De dichter a.j. frank booi werd geboren op 27 januari 1947. Zijn familie van Bonaireaanse afkomst bezat op Aruba een bloemenzaak. Booi ging in Nederland studeren. In die periode publiceerde hij poëzie in Kontakto Antiano. Weer terug op Aruba was hij als leraar Nederlands verbonden aan het Colegio Arubano. Hij was mede-auteur van de bloemlezing Mañan, ‘morgen’ van zes schrijvers en van ‘Cosecha Arubiano’, ‘Arubaanse oogst’, in oktober 1983 uitgekomen op Aruba.
In het Antilliaanse maandblad Kontakto Antiano heeft Frank Booi onder andere vier gedichten gepubliceerd, waarin het centrale thema van zijn poëzie naar voren komt. In de editie van maart 1971 verscheen ‘Ta pakiko anto’, te vertalen met ‘moet dat nou’. Daarin stelt hij de zwarte en de blanke man tegenover elkaar. De maand daarop publiceerde hij in dit maandblad Bisami antó, ‘zeg me dan’ waarin hij verder borduurt op het lot van gekleurde mensen. In november 1971 verscheen van hem in genoemd blad ‘Deskubri herensia’, ‘ik ontdek mijn afkomst’.
Booi beschrijft hier een proces van bewustwording. De donkere wereld, die Booi de rug heeft toegekeerd, is feitelijk het meest wezenlijke van zijn bestaan. Het licht, dat de grot binnenvalt, symboliseert de waarheid, die hem zijn eigen identiteit doet ontdekken.
In Kontakto Antiano van januari 1972 publiceert hij ‘Buska bo kaminda’, ‘zoek je eigen weg’. Het is hem duidelijk geworden, dat hij de weg naar zijn eigen wieg moet terug vinden. Het is deze weg tot zelfbewustzijn, die als een rode draad door zijn gedichtenbundel van 1975, Keho na kaminda, loopt. In ‘keho’ vinden we het Portugese ‘queixar’, ‘klagen’ terug. Kaminda is afgeleid van het Portugese ‘caminho’, ‘weg’. Frank Booi klaagt en tegelijkertijd is hij op weg. Dus: klagend op weg.
Het gedicht G.A.S. slaat op de ervaringen van schoolkinderen in de eerste klas van het basisonderwijs. Van de ene dag op de andere veranderen de eigen Papiamentstalige woorden ‘kabrito’, ‘makako’ en ‘karné’ in geit, aap en schaap als equivalent van aap, noot, Mies.
De ‘blanke’, Nederlandse woorden, betekenen een aantasting van het eigene, de identiteit van het kind. De dichter suggereert, dat de leerkracht de hersenen van de kinderen vergiftigt. Hij doet dit in de titel, in het gebruik van het woord sigarettenrook in regel 4 en ‘gas’ in regel 16. Het geschapene, de eigen taal en daarmee de cultuur, dreigen te worden uitgeroeid (r 17). Door het feit, dat ze in het Nederlands les krijgen, raken de Antillianen en Arubanen van hun oorsprong vervreemd.
Kenmerkend voor het gedicht is de woordspeling in de titel, die kan worden gezien als een afkorting van geit, aap en schaap. Deze woordspeling wordt herhaald in de beklemmende beeldspraak van de regels 16 en 17. Booi hanteert dichterlijke beelden, zoals blanke woorden, heupwiegend gewicht, tweetalige hersenen en de vergelijking met Genesis. Qua vorm hebben we hier te doen met het vrije vers.
In het boek Papiamentu, problems and possibilities, Walbrug Pers, 1983, wijdt Enrique Muller een artikel aan het belang van de eigen taal. Hij schrijft:
‘Confronting a child with a foreign language in Kindergarten through a foreign language program, is stating implicitly that the language experience the child takes to school from home is not important enough. This idea that an essential part of our being is unimportant is not limited to language only; it affects all aspects of our community life. Because of the way our country has developed we have not yet had the opportunity to feel really free. We have not developed the basic will to become independent, to build up our country with our own strength.’
Het gedicht aña 'den aña fo gaat over het geboorte-eiland van de dichter. Evenals de hiervoor in dit hoofdstuk genoemde gedichten maakt het deel uit van de bundel Keho na kaminda. De thematiek van de aantasting van de eigen identiteit, zoals in ‘G.A.S.’, is ook hier terug te vinden. De woorden ‘jaar in, jaar uit’ leiden vier onderdelen in: (1) bevuiling, (2) oogstdans, (3) roddel, (4) dood en leven.
Met de herhaling van de titel in regel 1 en verderop beklemtoont de dichter steeds dezelfde kringetjes. Evenals in ‘G.A.S.’ voelt de dichter zich aangetast
door bevuiling. Daarom laat hij zich schoonwassen door de verfrissende, tropische regen. Het beeld ‘in de regen rennen’ doet denken aan jonge kinderen met hun nog niet veloren spontaneïteit.
De spontaneïteit is weg, want de dichter voert blijkens regel 9 de oogstdans heimelijk uit. Van binnen voelt Frank Booi een rijkdom, die hij maar beter voor zichzelf kan houden. Die rijkdom heeft te maken met gebruiken van weleer, zoals het oogstfeest. Zulke gebruiken passen niet langer in het beeld dat de Arubanen van zichzelf hebben en wat Booi als verontreiniging ervaart.
Frank Booi ziet geen kans om gestalte te geven aan zijn eigen ‘waarde’ omdat zijn naaste omgeving, familie, die waarde met hun roddel naar beneden zou halen. Zo verdwijnt zijn spontaneïteit onder de zuiging van het conformisme, die hij in regel 15 vergelijkt met een draaikolk. In de kleine Arubaanse leefgemeenschap is de sociale controle natuurlijk groot. Booi uit een aanklacht tegen de bekrompen opvattingen van de Arubanen.
Na de inleidende herhaling ‘jaar in, jaar uit’ volgen de tegengestelde beelden van sterven en geboorte. Booi heeft naar een climax toegewerkt. Eerst kon hij nog onbezorgd in de regen rondrennen (r 2), meer serieus waren de oogstdans en het offer (r 7 en 11) en nog ernstiger is het sterven (r 19).
In de regen blijven doodgaan heeft iets paradoxaals, omdat regen leven brengt. In de dichter sterft iets, maar het zaad, zijn poëzie, komt tot bloei. Met de nieuwe collectieve wereld doelt hij waarschijnlijk op het moderne Aruba met zijn vernederlandste normen.
Dit gedicht sluit aan bij Booi's hoofdthema, klagend op weg gaan naar meer gezonde opvattingen. Hij beschrijft hoe de eigen identiteit op Aruba teloor gaat door geroddel en invloeden van buiten. De gekoloniseerde heeft zich de opvattingen van de kolonisator eigen gemaakt en onderdrukt nu de afwijkingen van die norm op zijn eigen eiland.
De letterkundige dijkhoff werd op 24 april 1950 geboren op Aruba in het buitendistrict Tanki Leendert. Thuis spraken ze Papiaments. Zijn vader was controleur bij de bestrijding van de muskiet, die gele koorts veroorzaakt. In zijn jeugd maakte Dijkhoff deel uit van de muziekgroep ‘Los Juvenilles’. Ze speelden ook in de dande, een tijdens de jaarwisseling huis aan huis gebrachte serenade. Eens speelden ze de dande bij Mario's ouderlijk huis, of vader Dijkhoff niet uit bed wilde komen om de stekende muskieten, de nachtelijke muzikanten, weg te jagen.
Op het Colegio Arubano heeft Dijkhoff de havo doorlopen. Daarna gaat hij in Amsterdam Spaanse taal en letteren studeren, welke studie hij afrondt in het Westduitse Munster. Hij is getrouwd met een Duitse en heeft een zoontje.
Van 1976 tot medio 1981 maakte Dijkhoff deel uit van de redactie van Kontakto Antiano. In dit politiek linkse tijdschrift publiceert hij gedichten. Het hierna geanalyseerde ‘Mi pueblo’ is onder de schuilnaam Mike verschenen in Kontakto Antiano van november/december 1977. Hij verzorgde in dit blad een rubriek onder de kop ‘Pensamento di un loko’, de gedachte van een dwaas.
In 1976 verscheen van zijn hand de poëziebundel ‘Poesia te asta pa bo’, ‘poëzie, zelfs voor jou’. Een tweede deel verscheen het jaar daarop, waaruit een gedicht is opgenomen in dit hoofdstuk. Richard E. Wood van het Plymouth State College, University of New Hampshire, heeft aan beide bundels een recensie gewijd, die is opgenomen in World literature today.
Met medewerking van Magalis Vos de Jesús publiceerde Dijkhoff in 1980 een Papiaments-Nederlands en Nederlands-Papiaments woordenboek bij de Walburg Pers. Raúl Römer schreef er een woord vooraf bij. Er waren wel woordenlijsten, zoals die van Ito Tromp in 1971, maar het woordenboek van Dijkhoff was het eerste volledige overzicht van het Papiaments.
In zijn gedichten brengt Dijkhoff maatschappelijke misstanden naar voren. Zijn sociale bewogenheid blijkt overigens in ‘Mi pueblo’.
Het gedicht mi pueblo telt liefst zeventien strofen van elk gemiddeld slechts drie regels. Opvallend is het parallellisme. De eerste tien regels komen min of meer ongewijzigd verderop terug. Zo'n overvloedige herhaling is een traditioneel idee. De bijbel staat er vol mee in de psalmen. Het gedicht krijgt er iets bezwerends door.
Het genre is een elegie. Dijkhoff klaagt in zijn lied over het droevige lot van zijn volk, dat sterft. Vandaar de stilte, die hoort bij een sterfgeval. Het gaat om een afsterven van ‘oude’ waarden, zonder dat er nieuwe voor in de plaats komen en om verlies aan menselijkheid, doordat men uit elkaar groeit.
Het thema van ‘Mi pueblo’ is het materialisme. Het gedicht bestrijkt drie perioden op Aruba, die van armoede en verbondenheid van voor de komst van de industrie circa 1930, het verloren gaan van bepaalde waarden bij toenemende welvaart (1930-1950), schijnwelvaart en geestelijke verarming sindsdien. De tijdvakken overlappen elkaar. Het Aruba van weleer is beschreven in de regels 7 tot en met 17. Daarna is er een mengeling van twee, drie werelden, waarin men tegelijkertijd leeft.
Dijkhoff maakt de beginregels extra kernachtig door de rijmende woorden ‘silensio’, ‘pueblo’ en ‘muriendo’. Hij protesteert tegen de luidruchtigheid van de wereld en roept op tot stilte. In het begin van het gedicht, waarin hij zich persoonlijk tot zijn volk richt, zijn de tegenstellingen van sterven en leven, zingen en huilen verweven. Het sterven is figuurlijk bedoeld, want Dijkhoff denkt aan de maatschappij van weleer. In de stilte die het sterven omgeeft brengt hij zijn lied. Opmerkelijk is, dat de tekst geheel in de tegenwoordige tijd staat. Het is vooral een beschrijving van de huidige toestand. De dichter vlucht dus niet in het verleden.
In de regels zeven tot en met zeventien bezingt hij het Aruba van voor 1930. De paradox ‘het regent stilte’ is een goed doordachte beeldspraak. Als het regent valt op het eiland de passaatwind meestal weg, zoals ook hier, waar de wind zich verstopt achter de heuvels.
‘Mijn land is stervende’ (r 11) is geen beeldspraak, maar een keiharde constatering. Deze opmerking slaat op de nagenoeg verdwenen agrarische sector. Wellicht onbewust noemt Dijkhoff een aantal watervruchten, meloen in regel 14, watermeloen en pompoen in regel 32 en nog eens meloen in regel 45. Water staat voor vruchtbaarheid en leven. Stilte en regen sluiten daar op aan. Het woord stilte is in deze context dualistisch, want het suggereert een geestelijk gezond klimaat, maar doet tevens aan een dodewake denken.
Met ‘mijn volk bidt’ (r 19), totum pro parte, het geheel voor een deel, begint het veranderingsproces. Men bidt om wat verloren ging en nog verloren zal gaan door het proces van industrialisatie. Dijkhoff doelt op de innerlijke stilte, die teloor gaat in de jachtige, moderne maatschappij.
In de regels 27 tot en met 32 schetst de dichter de steeds wijdere generatiekloof. De grootouders wonen in de eerste wereld, de ouders in de tweede en de kinderen in de derde. Zo botsen opvattingen. Het woord wereld staat voor gedachtenwereld.
Het volk is zwijgend en lijdzaam (r 40 en 41). De nieuwe technologieën komen van buiten. De wereld is gekunsteld, dus onnatuurlijk. De materiële welvaart vraagt zijn prijs, zoals bijvoorbeeld ook Nena Bennett in ‘Anja di turismo’ aangeeft. Ook dit gedicht is in deze studie opgenomen. De materiële rijkdom contrasteert met de geestelijke armoede (r 46).
Dijkhoff brengt naar voren, dat zijn volk en land sterven, in casu veranderen. Hij doelt op de goeddeels verdwenen agrarische produktie, waaraan de jongste, derde, generatie zelfs de herinnering verloren heeft. De ouderen betreuren het feit, dat lokale groente- en fruitsoorten verdwenen zijn (r 19, 20).
Herhaaldelijk wijst Dijkhoff op het aspect stilte. Dit kan duiden op bezinning en op een kwaliteit van het landelijke leven van weleer. Ook kan men nog denken aan de stilte rond de dood. Tenslotte worden in de regels 48 en 49 nogeens de consequenties van die veranderde wereld vermeld.
| de wereld | ||
|---|---|---|
| Gezichtspunt | meloen en maïs | gekunsteld |
| materieel | armoede | rijkdom |
| spiritueel | rijkdom | armoede |
In geestelijk opzicht sterft het Arubaanse volk aan zijn onwetendheid omtrent de illusoire zegeningen van de nieuw verworven rijkdom. ‘mi pueblo ta muriendo/di ignoransia i soledat’. Daarmee besluit Mario het gedicht. Men is onwetend omtrent de verbondenheid van vroeger. In onze tijd viert eenzaamheid hoogtij.