terug  begin  verderprepost
[p. 113]

V Culturele revue brindis Julio Maduro

sjon julio werd op 12 april 1924 geboren in Sero Preto bij San Nicolas, waar zijn ouders vanaf het begin van deze eeuw een winkel hadden. Ook bezat de familie Maduro aloëvelden en weidegronden. Julio ging op school in het dorpje Savaneta, dat een uur gaans van huis lag.

In die jaren liet de familie Maduro met een zeilschip handelswaren naar de markt in Oranjestad verschepen: aloë, dividivipeulen, hout, pompoenen, watermeloenen, gevlochten strohoeden. In Oranjestad kochten ze weer in voor de winkel in San Nicolas. 's Avonds tegen zeven uur keerde de boot terug. Met ezelskarren sjouwden ze, soms tot diep in de nacht, de goederen van de steiger naar de winkel op Cura Cabai.

De volgende morgen kwamen de huisvrouwen al vroeg hun inkopen doen: suiker, meel, gereedschappen, kleding en stoffen. De Maduro's verkochten van alles tot doodskisten toe. Hun aankopen betaalden de mensen in natura door voor hen te werken. Door de komst van de Lago olieraffinaderij is daarin verandering gekomen. Lago exploiteerde een eigen winkel. In 1937 sloot de oude Maduro zijn bedrijf.

Menig keer heeft de jonge Julio zijn grootvader meegeholpen bij het oogsten van de aloë, in de ochtend van half zes tot half elf. Dit is een zwaar karwei, waarbij handen en kleding onder bitterzure hars komen te zitten.

Op zijn twintigste jaar trad Sjon Julio in dienst bij de raffinaderij van Lago. Zijn werk bestond uit het analyseren van oliemonsters. Hij was getrouwd en had twee dochters. Zo'n gezin kostte veel geld. Om eens en voorgoed van de geldzorgen af te komen ging hij op een van de tankers varen.

 

Weer terug op Aruba trad Maduro in dienst bij Sociale Zaken. Hij dook in de politiek. Samen met Henny Eman vocht hij tegen de Katholieke Volkspartij van dr. Da Costa Gomez. Daarna ontbrandde

[p. 114]

de strijd tegen de Union National Arubano (una). Die partij brak in twee stukken, de una di Playa (stad) en de una di Campo (platteland), bekend als una frengu (vingerhoed) en una burico (ezel).

Maduro maakte de oprichting mee van de Partido Patriotico Arubano (ppa). Samen met Oscar Henriquez, Fichi Croes en Ernesto Petrona werd Maduro in 1955 gekozen tot gedeputeerde in het bestuurscollege. Hij is dan eenendertig jaar oud.

In 1967 komt er een vacature als waarnemend hoofd bij Arbeidszaken, waarop Julio Maduro met succes solliciteert. Ook bekleedt hij de post van hoofd van de Voorlichtingsdienst, die vacant is gekomen door de moord op Nicolás Piña. Enkele jaren daarna volgt Maduro's benoeming tot hoofd Arbeidszaken, Werkverschaffing en Vakopleiding.

 

Julio Maduro is gescheiden van zijn eerste vrouw. Op die moeilijke periode slaat waarschijnlijk het hierna geanalyseerde gedicht ‘Ki bo sa?’. Later hertrouwt hij. Ondertussen zit hij in een commissie voor het Papiaments, eerst in die van de centrale regering, daarna in de ‘Comision di Ortografia di Aruba’.

 

Eind 1974 richten Julio Maduro en Jossy Mansur het tijdschrift Brindis (toost) op, dat dient als een leerschool voor beginnende schrijvers. Verschillende jonge dichters, zoals Ireno Kock, krijgen een kans om in Brindis te publiceren.

Na een kortstondig bestaan werd Brindis opgevolgd door de politiek getinte krant Extra. Daarin trekt Julio fel van leer tegen politieke tegenstanders.

Al met al was Maduro door zijn politieke en sociale activiteiten een vooraanstaand figuur in de Arubaanse gemeenschap. Regelmatig verscheen hij voor de lokale televisie. Hij schreef een aantal gedichten en korte verhalen, die steeds Aruba tot onderwerp hadden.

In het essay ‘Palo puro’ toonde hij de veelzijdige mogelijkheden van het Papiaments aan. Maduro speelde met de taal als geen ander,

[p. 115]

waardoor hij als hekeldichter een geduchte tegenstander was. Zijn grote liefde voor het eiland, de bewoners en de natuur, kwam tot uiting in gedichten als ‘Luto’ en ‘Pakiko mi ta Arubiano’. Beide zijn in dit hoofdstuk opgenomen.

[p. 116]
Luto
 
Ayera m'a bai mondi.
 
Na e mes lugar, cu den infancia
 
na pia, m'a bishita asina hopi
 
y mi curazon a troce di dolor.
 
 
 
Unda a keda e mondi
 
di curahau y kribrahacha,
 
cu nan manta geel ta parece
 
cu nan kier celebra San Juan.
 
 
 
Unda a keda e wayacá
 
mahestuoso, cu troncon asina
 
grandi cu hasta lora, kinikini
 
y prikichi ta traha cas adén.
 
 
 
Pakico e mata di juana
 
carga di flor o e matapisca
 
cu su perfume fragil y foy'i
 
cuero, ya casi 'n ta existi.
 
 
 
Di nos pal'isianan, corá
 
y blanco, apenas algun a sobra.
 
Kifiti, kedebeshi y macubari
 
ta halando nan ultimo rosea.
 
 
 
Cadushi tin, pero cuanto sorto
 
'n desaparece sin larga rastro.
 
E bushi cu corona corá flamante
 
Ta un recuerdo, nada mas.
 
 
 
[Lees verder op de volgende even pagina]
[p. 117]
Klaaglied
 
Gisteren ging ik de mondi in
 
en zocht de plek waar ik als kind
 
zo vaak gelopen heb
 
en mijn hart verkilde van verdriet.
 
 
 
Ik vond niet meer de bosjes
 
curahout en kibrahacha
 
die met hun gele mantels
 
het feest van San Juan leken te vieren.
 
 
 
Ik vond niet meer de wayacá
 
zo majestueus met z'n brede stam
 
waar parkieten, papegaaien
 
en valken nesten bouwden
 
 
 
Ik vond niet meer de mondi
 
van Joeana heesters
 
bedekt met bloemen
 
de matapiscá met zachte geur van leer
 
 
 
Ik zag witte, rode pal'i sía
 
een enkele nog
 
en stervend
 
kifiti, kedebeshi, macubari
 
 
 
Ik zag cadushi en toch
 
zoveel verdween hier spoorloos
 
de bushi met vlamrode kroon
 
is niet meer dan een vage droom
 
 
 
[Lees verder op de volgende oneven pagina]
[p. 118]
 
Nos isla tin un Pueblo yamá
 
na su honor. Pero den tal
 
becindario, ni como seña di
 
blasfemia, 'n keda un brasil pará.
 
 
 
Inmenso ta e perdida y mondi ta
 
bashi. Coneo ni cascabel
 
no tin refugio mas. Yuananan
 
a bandoná, nos mondi desolá.
 
 
 
E neishi gonzalito, bashi,
 
ainda ta colgá. E parha mes a
 
caba. Y hasta e blenchi bèrde
 
ta un tesoro cu'n ta bolbe mas.
 
 
 
Ta ki bai awacero, si nos,
 
'Rubianonan, a perde tur balor
 
pa loke ta di nos. Talbez naturaleza
 
a kita loke nos no merece.
[p. 119]
 
Op ons eiland werd een hele wijk
 
naar hem genoemd, brasil,
 
geen enkele bleef
 
niet eens als teken van verwijt.
 
 
 
Niet te meten is wat verging
 
zelfs konijnen en ratelslangen
 
vinden geen schuilplaats meer
 
de leguanen hebben de trieste velden verlaten
 
 
 
Het nest van de zwaluw hangt nog,
 
leeg, de vogel is weg
 
weg is ook de groene kolibri, een juweel
 
dat niet meer komt.
 
 
 
Waartoe nog regen Rubianos
 
als we niet geven om het eigene
 
misschien is ons genomen
 
wat we niet verdienden.
 
 
 
[Vrij vertaald door Aletta Beaujon]
[p. 120]
Ki bo sa?
 
Ki bo sa di amor
 
bo cu nunca a sinti
 
e angustia ni palpitacion.
 
 
 
Ki bo sa di amor
5
si nunca bo a sinti bo
 
curazon yaga, pa n' cura mas.
 
 
 
Ki bo sa di amor
 
si desprecio nunca tabata
 
bo suèrtè. Cu nunca b'a
10
sinti nan mofabo ni
 
bo alma n' bati den bo
 
boca di susto p'a perde.
 
 
 
Acaso b'a bira victima
 
di mal pasion o promesa falso
15
Acaso bo tambe conoce e berea
 
di Calvario; b'a carga cruz
 
o pa bista'i pueblo b'a bisti
 
bo curason cu lagrima i luto?
 
 
 
Ki bo sa di amor
20
si nunca b'a lastra na rudia
 
ni implorá pa tera habri cu bo.
 
 
 
Ki bo sa di amor
 
si pa e ser kerí bo n' suspirá
 
pa morto pone un fin na bo
 
dolor?
 
 
 
[Lees verder op de volgende even pagina]
[p. 121]
Wat weet je?
 
Wat weet je van de liefde
 
jij die nooit gevoeld hebt
 
droefheid noch harteklop.
 
 
 
Wat weet je van de liefde
 
als je nooit je hart
 
als een nooit te genezen wonde hebt gevoeld.
 
 
 
Wat weet je van de liefde
 
als verachting nooit
 
je deel was. Als je nooit
 
spot te verdragen had
 
of je adem niet gestokt is
 
uit vrees eens te verliezen.
 
 
 
Wellicht ben je het slachtoffer
 
van vuile hartstocht of valse beloften.
 
Wellicht ken jij ook het voetpad
 
naar Calvarië: heb je je kruis gedragen
 
en voor het oog der mensen
 
je hart omfloerst met tranen en rouw?
 
 
 
Wat weet je van de liefde
 
als je nimmer op je knieën lag
 
of gesmeekt hebt door de grond te zakken.
 
 
 
Wat weet je van de liefde
 
als je geen zucht geslaakt hebt
 
voor wie dierbaar voor je was;
 
om de dood als omega van je pijn?
 
 
 
[Lees verder op de volgende oneven pagina]
[p. 122]
25
O por ta cu bo tambe a sucumbí
 
cargá bao di peso y pena. O cu
 
tin bez e sonrisa a cubri un
 
curazon sangrá? O cu b'a yora
 
desesperá, scondí bo so anochi;
30
bo so, secretamente. So cu Dios?
 
 
 
Aruba, 1974
 
[Etymologische spelling; zie pagina 139, 140 voor de
 
fonologische spelling.]
[p. 123]
 
Of kan het zijn dat jij ook zwichtte
 
onder zware last en droefheid
 
of dat een glimlach ooit eens
 
een bloedend hart omstraalde
 
of dat je wanhopig weende, verscholen,
 
heel alléén bij nacht;
 
alléén, heimelijk, alléén met God?
 
 
 
[Vertaling: Luis H. Daal]
[p. 124]
Pakiko mi ta Arubiano
 
(1)
 
Mi ta Arubiano! No pasobra m'a
 
nace sol na Aruba; pero pasobra
 
dos-tres siglo pasá mi hendenan
 
a radicá aqui. Nan a adquiri
 
tereno y nan a sembra, pa nos
 
tur. Ni bon ni mal tempo no a
 
corre nan. Nan a queda.
 
 
 
(2)
 
Mi ta Arubiano! Mi papa tabata
 
y a muri cunuquero y ora tur
 
hende a bende nan tera cu lago,
 
hudio y Chinees, mi papa a
 
retene di dje; pa patrimonio,
 
mescos cu lo mi muri larga pa
 
mi yiu, nieto y bisanieto.
 
 
 
(3)
 
Mi ta Arubiano! Naci na Sero
 
Preto, awé yama cu nomber nobo.
 
Ta cu pia mi mester a bai
 
school na Sabaneta; armá cu pan
 
di beton; pan di maishi rabo
 
manera su mama a pariá! Hariña,
 
salu y awa. Pisá!
 
 
 
(4)
 
Mi ta Arubiano! Tempo cu no
 
tabatin lechi pasteurizá mi ta
 
corda e holor di lechi baca,
 
carné of di cabrito den oranan
[p. 125]
Waarom ik Arubaan ben
 
(1)
 
Ik ben Arubaan! Niet omdat ik onder
 
Arubaanse zon geboren ben, maar doordat
 
mijn voorouders zich hier twee à drie eeuwen
 
geleden hebben gevestigd. Ze hebben gronden
 
verworven en erop gezaaid, voor ons allen.
 
Goede noch slechte tijden hebben hen doen
 
weggaan. Ze zijn gebleven.
 
 
 
(2)
 
Ik ben Arubaan! Mijn vader was een boer en
 
is als boer gestorven. En terwijl iedereen
 
zijn grond verkocht aan lago, jood en
 
Chinees, behield mijn vader de zijne; zoals
 
hij wanneer ik sterf als ouderlijk erfdeel
 
achter blijft voor mijn kind, kleinkind en
 
achterkleinkind.
 
 
 
(3)
 
Ik ben Arubaan! Geboren te Sero Preto, dat
 
thans een andere naam heeft. Te voet moest
 
ik te Savaneta naar school gaan,
 
gewapend met hard brood, maïsbrood, zoals
 
moeder dat met meel, zout en water heeft
 
bereid. Voedzaam!
 
 
 
(4)
 
Ik ben Arubaan! Toen er geen gepasteurizeerde
 
melk was, herinner ik
 
mij de geur van koeiemelk, van schapeen
 
geitemelk in het holst van de
[p. 126]
 
di mardugá grandi; ora gai a
 
canta pa di dos biaha. Herbé na
 
palu, cayente y sabroso.
 
 
 
(5)
 
Mi ta Arubiano! Mi a tene chap'
 
i hoya den mi man y a dalé den
 
tera cu candela a spat. Mi a
 
hala un chap'i-chapi pata-pata
 
te horea den e tera fertil di
 
mi isla y m'a siña mara dashi,
 
limpia hoyo y fura bon.
 
 
 
(6)
 
Mi ta Arubiano! Mi a tene e
 
rico suelo Arubiano den mi man
 
y m'a holé despues di un
 
awacero, esta dushi. M'a sinti
 
mi man armá cu un machete roncá
 
den troncon di maishi, hisa
 
benta riba bohi. Cu sambechi
 
flecha pone riba parapete.
 
 
 
(7)
 
Mi ta Arubiano! M'a sinti
 
machete dal den cadushi y cu un
 
cuero den e otro man. Carga
 
cadushi den cuero o paniwela.
 
Tene cu garabata, poné den
 
buraco, primié bon duro y tapé.
 
Pa e'n putri; pa e'n cai. Un
 
slip, adios coroto. Manteca
 
bela ta saca sumpiña.
[p. 127]
 
vroege ochtend, wanneer de haan
 
gekraaid heeft voor de tweede keer.
 
Gekookt op houtvuur, warm en heerlijk.
 
 
 
(5)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb de spade en de houweel
 
in mijn hand gehouden en er de
 
grond mee bewerkt tot de vonken ervan
 
afvlogen. Ik heb gespit, wel uren lang,
 
tot ik in de vruchtbare bodem van mijn
 
eiland wonden heb geslagen. Ik heb
 
schoven leren binden, plantekuilen
 
schoongemaakt.
 
 
 
(6)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb de goede aarde
 
van Aruba in mijn hand gehouden
 
en eraan geroken na een regenbui:
 
wat heerlijk toch! Ik voel mijn arm,
 
gewapend met een kapmes,
 
door de halmen van de maïsplant suizen
 
en ze opstapelen tot schoof,
 
met een zakmes de aren afsnijden
 
en boven op de borstwering zetten.
 
 
 
(7)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb het kapmes
 
tegen de cactus voelen slaan en met een
 
stuk leer in de andere hand, de cactus weggedragen,
 
als in leer gevangen, of languit
 
op een berrie. Met de gaffel vastgehouden,
 
in de kuil planten, stevig aandrukken en
 
met aarde aanplempen zodat hij niet zou rotten,
 
niet zou omvallen. Een enkel uitglijden
 
van de hand en het is gebeurd! Kaarsvet
 
moet de stekels dan uit de wonde trekken.
[p. 128]
 
(8)
 
Mi ta Arubiano! Cuanto biaha mi
 
no a sconde, pushi-pushi tra'i
 
tranquera, cu un patia den mi
 
man! Dalé quibra riba rudia y
 
cu mi man, saca su curazon
 
corrá. Of, na holo bao di
 
yerba y la seis ramadó, busca
 
e milon scondí.
 
 
 
(9)
 
Mi ta Arubiano! Di e weganan di
 
trom bo'n por papia mi. Mi a
 
hunganan tur. Bati zeilo riba
 
pia. Soño leuw, trom saca trom.
 
Hunga wega di coba trom y
 
cuanto ora di pasenshi den un
 
trom - un obra di arte - no a
 
caba riba un poei fini, bon
 
mulá.
 
 
 
(10)
 
Mi ta Arubiano! Cu mi flie di
 
flambeuw pegá cu hariña blanco,
 
guma of baba di cadushi m'a
 
hunga corta. Cashipetenan na
 
hoyo of hungando plee cu soño
 
largo. Bati cen. Hunga dara den
 
camina. Larga biento hiba dara
 
larga corre, hunto cu mi
 
ilusion.
 
 
 
(11)
 
Mi ta Arubiano! Mi a dwal den
 
mondi busca parha, piqui druif
 
y shimarucu. Dadel di cadushi,
[p. 129]
 
(8)
 
Ik ben Arubaan! Hoe dikwijls heb ik me niet
 
verscholen, muisstil achter een heg,
 
met een watermeloen in de hand!
 
Haar stukgeslagen op mijn knie en met de
 
hand haar vlezig rode hart gegrist.
 
Of, op de geur, onder het lover en de rank
 
naar de verscholen meloen gezocht.
 
 
 
(9)
 
Ik ben Arubaan! Je hoeft me niets te vertellen
 
over tolspelletjes. Ik heb ze allemaal
 
gespeeld. Tol tegen tol, waarbij de winnaar
 
mag proberen jouw tol te splijten. Hoeveel
 
uren arbeid om zo'n mooie tol - eigenlijk
 
een kunstwerk - te maken, zijn niet verloren
 
gegaan op een scherpe punt!
 
 
 
(10)
 
Ik ben Arubaan! Met mijn fleurige
 
vlieger, vastgeplakt met bloem, gom of
 
cactussap, heb ik op de wegen gespeeld.
 
Cashew noten in plaats van knikkers. Op
 
een cent slaan om te kijken of het
 
kruis of munt wordt. Scheepjes die in de
 
wind over het gladde zand met mijn illusies
 
voortschuiven.
 
 
 
(11)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb in de bossen
 
gedwaald op zoek naar vogels, inheemse
 
druiven en shimaruku-kersen. Cactusdadels,
 
brebavruchten en vruchtjes van
[p. 130]
 
breba, maripampun. Zambuya na
 
Smal, busca cleconchi y tira
 
liña na baranca, drenta kloof y
 
tur spelonk. Hiba susto cuanto
 
biaha! Te awe mi ta asombrá!
 
 
 
(12)
 
Mi ta Arubiano! Cu dos halifat
 
riba siya di burico mi a bai
 
pos bai saca awa. Hala winchi
 
te cria cayo. Awa di tubo ta
 
un luho cu mi hubentud no
 
concoce. Pero e awa brak, si,
 
hasta salu, sacá fo'i den
 
tinashi. Ay qui dushi!
 
 
 
(13)
 
Mi ta Arubiano! Como mucha
 
cuanto biaha mi no a bai un
 
ocho dia. Rezamento di rosario
 
p'aden cas pa descanso di
 
difunto y contamento di chasco
 
y cuenta p'afor. Despues
 
partimento di chuculati o
 
coffie cu buscuchi.
 
 
 
(14)
 
Mi ta Arubiano! M'a come tutu,
 
mangusa y cachapa di maishi
 
grandi, cayente cu manteca di
 
tres color. Quico ta dj'un hak
 
di bolo o boyo cu chuculat'i
 
cashipete Pascu mainta. Bo por
 
imaginabo un conch'i coffie cu
 
basta di cané mulá?
[p. 131]
 
de maripompun. Op Smal heb ik naar
 
oesters gedoken en met lijnen gevist.
 
Kloven en spelonken binnengedrongen. Zoveel
 
keren geschrokken. Tot op heden vraag ik me
 
af waarvan!
 
 
 
(12)
 
Ik ben Arubaan! Met twee halve vaten op een
 
ezelszadel ben ik naar de put gegaan om water
 
te putten. De draailier gebruikt tot het eelt
 
op mijn handen stond. Waterleiding was een
 
luxe, die ik in mijn jeugd niet kende. Wel was
 
er brak water, zelfs zoutig, uit een kruik.
 
Ach hoe heerlijk!
 
 
 
(13)
 
Ik ben Arubaan! Als kind ging ik vaak naar de
 
novene voor een overledene. Binnenshuis werd
 
voor diens zielerust de rozenkrans gebeden,
 
terwijl buiten de nodige verhalen en grapjes
 
werden verteld. Daarna ging men rond met
 
chocolademelk of koffie met beschuit.
 
 
 
(14)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb tutu1, mangusa2
 
en warme maïskoeken gegeten met driekleurige
 
boter erin. Wat vind je van een stuk taart
 
of koek van chocolade en cashewpitten op
 
Kerstochtend? Kun je je voorstellen een
 
kommetje koffie met fijngemalen kaneel
 
erin te drinken?
[p. 132]
 
(15)
 
Mi ta Arubiano! M'n tabata
 
conoce refrigerador, pero carni
 
fresco, pargo, conofees, haldo,
 
sardin y masbango na granel. Mi
 
ta corda con ta mata porco,
 
kita carni, dirti res. Pa ser
 
mas cla di e porco ta su grito
 
sol tabata bai perdi.
 
 
 
(16)
 
Mi ta Arubiano! Tur siman ta
 
mata bestia, y su carni no
 
tabatin balor. Pero mester
 
cuida e cuero pasobra e costa
 
placa. Ta cu salu y chemené
 
mester hunté pa cachor no come
 
su horea1. Watapana, lana, cuero
 
y webo tabata e placanan sin
 
cara di rey.
 
 
 
(17)
 
Mi ta Arubiano! Den liña di
 
berdura sol mi a goza hopi;
 
yuca, yams batata dushi.
 
Pampuna mes grandi cu wiel
 
di truck. Mamótica2' calbas
 
largo. Coco seco, berehen,
 
calalu y bembe blanco. Lo bo
 
por a desea mehor?
[p. 133]
 
(15)
 
Ik ben Arubaan! Een koelkast heb ik niet
 
gekend, doch wel vers vlees, verschillende
 
soorten vis, sardientjes. Bij de vleet! Ik
 
kan me nog herinneren hoe ze een varken slachtten,
 
het vlees eraf haalden en er reuzel van
 
maakten. Maar om precies te zijn, van het
 
varken ging alleen de schreeuw verloren.
 
 
 
(16)
 
Ik ben Arubaan! Elke week werden er beesten
 
geslacht. Hun vlees had weinig waarde. Wel
 
was men zuinig op de huid, want die bracht
 
geld op. Men moest de huid met zout en roet
 
inwrijven opdat de honden de oren niet
 
zouden opeten. Als geldmiddel, maar dan
 
zonder koningskop erop, gebruikte men
 
watapanapeulen, wol, leer en eieren.
 
 
 
(17)
 
Ik ben Arubaan! Temidden van verbouwde
 
groente heb ik veel genoten; yuca en
 
jams waren erg lekker.
 
Pompoen, even groot als een karrewiel.
 
Mamótica, lange kalebas, droge cocos,
 
calalu en witte bembe. Zou je nog
 
beter kunnen wensen?
[p. 134]
 
(18)
 
Mi ta Arubiano! Cuanto di nos
 
den ora di marduga a drenta
 
curá, blo sunú pa spaar
 
cashaca1, hunta mest promer cu
 
hala lechi. Otro ta bai mondi
 
bai barié. Haya naño den bo
 
dede, den horea, den cabez.
 
Flohedad tabata un vicio
 
desconoci.
 
 
 
(19)
 
Mi ta Arubiano! Cuanto biaha
 
despues di un dia duro, busca
 
palo, carga awa bini cas riba
 
coffie y pan seco. Despues,
 
bao di luz di lanterna di
 
kerosin, yuda mama traha
 
sombré te ora e curpa no por
 
mas. Mañan ta lanta torno fout.
 
 
 
(20)
 
Mi ta Arubiano! Tur atardi ora
 
solo ta bai awa mi ta corda mi
 
mamá. Con e ta prepara e
 
ballon di lampi pa cende luz
 
ora solo bai lama. Ta di quico
 
ta sirbi pa cende luz si ora
 
di oracion a pasa caba.
 
 
 
(21)
 
Mi ta Arubiano! Desde joven, di
 
marduga te tramerdia m'a drenta
 
aloe. Bakinan pisá manera morto
[p. 135]
 
(18)
 
Ik ben Arubaan! Hoevelen van ons
 
zijn niet 's morgens vroeg poedelnaakt
 
om het hemd te sparen, de stal
 
ingegaan om er mest op een hoop
 
te scheppen, voordat men ging melken.
 
Anderen gaan het veld op om keutels
 
bijeen te vegen. Daarbij krijg je fijne
 
tuna-stekels in je vingers, in je oren
 
en zelfs in je hoofd. Men kende geen luiheid.
 
 
 
(19)
 
Ik ben Arubaan! Hoe vaak heb ik niet
 
na een zware dag naar brandhout gezocht,
 
water gehaald, terwijl ik slechts koffie
 
en droog brood op had. Daarna hielp ik
 
moeder met hoeden vlechten onder het licht
 
van een kerosinelamp, totdat mijn lichaam
 
niet meer kon. De volgende morgen moest
 
moeder de fouten lostornen.
 
 
 
(20)
 
Ik ben Arubaan! Elke namiddag als de zon
 
boven zee op de horizon komt, denk ik aan
 
mijn moeder. Hoe zij de kerosinelamp
 
klaarmaakt om aan te steken. Volgens de
 
mensen van die tijd is het gepast om
 
licht aan te steken als het gebedsuur
 
voorbij is:
 
 
 
(21)
 
Ik ben Arubaan! Van kleins af aan was ik
 
vanaf 's morgens vroeg tot laat in de
 
middag bezig met het binnenhalen van de
[p. 136]
 
di hudio1. Un corte largo di
 
aloe malo. Zak, lanta, hiba malu
 
baki. Dos mil biaha dobla
 
lomba pa un miserable camina2 di
 
dos pia.
 
 
 
(22)
 
Mi ta Arubiano! Cuanto biaha
 
den cunucu den higra di solo
 
mi'n pasa mi mang'i camisa na
 
mi frenta, spera e ora di hanto.
 
Pa mi atacá e bohoti cu mi mama
 
a prepará. Funchi, cami y
 
siboyo. Coffie y un bangaña di
 
awa brak.
 
 
 
(23)
 
Mi ta Arubiano! Apenas chabalito
 
mi a ser mandá den a lucha di
 
tur dia. Segun scritura cu ta cu
 
sodor ta gana pan. Y mi a bira
 
bieuw, chacoso di tanto trabao
 
pisá. Awe cu mi yiunan grandi,
 
ta recorda sol mi por recorda.
 
 
 
(24)
 
Mi ta Arubiano! Mi a carga mi
 
mayornan hiba santana. Mi a
 
mira tur bieuwnan bai. Mi
 
amigonan a muri. Tur a ser derá
 
den mondongo di mi isla. Y
 
ainda por tin hende cu por
 
puntra mi quico mi ta! Mi ta
 
Arubiano di berdad!!!
[p. 137]
 
aloë-oogst. Zware bakken, alsof er een
 
dooie jood in lag. Dan moest je bukken,
 
de bak oppakken en omstoten. Twee duizend
 
keer de rug buigen voor zo'n ellendige
 
twee olievaten.
 
 
 
(22)
 
Ik ben Arubaan! Hoe vaak heb ik niet
 
in de snikhete zon, in afwachting
 
van de schafttijd, mijn voorhoofd
 
met mijn hemdsmouw afgeveegd,
 
om dan mijn knapzak aan te vallen.
 
Funchi en vlees met uien.
 
Koffie en een kalebas brak water.
 
 
 
(23)
 
Ik ben Arubaan! Nauwelijks een jongeling,
 
moest ik al deelnemen in de strijd om het
 
dagelijks brood. Volgens de heilige schrift
 
moet men dat in het zweet verdienen. Ik ben
 
oud en grijs geworden van het harde werken.
 
Nu mijn kinderen groot zijn, heb ik slechts
 
de herinnering behouden.
 
 
 
(24)
 
Ik ben Arubaan! Ik heb mijn ouders
 
naar het graf gedragen. Ik heb
 
alle oudjes zien gaan. En ook
 
mijn vrienden zijn gestorven. Ze zijn
 
allemaal begraven in de schoot van mijn
 
eiland. En nu nog zijn er mensen, die
 
mij vragen wie ik eigenlijk ben!
 
Ik ben in hart en nieren Arubaan!!!
 
 
 
[De strofen 4 t/m 8 zijn vertaald door Luis H. Daal]
[p. 138]

Het gedicht ki bo sa? van Julio Maduro past in de gevoelscultuur van de romantici. Het gaat in op de dualiteit van het leven, waarin mensen zonder duisternis het licht niet kunnen ervaren. De verwonding, minachting en valse beloften, waarvan Maduro spreekt, geven reliëf en inhoud aan het begrip liefde.

Het gedicht heeft een zekere spanning. Maduro werkt naar een climax toe. Aanvankelijk is sprake van lichamelijke gevoelens, zoals het kloppen van het hart (r 3), maar verderop raken de emoties de ziel (r 10), waarbij ‘alma’, ziel, is vertaald door ‘adem’. Uiteindelijk is de mens alleen met God (r 30).

Het thema van ‘Ki bo sa?’ is de romantische visie, dat aan liefde het lijden onverbrekelijk verbonden is. De dichter werkt deze thematiek uit aan de hand van een aantal gevoelige beelden. Hij plaatst de liefde naast de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Pas in de eenzaamheid van een verloren relatie beseft iemand de essentie van de liefde.

De eerste drie strofen

De eerste twaalf versregels bevatten intensiverende retoriek en antithese, nog versterkt door het reeds gesignaleerde toewerken naar een climax. De droefheid van regel 3 is in regel 6 uitgewerkt in het tragische beeld van een nooit te genezen wonde.

De verachting en spot van een meedogenloze buitenwacht wakkeren deze gevoelens van droefheid nog aan. Zij raken aan de kern van het bestaan. Zonder liefde, het voedsel voor de ziel, ontstaat innerlijk een leegte, die vrees (r 12 oproept.

De centrale vierde strofe

De kosmische gevoelsexpansie, die bij het ideaaltype van de romanticus behoort, komt naar voren in de religieuze beelden van de kruisweg. De dichter identificeert zich met Jezus op de Calvarie-berg, van wie de boodschap naastenliefde is. Zo verheft Maduro de menselijke liefde tot een goddelijke. Hij gebruikt in deze strofe bewust meer rijm dan in de rest van het gedicht. De diepste inhoud is, dat de dichter zich laat kruisigen. Het kruis is het zinnebeeld van het lichaam van de mens, wiens ziel door aardse beproevingen tot spirituele groei kan komen.

Steeds stuiten we in ‘Ki bo sa?’ op de verhouding van de mens tot het bovenzinnelijke. De dichter projecteert zijn gekwetste innerlijk op de gebeurtenissen rond Calvarië. Het gedicht handelt niet over een bepaalde liefde, maar liefde in het algemeen.

[p. 139]

De laatste drie strofen

In de strofen vijf en zes volgt overgave aan een hogere instantie. Het kruis is te zwaar om alleen te dragen. De behoefte aan liefde slingert een mens tussen het aardse en het spirituele heen en weer. Wie een dierbare relatie verliest verlangt naar de dood als verlosser van zijn pijn.

In regel 25 neemt het gedicht een wending, want daar geeft iemand zich over aan zijn lot, in tegenstelling tot het steeds niet willen accepteren van het verdriet in de voorafgaande strofen. Begrijpend accepteren relativeert en verzacht het leed, wat is aangegeven door de beeldspraak ‘omstralende glimlach’ in de regels 27 en 28. Pas door berusting kan iemand zijn verdriet verwerken. Huilen (r 29) werkt bevrijdend.

De climax is, dat je uiteindelijk wordt teruggeworpen op jezelf of op God, die als laatste woord van het gedicht (r 30) is genoemd. In deze regel komen de lijnen van dit gedicht samen. Liefde heeft te maken met de goddelijke essentie van de mens, die volgens mystici opbloeit binnen het gekruisigde lichaam. Maduro legt verband tussen liefde, lijden en het goddelijke. Het gevoel van eenzaamheid wordt in de slotregels beklemmend opgeroepen met het driemaal herhaalde ‘alléén’. Het woord ‘anochi’, bij nacht (r 29) heeft de connotatie van duisternis.

Ki bo sa?
 
Ki bo sa di amor
 
Bo ku nunka a sinti
 
e angustia ni palpitasion
 
 
 
Ki bo sa di amor
 
Si nunka bo a sinti bo
 
Kurason yaga,
 
pa n' kura nunka mas
 
 
 
Ki bo sa di amor
 
Si desepresio nunka tabata
 
bo suertè. Ku nunka b'a
 
sinti nan mofabo ni
 
Bo alma n' bati den bo
 
boka di sustu p'a perdè.
 
 
 
Akaso b'a bira víktima
 
di mal pasion o promesa falsu
 
Akaso bo tambe konosé e berea
[p. 140]
 
di Calvario; b'a karga krus
 
o pa bist' i pueblo b'a bisti
 
bo kurason ku lágrima i luto?
 
 
 
Ki bo sa di amor
 
si nunka b'a lastra na rudía
 
ni implorá pa tera habri kubo.