piedras wetenschappelijk onderzoek te verrichten over de sociale aspecten van de Afro-Antilliaanse poëzie van Cuba en Puerto Rico
Van 1979 tot 1982 was hij als docent in de Spaanse taal verbonden aan het instituut A.V.O in Den Haag, waar hij samen met anderen de cursus tolk-vertaler verzorgde. Terzelfder tijd gaf hij in Den Haag les aan de Pedagogische Academie Cor Mariae. In 1983 vertrok hij naar Curaçao, waar hij als literator en stafmedewerker emplooi vond bij het Instituto Lingwístiko Antiyano. Op 26 juni 1985 promoveerde Habibe in Leiden tot Doctor in de Letteren op het proefschrift ‘El compromiso en la poesía afroantillana de Cuba y Puerto Rico’.
Habibe was ook de grote promotor van Watapana, een literair tijdschrift waarin gedichten, essays, kritieken en linguïstische verhandelingen over het Papiaments werden gepubliceerd. Het verscheen van 1 juli 1968 tot september 1972 drie maal per jaar. Het was het tijdschrift van de Antilliaanse jongeren in Nederland, die op zoek waren naar een eigen identiteit. De medewerkers waren voor het merendeel Arubanen. Henry Habibe was een van de Arubaanse redactieleden en publiceerde regelmatig bijdragen.
Het gedicht lanta para, watapana verscheen in het eerste nummer van Watapana, juli 1968. De thematiek van het gedicht is dezelfde als die van het eerder onder de schuilnaam Spártaco geschreven gedicht ‘Bouquét di silencio’. ‘Lanta para, watapana’ heeft echter een grotere zeggingskracht doordat de thematiek in dit gedicht met minder woorden in een strakkere vormgeving van twee maal zeven regels tot uiting komt.
De Watapana, of dividivi, is de meest karakteristieke boom in het Arubaanse landschap. Habibe ziet de door de voortdurende passaatwinden scheefgegroeide en klein gehouden boom als een symbool van het Arubaanse volk, dat gebukt gaat onder historische invloeden van buitenaf en onder bestaande taboes. Hij schopt telkens tegen deze omstandigheden aan en voelt zich als het ware een watapana, die in opstand komt tegen de passaat van een duffe moraal.
Het tijdschrift Watapana is opgericht doordat het gedicht ‘Lanta para, watapana’ in 1966 door de redactie van het tijdschrift Kambio werd geweigerd. Waarschijnlijk vond de redactie het niet politiek genoeg. Dit is nogal verbazingwekkend, want het gaat hier wel degelijk om een politiek vers, al is de inhoud zeer subtiel verwoord.
‘Lanta para, watapana’ is volledig gebaseerd op personificatie. De watapana is neer gebogen en zou zich moeten oprichten. In regel 6 en 7 trekt de dichter een vergelijking met de vrij in de natuur voorkomende cactussen, die men gebruikt voor de omheining van stukken grond en ze daardoor van hun vrijheid berooft. Op deze wijze verbeeldt Habibe de volgens hem te gelaten houding van de Antillianen en Arubanen bij het proces van bewustwording.
De tweede strofe bevat meer actie dan de eerste. De watapana moet zijn gezicht beschilderen en pijlen afschieten. De tropische atmosfeer, waarin het helwitte licht soms van alle kanten schijnt te komen, is met ‘shelu di plata’ (zilveren hemel) goed weergegeven. Toch bedoelt de schrijver hiermee nog iets meer te zeggen. De zilveren hemel (r 11) is namelijk ook een beeld van een boven het volk geplaatste wereld, waarin corrupte machthebbers en uitbuiters van de situatie profiteren.
Het gedicht mi koló?is gepubliceerd in het nummer van juli 1970 in de tweede jaargang van Watapana. Het gedicht is bij eerste lezing nogal ontoegankelijk en geeft zijn rijke inhoud pas prijs na vele malen herlezen. De sleutelwoorden zijn mijn huidkleur, in de titel, en in het gedicht zelf ‘aarde’ en ‘zee’. Laatstgenoemde woorden komen twee keer met een hoofdletter in de tekst voor.
In de eerste strofe richt de dichter zich tot ‘jullie’, de Arubanen. Met hen
identificeert hij zich, gezien de bezittelijke voornaamwoorden in de regels 5 en 7 tot en met 11. Huidkleur, aarde en zee stelt hij centraal. Het is hem overigens niet om de huidkleur als zodanig te doen wat blijkt uit de eerste strofe, waarin hij aangeeft, dat hij daarmee niet wil pronken.
Het gedicht heeft als thematiek de mythe rond de huidkleur, die Habibe wil ontzenuwen blijkens de versregels 11, 12, 15, 16, 19 en 20. ‘Mi koló?’ valt in drie gedeelten uiteen. In de eerste strofe stelt de dichter zich voor. In regel 5 t/m 14 noemt hij de woorden, die we met kleuren kunnen associëren. In de laatste regels schetst hij de gevolgen van de mythe, volgens welke de Arubanen zuiver een Indiaans en blank verleden zouden hebben.
In de oorspronkelijke taal heeft het gedicht een strakke bouw in vijf kwatrijnen. De versregels tellen elk ongeveer elf lettergrepen. Opvallend is het veelvuldig gebruik van de o-klank in assonerende halfrijmen, zoals oro, wowo, otro, Kongo, toro, koló, petrolio, etc. Verder komt veel alliteratie en binnenrijm voor, zoals ‘kana karisiá’, ‘nos bena a bebe bruha’, ‘boso wowo’, enz.
De dichter introduceert zich in de eerste strofe. Hij dankt zijn huidkleur en zijn bestaan aan moeder aarde en (vader) zee. Hij begeeft zich daarmee op het gebied van de mythologie. Habibe heeft het over zijn huidkleur, waarbij hij de blik van de Arubanen niet wil strelen met een bepaald soort status, verbeeld met de woorden zilver en goud. De rijmende woorden ‘oro’ en ‘boso wowo’ geven een extra accent aan het zien van de mooie huidkleur door ‘jullie’ (de Arubanen); het afgaan op uiterlijkheden.
In de tweede strofe spreekt de dichter van het geloof en het traditionele carnaval. Verder van duisternis en licht. Het begrip duisternis werkt hij uit in de regels 7 en 8. Ook hier is weer sprake van personificatie; bloedvaten die drinken en een ‘land’ dat betovert. Kongo verwijst naar het Afrikaanse element in de Arubaanse bevolking.
De kindermeisjes waren meestal negroïde. Ze vertelden de hun toevertrouwde kinderen verhalen uit de Afrikaanse folklore, bijvoorbeeld spinverhalen over de held Nanzi. Daarop doelt Habibe in regel 7. De bezieling voor het Papiaments, waaraan Afrikaanse talen hebben bijgedragen, blijkt uit de vergelijking met een roos in regel 9. Hoe diep de Papiamentse taal is geworteld geeft Habibe aan met het krachtige beeld van de stierenhoorn in regel 10.
De regels 11 en 12 contrasteren sterk. Achter de Indiaanse façade gaat een negerhart schuil. ‘Un tambu di petrolio’, vertaald met ‘petroleumvat’, verwijst naar de steelband en de tambu-dans, die van Afrikaanse oorsprong is.
Met de assonerende woorden ‘Congo’, ‘Oropa’ en ‘horopo’ (een Venezolaanse dans) geeft Habibe aan, dat het bloed van de Antillianen en Arubanen elementen bevat uit zowel Afrika, Europa en Zuid-Amerika. Nu is ook duidelijk wat de dichter in de regels 5 en 6 bedoelt. Tijdens het carnaval dansen de blanken en zwarten broederlijk samen, maar in de rest van het jaar presenteren de Arubanen zich als blank en Indiaans (r 11).
In het derde onderdeel schetst de dichter de gevolgen van de mythe. Bij Petrus kraait de haan drie keer. Dat betekent verraad en verloochening, zoals we allemaal weten. Zo'n beeld te gebruiken zou een cliché zijn. De dichter komt hier met iets heel anders op de proppen, waarbij de lezer onbewust toch wel denkt aan de bijbelse haan. Bij Habibe verstenen de hanen. In slaap gewiegd door de mythe van een zuiver Indiaans en Europees verleden, verloochent de Arubaan zijn eigen ras en identiteit. Men wil de neger tot blanke maken met alle narigheden van dien, zoals Frantz Fanon uiteen heeft gezet in zijn boek ‘Peau noire, masques blancs’.
De dichter voelt zich kleurloos, omdat de Arubanen het licht van de waarheid niet willen zien. In dit verband wil ik verwijzen naar wat in hoofdstuk vi is vermeld over het gedicht ‘Deskubri herensia’ van Frank Booi. Ook daar is sprake van licht en donker; de donkere wereld die Booi aanvankelijk niet wilde zien, maar die een deel van hemzelf is. De zon symboliseert het licht, de waarheid, de eigen identiteit.
Kortgezegd bedoelt de dichter dat, wat men volgens innerlijke beschouwing is, en wat de mens als onderdeel van het oneindige lijkt te zijn, men slechts door een mythe tot uitdrukking kan brengen. De mythe is meer individueel gericht en geeft het leven nauwkeuriger weer dan wetenschap vermag. Deze enigszins theoretische woorden zijn afkomstig van de psycholoog C.G. Jung in diens boek ‘Erinnerungen, Träume, Gedanken’.
Aarde en zee, ziel en bloed, ons binnenste, dag en nacht, hanen en zon, zijn allemaal archetypen. Met ‘Mi koló?’ heeft Henry Habibe een mythe geschapen. Of liever, hij wil een mythe uit de Arubaanse wereld helpen. De mythe is, dat de Arubaan uitsluitend Indiaans en blank bloed zou hebben. Dit komt voor uit een onwil het negroïde element in zichzelf te accepteren. Henry graaft in de oorsprong van zijn eigen bestaan en daarmee in dat van de Arubanen, waarmee hij de grondvesten van de eilandsgemeenschap bloot legt.
Het gedicht balia keresentenchi komt voor in de in november 1980 uitgekomen bundel Keresentenchi. Deze bundel straalt veel vitaliteit uit. Met vurige strijdlust hekelt Henry Habibe politieke en religieuze toestanden op Aruba. De titels van de bundel en die van het gedicht ‘Balia keresentenchi’ zijn ontleend aan het kinderliedje ‘Ta kon nos ta balia keresentenchi, t'asina nos ta balia keresentenchi’. Alzo dansen wij keresentenchi, zo dansen wij keresentenchi. Het woord ‘keresentenchi’, toegelicht bij het gedicht, is kenmerkend voor de hele bundel.
In Keresentenchi gaat Habibe op dezelfde wijze te werk als Oduber gedaan heeft in zijn gedichten onder de titel ‘Yega serka’. Op sarcastische wijze relativeert Habibe alles waar de Arubanen hoog over opgeven, zoals paternalistische gewoonten, sociale status en huidkleur. Hoe blanker hoe beter vinden de Arubanen. Hier gaat Henry Habibe veel persoonlijker te werk dan Federico Oduber, aangezien hij de spot drijft met mensen waarvan hij er één met name noemt, Hosé Mansón.
In het gedicht ‘Balia keresentenchi’ komt het non-conformisme van de satiricus Habibe goed uit de verf. Hij neemt de Arubaanse maatschappij in haar hoogste en laagste geledingen onder de loupe. Het gedicht is in regelmatige strofen opgebouwd, waarbij elke strofe een gedachteneenheid vormt, opgenomen in de hogere eenheid van het totaal.
Het gedicht gaat voornamelijk over rangen en standen. De dichter werkt deze begrippen uit in drie onderdelen: een over exclusieve verenigingen, een over sociale groeperingen en een conclusie, waarbij hij een standpunt inneemt. ‘Balia keresentenchi’ is een gedicht waarin maatschappij-kritiek naar voren komt.
De eerste strofe gaat over de club Tivoli, waarvan alleen de blanke elite lid kan worden. Het beeld van de ‘gouden mast’ staat voor rijkdom. Het woord mast verwijst naar de ruggegraat van de zeilschepen in de Victoriaanse tijd, toen rangen en standen nog zeer ingeburgerd waren. De beeldspraak van regel 4 geeft aan, dat men met geld pronkt.
De schrijver herhaalt de gedachtengang van de eerste strofe in de tweede. Ook de club Caribe wil zich duidelijk onderscheiden van andere, wat gesymboliseerd wordt door de gedistingeerde wandelstok. Het beeld van de ‘zilveren zeef’ is haarscherp. We kunnen hier een vergelijking trekken met het welbekende gedicht van Habibe, ‘Lanta para, watapana’. De dichter spoort de watapana, symbool voor de Arubanen, aan om zijn pijlen in de zilveren hemel te spijkeren. Waar uitbuiters zijn daar is zilver. Denk aan de
zilvervloot. Met andere woorden, de corrupte uitbuiters voelen zich verheven boven het gewone volk.
Wie Caribe binnenkomt is als het ware door een zeef van corruptie en uitbuiting heen gegaan. Hij is de warawara, de roofvogel van het eiland, máár gedistingeerd! In de laatste regel van de tweede strofe vergelijkt de dichter op geraffineerde wijze de leden van Caribe met de patrijs, het kostelijke wildbraad, dat op kerstavond op de tafels van de rijken prijkt.
Evenwichtig bouwt Habibe in de derde strofe op het voorafgaande. Precies als in de eerste twee strofen staat de naam van de vereniging aan het begin, terwijl aan het slot de vergelijking met een vogel volgt. Dat het ook hier om goede sier gaat blijkt uit de naam van de club, Estreya, een woord dat is afgeleid van het Spaanse estrella, ster.
De leden van Estreya zijn in het geel gekleed, de kleur van de toenmalige, radicale politieke partij Movimiento Electoral di Pueblo van Betico Croes, die streefde naar afscheiding van het ‘zwarte’ Curaçao. Estreya is de club van het midden op het eiland gelegen Santa Cruz, de toenmalige woonplaats van Betico Croes.
‘Kamind'i der'e gai’, letterlijk te vertalen met ‘op weg naar derá gai’ heeft te maken met een volksgebruik ten plattelande, vooral in de buurt van Santa Cruz, waar Croes in 1980 veel aanhangers had. Paul Brenneker, een deskundige over Antilliaanse volksgebruiken, zegt over deré gai: ‘Een geblinddoekte man mag één keer slaan om de kalabas te raken waaronder de levende haan zit begraven.’ (Zie de reeks Sambumbu)
De troepiaal, waarmee de dichter de leden van de club typeert, is een opvallend helkleurige vogel, die voorkomt op het platteland. Er is een gele en een oranje variant. Habibe vergelijkt deze vogels met mensen, die willen schitteren met het nationalisme en die de ‘status aparte’ belijden.
De beschrijvende vierde strofe contrasteert met de drie voorafgaande, wat de aandacht extra prikkelt. Hij somt vier bevolkingsgroepen op van gewone mensen, die voor de hogere kringen goed genoeg zijn om straten en kleding te reinigen en om muziek te maken, maar waar men verder geen contact mee wil hebben.
In de vijfde strofe komen de eerder uitgezette lijnen samen. Met ‘mensen en nogeens mensen’ bedoelt de dichter eigenljk ‘mensen boven mensen’, alsof de waarde van een mens kan worden afgemeten aan zijn sociale status. De
beelden in regel 18 duiden op de gegoede kringen. Er is op Aruba een elite, die niet goed accordeert met de negers. De negroïde werknemers ziet men als buitenstaanders.
Door de titel aan het slot van het gedicht te herhalen zorgt de dichter voor een harmonische afsluiting. Zo danst men op Aruba zijn kinderdansje. Het is duidelijk dat de hekeldichter zich distantiëert van dit onvolwassen gedoe.
De bundel Keresentenchi bevat ook nog een serie schitterende gedichten, waarin Habibe enkele notoire figuren op vlijmscherpe wijze aan de kaak stelt. Een van de gedichten heet ‘Kende nos ke tumba?’ (Wie willen wij omverwerpen?). Ook hier hebben we te maken met een kinderliedje. Het argeloze kind ziet en noemt dingen zoals ze zijn. In dit gedicht, waarvan ik de eerste strofe citeer, valt een sterk ritme op.
‘Kende nos ke tumba?’ is een spotgedicht. Op de toon van een kinderliedje maakt Habibe zich vrolijk over Hosé Mansón. Hij behandelt een in zijn ogen belachelijke figuur in een quasi kinderliedje, waardoor hij hem afschildert als een rare kwast.
In Ñapa van 30 januari 1981 wordt de bundel Keresentenchi beschreven als een schokkende ervaring. Dat zal voor raak getypeerde lieden als Hosé Mansón zeker het geval geweest zijn! Jules Marchena vindt in zijn bespreking van Keresentenchi, dat door het gebruik van flarden tekst uit kinderliedjes het sarcasme iets lichtvoetigs krijgt.
De veel belovende schrijver ramÓn todd dandaré werd op 21 september 1942 geboren te Río Hacha, Colombia. Op zijn negende jaar kwam hij naar Aruba en doorliep daar de middelbare school. In Amsterdam behaalde hij vervolgens het diploma mo b Spaans. Hij was enkele jaren als leraar verbonden aan het Colegio Arubano op Aruba. In 1979 vertrok hij naar Cali, Colombia, om daar linguïstiek en Spaans te studeren. Deze studie heeft hij afgerond met het Masters Degree. Todd Dandaré is nu directeur van het Instituto Lingwístiko Antiyano op Aruba.
In zijn Nederlandse tijd had Ramón Todd Dandaré contacten met Frank Booi en Henry Habibe. Ze lazen elkaar hun gedichten voor, die ze kritisch beoordeelden. Hun poëzie vertoont in zoverre overeenkomsten, dat ze alle drie vinden, dat er op de Antillen iets moet veranderen.
Op 1 juli 1968 verscheen het eerste nummer van het literaire tijdschrift Watapana. Daarin was het Nederlandstalige gedicht ‘Lubsja’ van Todd Dandaré opgenomen. Het betreft hier hermetische poëzie met occulte symbolen. In Watapana, jaargang 1 nummer 3 verscheen van hem in 1969 het Papiamentstalige gedicht ‘Soño’ en een gedicht zonder titel.
In de editie van maart 1970 vinden we weer een gedicht van Todd Dandaré in de Spaanse taal, getiteld ‘Mi acuerdo de ti’. In het februari nummer van 1972 volgt tenslotte een titelloos gedicht van hem in het Papiaments, dat begint met de woorden ‘Isla di mi’. Al met al een geringe produktie, waarbij slechts twee gedichten in de landstaal zijn geschreven.
De titel isla di mi is in het gedicht zelf opgenomen. Met de beginwoorden ‘isla di mi’ is het onderwerp, eiland van mij, gekarakteriseerd. Daarmee valt de dichter met de deur in huis. Het thema is de wens van de schrijver om het uiterlijk van zijn eiland te veranderen. Met dit thema begint de tekst (r 1, 2), waarna het gedicht besluit met de herhaling daarvan.
De ie-klanken van ‘isla di mi’ roepen het kleine, beslotene en vertederende op. Hieruit blijkt de liefde van de dichter voor het eiland. De martiale a-klanken in ‘kambia bo fashi’ duiden op actie. Het werkwoord ‘kambia’ doet denken aan het tijdschrift Kambio, dat de voorloper is van Watapana, waarin dit gedicht is gepubliceerd. Beide tijdschriften beogen veranderingen tot stand te brengen, het eerstgenoemde vooral op politiek en maatschappelijk terrein, het tweede op taalgebied. Daarbij staat de eigen taal als middel tot bewustwording centraal.
De regels 1 en 2 met binnenrijm bevatten een personificatie, want de dichter roept het eiland aan alsof het een persoon is. De uitroep ‘eiland van mij’ roept onmiddellijk een zekere spanning bij de lezer op. Het heeft ook iets vertederends, want het kan gelezen worden als ‘ach, mijn eiland’.
Todd Dandaré werkt de thematiek uit in een aantal afgeronde schetsen, steeds voorafgegaan en daardoor gemarkeerd door ‘Mi kier’, ik wil. Hij gebruikt een Homerische vergelijking, waarbij zijn eiland een geliefde is. Hier hebben we ook een parallel met het Hooglied van Salomo, waarin, verdeeld over acht hoofdstukken, de kerk is vergeleken met een bruid.
De volgende stadia van een symbolische liefdesgeschiedenis ontvouwen zich; ontmoetingstijd (r 3 t/m 9), het geven van sieraden (r 10 t/m 14), krachtvertoon (r 15 t/m 19, vrijen (r 20 t/m 23, geestelijk contact (r 24 t/m 27, één willen worden (r 28 t/m 31), de leiding nemen (r 32 t/m 35), samen zijn (r 36 t/m 45).
Het woord navel in regel 11 maakt ineens duidelijk, dat Todd Dandaré een vergelijking trekt met een geliefd meisje. Het gedicht beweegt zich als het ware op twee parallelle sporen, Aruba enerzijds en een jong meisje anderzijds. De twee sporen, het eiland én de mens, het meisje, zien we in de gebruikte zelfstandige naamwoorden. De meeste daarvan geven beelden van het eiland, zoals het Arubaanse duinengebied California, steen, zand, golven, kibrahacha-bloem, wind, watapana, sap. Daarnaast overheersen woorden die met een mens te maken hebben; navel, gezicht, Indiaan, lichaam, hersens, gedachte, daad, geslachtsdaad, visser, kano, visnet.
De dichter laat in regel 4 weten welk eiland hij op het oog heeft, want
California is een gebied op Aruba. Hij noemt het eiland niet bij naam, aangezien hij dit feit bekend veronderstelt. Hij maakt hierbij gebruik van de stijlfiguur pars pro toto door een deel van het eiland te noemen. De keuze van dit Arubaanse duingebied met zijn zinnelijke ronde vormen is niet toevallig. In deze regels klinkt een verborgen protest tegen het lawaai van de wereld. De dichter zoekt de stilte van het isolement in de natuur. Buiten, in het verlaten duingebied bij de zee wil hij schrijven.
In regel 5 valt het gebruik van het participium ‘skirbiendo’ op. Hierdoor is de wijze van uitdrukken beknopt en krachtig. Het binnenrijm in ‘mi kier’ en ‘skirbiendo’ legt de nadruk op de wens om te schrijven. Schrijven is belangrijk op deze plaats in het vers. Immers na te hebben onthuld welk eiland hij bedoelt, geeft de dichter in dezelfde zin aan op welke wijze hij het gezicht van zijn eiland wil veranderen, namelijk door met de taal bezig te zijn. Hiermee heeft Todd Dandaré het onderwerp op de rails gezet en kan hij het gegeven verder uitwerken.
Diepzinnig is het beeld van de aanrollende golven, die het geschreven woord uitwissen. Men zou de golven kunnen associëren met de tijd, de cyclische beweging van veranderingsprocessen. Ook valt te denken aan de op het eiland aangerolde migratie-golven van Indianen, Spanjaarden, Nederlanders, joodse mensen, Portugezen, Afrikanen, enz. Het schrijven van namen in het zand of in de bast van een boom behoort bovendien tot de rituelen van verliefdheid.
Ramón Todd Dandaré wil Aruba een ander cachet geven. Daarvan getuigt de kleurensymboliek van de kibrahacha, een boom met gele bloemen, en oro (goud). De kibrahacha-bloem en het goud hebben te maken met de invloed van de planeet Mercurius, die bekend staat als geneeskrachtig voor zowel geestelijk als lichamelijk blinde mensen. Het is de dichter te doen om de ontwikkeling van het bewustzijn van de Antillianen, zoals in het volgende fragment nader blijkt.
De versregels 15 en 16 hebben een duidelijke associatie met het gedicht ‘Lanta para, watapana’, dat het visitekaartje van Henry Habibe is. Ramón Todd Dandaré wil, dat de Arubanen, gesymboliseerd door de windboom, bewust worden van hun eigen identiteit en het hoofd oprichten. Het woord watapana is welluidender en vloeiender dan dividivi, een andere benaming voor dezelfde boom. Ook klinkt watapana minder zoetelijk. Het woord
verwijst tevens naar het tijdschrift, waarin het gedicht is gepubliceerd.
In ‘Isla di mi’ vormt de Indiaan een detail. Todd Dandaré werkt in regel 17 met sap (levens-) en in regel 19 met de figuur van de Indiaan als uitbeelding van kracht. Hij doelt op sociale veranderingen op Aruba, in tegenstelling tot Hubert Booi en Ernesto Rosenstand voor wie de Indiaan aanleiding is om op romantische wijze onder te duiken in het verleden.
Het ondersteboven rollen is een toespeling op vrijen en sluit goed aan bij de aanrollende golven (r 8) en in zekere zin ook bij de opgegooide en neerdalende bloesems (r 12 en 13. Welk een beweging en ritmiek! Intrigerend is het beeld van ‘de schat’, waarmee ook de diepste wezenstrekken van de eigen taal, het Papiaments, bedoeld kunnen zijn. De werkelijke, lichamelijke schat, is door de dichter getransformeerd tot een symbool van een poëtische realiteit; de taal.
Met drie vergelijkingen geeft de dichter aan op welke wijze hij contact zoekt. Hij wil zich identificeren met zijn eiland; één daarmee zijn. De regels 28 en 29 preluderen op de intimiteit van de geslachtsdaad in regel 44. Het leiden van de geliefde in regel 33 vergelijkt hij met een visser, die zijn boot bestuurt. Het vaartuig is een kano, wat aansluit bij de Indiaan van regel 20.
In dit onderdeel werkt Todd Dandaré naar een climax toe. Het gedicht is begonnen met anorganische elementen, zoals steen, zand en golven. Daarop volgen de plantaardige bomen. Vervolgens de Indiaan, de geliefden, vissers. Tenslotte de metafysische god als beeldspraak voor de hoogte waartoe hij zijn geliefde zou willen voeren. Uit de versregels 41 tot en met 43 spreekt geloof in een schepper. Alleen zit de schrijver nog met de paradox, dat leven, gebonden aan onze stoffelijke aarde, automatisch het loskomen daarvan, de dood, meebrengt. Vandaar het sarcasme. Het zeer intieme, menselijke contact, volgt en bekrachtigt de metafysische climax.
‘Isla di mi’ is rijk aan beeldende taal. Ramón Todd Dandaré stelt zich positief op, accepterend, met een zeker begrip. Hij staat veranderingen voor, maar gaat niet heftig te keer. Hij zegt het niet zo radicaal als Frank Booi.
Todd Dandaré benadert zijn eiland niet zoetig en romantisch. Hij is minder dan de anderen een gevoelsmens, meer een denker. ‘Isla di mi’ betekent het eiland waar ik mee zit, ach, mijn eiland. Deze dichter gaat mee met de stroming van het leven. Hij maakt ervan wat er van te maken valt.