sjon julio werd op 12 april 1924 geboren in Sero Preto bij San Nicolas, waar zijn ouders vanaf het begin van deze eeuw een winkel hadden. Ook bezat de familie Maduro aloëvelden en weidegronden. Julio ging op school in het dorpje Savaneta, dat een uur gaans van huis lag.
In die jaren liet de familie Maduro met een zeilschip handelswaren naar de markt in Oranjestad verschepen: aloë, dividivipeulen, hout, pompoenen, watermeloenen, gevlochten strohoeden. In Oranjestad kochten ze weer in voor de winkel in San Nicolas. 's Avonds tegen zeven uur keerde de boot terug. Met ezelskarren sjouwden ze, soms tot diep in de nacht, de goederen van de steiger naar de winkel op Cura Cabai.
De volgende morgen kwamen de huisvrouwen al vroeg hun inkopen doen: suiker, meel, gereedschappen, kleding en stoffen. De Maduro's verkochten van alles tot doodskisten toe. Hun aankopen betaalden de mensen in natura door voor hen te werken. Door de komst van de Lago olieraffinaderij is daarin verandering gekomen. Lago exploiteerde een eigen winkel. In 1937 sloot de oude Maduro zijn bedrijf.
Menig keer heeft de jonge Julio zijn grootvader meegeholpen bij het oogsten van de aloë, in de ochtend van half zes tot half elf. Dit is een zwaar karwei, waarbij handen en kleding onder bitterzure hars komen te zitten.
Op zijn twintigste jaar trad Sjon Julio in dienst bij de raffinaderij van Lago. Zijn werk bestond uit het analyseren van oliemonsters. Hij was getrouwd en had twee dochters. Zo'n gezin kostte veel geld. Om eens en voorgoed van de geldzorgen af te komen ging hij op een van de tankers varen.
Weer terug op Aruba trad Maduro in dienst bij Sociale Zaken. Hij dook in de politiek. Samen met Henny Eman vocht hij tegen de Katholieke Volkspartij van dr. Da Costa Gomez. Daarna ontbrandde
de strijd tegen de Union National Arubano (una). Die partij brak in twee stukken, de una di Playa (stad) en de una di Campo (platteland), bekend als una frengu (vingerhoed) en una burico (ezel).
Maduro maakte de oprichting mee van de Partido Patriotico Arubano (ppa). Samen met Oscar Henriquez, Fichi Croes en Ernesto Petrona werd Maduro in 1955 gekozen tot gedeputeerde in het bestuurscollege. Hij is dan eenendertig jaar oud.
In 1967 komt er een vacature als waarnemend hoofd bij Arbeidszaken, waarop Julio Maduro met succes solliciteert. Ook bekleedt hij de post van hoofd van de Voorlichtingsdienst, die vacant is gekomen door de moord op Nicolás Piña. Enkele jaren daarna volgt Maduro's benoeming tot hoofd Arbeidszaken, Werkverschaffing en Vakopleiding.
Julio Maduro is gescheiden van zijn eerste vrouw. Op die moeilijke periode slaat waarschijnlijk het hierna geanalyseerde gedicht ‘Ki bo sa?’. Later hertrouwt hij. Ondertussen zit hij in een commissie voor het Papiaments, eerst in die van de centrale regering, daarna in de ‘Comision di Ortografia di Aruba’.
Eind 1974 richten Julio Maduro en Jossy Mansur het tijdschrift Brindis (toost) op, dat dient als een leerschool voor beginnende schrijvers. Verschillende jonge dichters, zoals Ireno Kock, krijgen een kans om in Brindis te publiceren.
Na een kortstondig bestaan werd Brindis opgevolgd door de politiek getinte krant Extra. Daarin trekt Julio fel van leer tegen politieke tegenstanders.
Al met al was Maduro door zijn politieke en sociale activiteiten een vooraanstaand figuur in de Arubaanse gemeenschap. Regelmatig verscheen hij voor de lokale televisie. Hij schreef een aantal gedichten en korte verhalen, die steeds Aruba tot onderwerp hadden.
In het essay ‘Palo puro’ toonde hij de veelzijdige mogelijkheden van het Papiaments aan. Maduro speelde met de taal als geen ander,
waardoor hij als hekeldichter een geduchte tegenstander was. Zijn grote liefde voor het eiland, de bewoners en de natuur, kwam tot uiting in gedichten als ‘Luto’ en ‘Pakiko mi ta Arubiano’. Beide zijn in dit hoofdstuk opgenomen.
Het gedicht ki bo sa? van Julio Maduro past in de gevoelscultuur van de romantici. Het gaat in op de dualiteit van het leven, waarin mensen zonder duisternis het licht niet kunnen ervaren. De verwonding, minachting en valse beloften, waarvan Maduro spreekt, geven reliëf en inhoud aan het begrip liefde.
Het gedicht heeft een zekere spanning. Maduro werkt naar een climax toe. Aanvankelijk is sprake van lichamelijke gevoelens, zoals het kloppen van het hart (r 3), maar verderop raken de emoties de ziel (r 10), waarbij ‘alma’, ziel, is vertaald door ‘adem’. Uiteindelijk is de mens alleen met God (r 30).
Het thema van ‘Ki bo sa?’ is de romantische visie, dat aan liefde het lijden onverbrekelijk verbonden is. De dichter werkt deze thematiek uit aan de hand van een aantal gevoelige beelden. Hij plaatst de liefde naast de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Pas in de eenzaamheid van een verloren relatie beseft iemand de essentie van de liefde.
De eerste twaalf versregels bevatten intensiverende retoriek en antithese, nog versterkt door het reeds gesignaleerde toewerken naar een climax. De droefheid van regel 3 is in regel 6 uitgewerkt in het tragische beeld van een nooit te genezen wonde.
De verachting en spot van een meedogenloze buitenwacht wakkeren deze gevoelens van droefheid nog aan. Zij raken aan de kern van het bestaan. Zonder liefde, het voedsel voor de ziel, ontstaat innerlijk een leegte, die vrees (r 12 oproept.
De kosmische gevoelsexpansie, die bij het ideaaltype van de romanticus behoort, komt naar voren in de religieuze beelden van de kruisweg. De dichter identificeert zich met Jezus op de Calvarie-berg, van wie de boodschap naastenliefde is. Zo verheft Maduro de menselijke liefde tot een goddelijke. Hij gebruikt in deze strofe bewust meer rijm dan in de rest van het gedicht. De diepste inhoud is, dat de dichter zich laat kruisigen. Het kruis is het zinnebeeld van het lichaam van de mens, wiens ziel door aardse beproevingen tot spirituele groei kan komen.
Steeds stuiten we in ‘Ki bo sa?’ op de verhouding van de mens tot het bovenzinnelijke. De dichter projecteert zijn gekwetste innerlijk op de gebeurtenissen rond Calvarië. Het gedicht handelt niet over een bepaalde liefde, maar liefde in het algemeen.
In de strofen vijf en zes volgt overgave aan een hogere instantie. Het kruis is te zwaar om alleen te dragen. De behoefte aan liefde slingert een mens tussen het aardse en het spirituele heen en weer. Wie een dierbare relatie verliest verlangt naar de dood als verlosser van zijn pijn.
In regel 25 neemt het gedicht een wending, want daar geeft iemand zich over aan zijn lot, in tegenstelling tot het steeds niet willen accepteren van het verdriet in de voorafgaande strofen. Begrijpend accepteren relativeert en verzacht het leed, wat is aangegeven door de beeldspraak ‘omstralende glimlach’ in de regels 27 en 28. Pas door berusting kan iemand zijn verdriet verwerken. Huilen (r 29) werkt bevrijdend.
De climax is, dat je uiteindelijk wordt teruggeworpen op jezelf of op God, die als laatste woord van het gedicht (r 30) is genoemd. In deze regel komen de lijnen van dit gedicht samen. Liefde heeft te maken met de goddelijke essentie van de mens, die volgens mystici opbloeit binnen het gekruisigde lichaam. Maduro legt verband tussen liefde, lijden en het goddelijke. Het gevoel van eenzaamheid wordt in de slotregels beklemmend opgeroepen met het driemaal herhaalde ‘alléén’. Het woord ‘anochi’, bij nacht (r 29) heeft de connotatie van duisternis.