De dichteres eugenia adelicica bennett werd op 14 juli 1935 in Oranjestad op Aruba geboren. Van jongs af aan noemde men haar Nena. In Oranjestad volgde zij de lagere school en een jaar mulo. Op haar vijftiende jaar vertrok Nena Bennett naar Nederland, waar zij haar studie voortzette in de tweede klas van een driejarige ulo. Zij verbleef in een internaat te Reuver, Limburg.
Eveneens in Reuver doorliep zij de kweekschool, waar zij na vier jaar haar onderwijzersdiploma behaalde.
In 1955 keerde zij terug naar Aruba. Bennett was toen twintig jaar oud. Op dit eiland heeft zij tot 1962 voor de klas gestaan, met een onderbreking van zes maanden op Sint Maarten.
In 1962 is Nena Bennet getrouwd, waarna het echtpaar naar Nederland vertrok. Daar woonden zij tot 1967 in Volendam. In die jaren schreef zij poëzie op losse blaadjes, die later bij verhuizingen verloren gingen.
In 1972 heeft zij voor het eerst gepubliceerd, en wel in Watapana. In het februari-nummer, jaargang 4, zijn twee gedichten van haar opgenomen.
Van het eerste, zonder titel, zijn de beginwoorden: ‘mientras watapana ta zwai’, ‘terwijl de watapana wiegelt’. Het tweede gedicht is ‘M'a skapa’, dat in dit hoofdstuk is opgenomen.
Ook in het Arubaanse blad Skol i Komunidat verschenen gedichten van deze schrijfster.
Nena's echtgenoot is musicus. Zij heeft liedteksten voor zijn composities geschreven. Het lied ‘Awor’ kreeg de eerste prijs op een Papiaments festival in 1979. In 1980 koos men hun lied ‘Amor para ti’ uit om de Nederlandse Antillen te vertegenwoordigen op het Argentijnse Oti festival.
Datzelfde jaar voerde Nena Bennett op de Fest-Antil te Curaçao een experiment uit met ‘poesia-balia’. Op muziek reciteerde Nena haar poëzie, waarbij de balletgroep van het Cultureel Centrum
Aruba (C.C.A.) dansen uitvoerde onder leiding van Iris Bernabela. De choreografie stelden zij samen vast.
In Skol i Komunidat publiceerde de onderwijzeres Bennett elf gedichten. Tot bundelen is zij tot nu toe niet gekomen. Ze kent drie thema's; liefde, hang naar eeuwigheid en Aruba. Het verderop geciteerde gedicht ‘Relashon’ bevat alle drie de elementen.
Het liefdesgedicht relashon heeft als thema de geslachtsgemeenschap. De dichteres bouwt naar steeds abstracter beelden toe, waardoor de delicate inhoud goed tot zijn recht komt. Drie onderdelen laten zich onderscheiden; de geliefde (r 1, 2), wat zijn komst opwekt (r 3 t/m 6), wat ze beiden ervaren (r 7 t/m 9).
Aanvankelijk gebruikt de dichteres concrete begrippen zoals kibrahachabomen en cactussen. De sterren beduiden het licht in de ogen. Sterren hebben de connotatie van de nacht. Daarna gebruikt Bennett wat minder concrete begrippen zoals kleuren en een metafysische wolk, die innerlijk, gevoelsmatig wordt ervaren.
De beelden in de beginregels vertolken de mannelijkheid van de partner. De kibrahacha is een boom vol goudgele bloemen, die fungeert als symbool voor glanzende, mannelijke viriliteit. Vergelijk Frank Boois gedicht ‘Un anochi mi a soña’, waarin hij de kibrahacha met de vaderfiguur associëert. Het woord ‘kibra’ betekent ‘breken’ en ‘hacha’ is ‘bijl’. Je breekt je bijl kapot. Vader is keihard geworden. Ook de stekelige schijfcactus in ‘Relashon’ is een concreet object, dat verwijst naar een erachter schuilgaand begrip. De schijfcactus weet zich met zijn stekels goed te verdedigen tegen vraatzuchtige geiten. Die stekeligheid doet denken aan mannelijke weerbaarheid.
De regels vijf en zes krijgen op tweeërlei wijze extra aandacht, enerzijds door de herhaling van het laatste woord in regel vijf, kòrá, aan het begin van de volgende regel, anderzijds door de antithese, die indirect in de woorden rood en blauw aanwezig is. Blauw heeft de connotatie van afstandelijk, koud. Rood is daarentegen indringend, warm. Hier staat de omgekeerde herhaling, de stijlfiguur van de chiasme. We hebben hier een combinatie van leven en dood. Een en ander suggereert beweging en vervoering met een climax.
‘Relashon’ is een voorbeeld van een vrij vers geschreven in de gewone spreektaal. In zijn eenvoud is het een mooi gedicht. Achter de tekst gaat een rijke inhoud schuil. Jammer, dat de slotregel wat banaal is.
nydia maria enrica ecury werd op 2 februari 1926 op Aruba geboren uit een donkere vader en een blanke moeder. Op haar dertigste is zij op Curaçao gaan wonen. Ecury is gescheiden en moeder van twee kinderen. Aan de Nilda Pinto school gaf zij lessen in het Engels en Papiaments. Daarna is zij gedetacheerd bij het Departement voor Onderwijs.
Als mede-oprichtster van de toneelgroep Thalia heeft Ecury geregisseerd, toneel gespeeld en enkele buitenlandse blijspelen bewerkt. Ook leidde zij een toneelgroep van kinderen tussen zes en twaalf jaar. Als cabaretière trok zij met haar ‘one woman show’, ‘Luna di papel’, papieren maan, volle zalen.
Van Nydia Ecury zijn vier poëziebundels uitgekomen. In 1972 verscheen ‘Tres Rosea’, drie ademtochten, die samen met Mila Palm en Sonia Garmers is geschreven. Het boekje gaat over alledaagse onderwerpen zoals kinderen, kindermeisjes en vriendschap. Meer diepgang heeft het gedicht ‘Sekura’, droogte, dat illusies en dood als thema's heeft.
In februari 1976 publiceerde zij de bundel ‘Bos di sanger’, stem van het bloed. De dichteres is zich bewust geworden van haar veelzijdige afstamming. In 1978 publiceerde zij haar derde poëziebundel ‘Na mi kurason mará’, aan mijn hart verknocht, en in 1984 een vierde bundel onder de titel ‘Kantika pa mama tera’ ofwel ‘Song for mother earth’ met een Engelse vertaling naast de Papiamentstalige tekst.
De schrijfster vraagt zich in bos di sanger, ‘Stem van het bloed’ af, welke opdracht de voorouders voor haar hebben. Dit thema werkt zij uit in twee onderdelen, de droom in de eerste strofe en de aanroeping in de rest van het gedicht.
De dichteres beziet het leven door de bril van de dood, het heden door die van het verleden, de werkelijkheid door die van de droom. Het motief, de invloed en terugkeer van het verleden, komt het sterkst naar voren waar de elegicus spreekt in de regels zes tot en met elf. Het fraaie effect hiervan gaat teniet door de storende clichés ‘anochi skur’, ‘donkere nacht’ en ‘soledat intenso’, ‘onmetelijke eenzaamheid’. Ook de puntjes achter ‘tur’ in regel vijf zijn storend.
In het tweede onderdeel personifieert de dichteres de stem van het bloed, wat meer effect sorteert. Ook probeert zij in de derde strofe extra nadruk te leggen op de woorden ‘Eslabon’ en ‘Generashon’ door Schakel en Geslachten met een hoofdletter te schrijven. Dit geldt ook voor ‘Tradishon’ in de strofe daarop. Geslachten en traditie staan centraal in de cultuur van een volk. Ecury ziet de consequenties daarvan voor zichzelf onder ogen. Dit is de boodschap van ‘Bos di sanger’.
De stem in de elfde versregel symboliseert de voorvaderen. Dit bekrachtigt de dichteres in de regels vijftien tot en met achttien, waarin de tegenstelling tussen talloze doden, jullie, en één levende, haarzelf. Vreemd genoeg hanteert zij in regel 15 ‘boso’, ‘jullie’ en in regel 44 ‘bo’, ‘je’ voor wat de stem van het bloed bij haar oproept.
De aanroeping slaat in de strofen vier en vijf op de geografische oorsprong van de traditie. Ecury vraagt zich af waar haar wortels liggen. Zij benadert dit proces van bewustwording vanuit haar eigen persoon, los van de maatschappij, maar niet los van haar familie voor wie ze wellicht een taak heeft. Overigens voegt de vertaler met ‘zwart Afrika’ in regel 24 nog een cliché toe.
De regels 28 tot en met 30 bevatten een toespeling op gebeurtenissen uit de geschiedenis, de Tweede Wereldoorlog. Waarschijnlijk denkt de dichteres daarbij aan de in Nederland gefusilleerde verzetsstrijder Segundo Jorge Adelberto Ecury, die van Arubaanse afkomst was.
Het boeiende van dit gedicht zit in de vele erflijnen. Ecury is waarschijnlijk iemand, die veel tegenstrijdigheden in zichzelf voelt. Ze blijkt nogal onzeker. Er zit ook het ongeduld in van iemand, die een rol wil hebben, maar niet weet welke (r 16 t/m 23). De schrijfster voelt zich onbevredigd,
wat blijkt uit de vragen, die telkens gesteld worden. Er zit ook iets in van tekort schieten, niet verder kunnen. Ze heeft een opdracht, die ze niet begrijpt (r 38 t/m 41).
Het gedicht tètèchi is ontleend aan de bundel Tres rosea. Samen met de gedichten ‘Frèn’, ‘Karidat’ en ‘Pai su yu’ past Tètèchi goed in de sfeer van het nadien uitgekomen ‘Bos di sanger’. Frèn is een meisjesnaam. De beide andere titels zijn te vertalen met liefdadigheid en pappie's kind. In Tres rosea beschrijft Ecury voorvallen uit het dagelijks leven rond de familiekring. Ze belicht soms op indringende wijze het contact met medemensen.
Een kindermeisje als onderwerp van een gedicht vraagt om eenvoud in overeenstemming met de sfeer van het gedicht. ‘Tètèchi’ bevat korte regels, simpele woorden, herhalingen en weinig adjectieven. Het thema is universeel; het ontvangen en geven van liefde.
De beeldspraak ‘alma noble’ in regel 3 kan bogen op een zekere traditie en is om die reden weinig origineel, alhoewel het woord ‘ziel’ in dit gedicht essentieel is. De liefde van het kindermeisje fungeert als voedsel voor de ziel van de dichteres. In de regel 16 en 17 spreekt Ecury van de zwarte moeder in tegenstelling tot de echte blanke moeder.
In de regels 3, 4, 17 en 18 komt het edele en liefdevolle van de zwarte moeder naar voren. In dit gedicht spreekt Ecury over een liefde, die over de grens van de dood heengaat, een sterke vorm van liefde. Tètèchi moet wel zijn overleden, want anders zou je haar gewoon opzoeken. Bovendien gebruikt de dichteres in genoemde regels de verleden tijd.
Ook Henry Habibe noemt zijn kindermeisje in het gedicht ‘Papia Patua?’, dat eveneens in dit boek is opgenomen. Zijn thema is echter niet het eenvoudige kindermeisje. Het woord ‘patua’ in de Papiamentstalige titel is een vertaling van het Franstalige ‘patois’, dat dialect betekent. Habibe wil het ‘dushi papiamentu’ niet gelijkschakelen met plat praten maar met een volwaardige taal. Ook bij deze dichter is er een proces van bewustwording van ‘mi lenga su lombrishi’, ‘de navelstreng van mijn taal’. ‘Papia Patua?’ is meer georiënteerd op het volk, waarvan de taal gemeengoed is. Qua vorm is Henry's gedicht gecompliceerder dan ‘Tètèchi’, zie bijvoorbeeld de uitvoerig uitgewerkte metafoor over de roos.
Nydia Ecury wil ook liefde aan het kindermeisje geven. Dat werpt een aardig, persoonlijk licht op de dichteres. Hier blijkt de grote rol van het kindermeisje in haar opvoeding. Dit maakt de parallel met Habibe duidelijk. Het gaat niet alleen om het kindermeisje, maar op bedekte wijze ook over de taal. De regels drie en vier (Alma noble/k'a guiami) duiden erop dat er
Papiaments gesproken werd, omdat anders de dichteres zich nooit door het kindermeisje had kunnen laten leiden. Het woord ziel slaat ook op de taal als ziel van het volk. De yaya brengt iets van de ziel van het volk mee. Dát is de diepere thematiek van het gedicht.
De dichter ireno ricardo kock werd 20 oktober 1948 op Aruba geboren. Zijn gedichten gaan over de natuur, de mens en de schepper. Hij behoort tot de Arubaanse talenten van de jaren zeventig, die mede hun stempel hebben gedrukt op het Papiamentstalige culturele tijdschrift Brindis.