Ik ben naar Amsterdam geweest.
De première van de film ‘De Witte’ werd daar gegeven op vrijdag 15 februari 1935 en de ‘baas van 't spul’ schreef me, dat ik daar absoluut moest aanwezig zijn, dat Jefke Bruyninckx, de vertolker van de Witte-rol er ook zou zijn, en Magda Janssens, en Jan Vanderheyden, en dat de pers erop uitgenodigd was, en een van de Amsterdamse wethouders er het woord zou voeren, en dat de autoriteiten van mijn eigen land er zouden aanwezig zijn, en dat hij al sedert acht dagen voor de ingang van zijn bioscoop een plakkaat had uithangen waarop vermeld stond, dat de schrijver van ‘De Witte’ in hoogst eigen persoon zou aanwezig zijn op die gala-avond, dat hij dit ook reeds op de invitaties had medegedeeld, - en hoeveel andere argumenten die geslepen en gewiekste filmexploitant er nog wist op te vinden om mij te overtuigen van de absoluutheid der noodzakelijkheid daar te zijn, weet ik niet meer. Waarschijnlijk vergat die man, hoe gevoelig ik ben voor eerbetuigingen en handgeklap!...
Hij wilde bij mij de indruk wekken, dat heel zijn onderneming in duigen viel en hij zich uit wanhoop zou verhangen, indien ik niet op die vrijdag 15 februari, te 8 uur 's avonds aanwezig was in het Alhambra-theater. En ik kreeg óók die indruk. Met de gewone mij kenmerkende bescheidenheid heb ik tot mijzelf gezegd: ‘Claes, jij moet daar naartoe, je kunt heus de stad Amsterdam en de Hollandse natie die smaad niet aandoen!’ En zo ben ik ge-
gaan, om niet de oorzaak te zijn van het onterend einde van een bioscoopdirecteur.
Zo ik eerst geaarzeld had, was het alleen maar omdat ik te Rotterdam reeds een première had bijgewoond, in ‘De Doelen’. En toen we na de voorstelling op het podium moesten verschijnen, hingen ze mij daar twee grote kransen van laurierblaren om de hals, met bloemen eraan, en Hollandse en Belgische linten. Iets wat mij nog nooit overkomen was.
Jefke Bruyninckx, de vertolker van de Witte-rol, had die kronen zien liggen voor we op het podium traden, en hij fluisterde mij in het oor: ‘Hier zal morgen wel iemand begraven worden...’
Oordeel zelf over Jefkes verrassing, toen ze hem daarna een van die kransen om de hals hingen.
Die kransen werden ons nagestuurd naar België. De man van het station, die ze mij bracht, trok een ernstig gezicht en deed er zijn eigen kaartje bij, met in potlood daarop geschreven: Condoléances sincères. Hij dacht, dat er in mijn huis een lijk lag en dat die kronen voor dat lijk bestemd waren. En hij rekende daarbij klaarblijkelijk op een milde fooi. Acht dagen hebben die kronen in mijn huis op een divan gelegen in de salon, waar ieder bezoeker ze dus goed kon zien. Mijn huisgenoten wilden het zo. Ik had die kronen op een plaatsje neergelegd waar ze rustig konden blijven liggen, voor lange jaren. Het is de schuld van mijn hond, van Black, dat die mooie kronen van de divan verdwenen zijn. Ik houd daarom niet minder van Black.
Over de smaak van dieren is het al even onzinnig
discussiëren als over de smaak van de mensen. We hebben eens een kater gehad, die verzot was op aardappelschillen. Het was overigens een zeer gekke kater, die nog meer eigenaardigheden had. Het paard van mijn zoon, die soldaat is bij de ruiterij, is verlekkerd op sigaretteneindjes. Black eet in de zomer bijna evenveel gras als een geit. Ja, hoe legt men dat uit?
Black is op een nacht, misschien van slapeloosheid, aan de laurierblaren van die kroon komen ruiken. Nog eens ruiken. Even gelikt. Dan heeft hij een blaadje ingeslikt, en nog een, en hij had 's morgens een heel stuk kaalgevreten in mijn kroon. Misschien dacht Black, dat het iets was als hondenbanket en dat er binnenin nog wat lekkerders zat. Misschien ligt daarin de verklaring, waarom mijn grootmoeder laurierblaren in de soep deed.
Black werd bekeven, hem werd voorgehouden dat hij slechte manieren had, maar daarmee zijn de kronen nu opgehangen aan een ijzerdraadje in de vestibule van mijn huis. Iedere morgen moet er nu een hoopje droge blaren weggeveegd worden en mijn huisgenoten zien met angst de dag naderen, waarop er tegen die muur niets anders meer zal hangen dan twee verdorde geraamten van kronen. Van die dag af doe ik mijn huiselijk gezag gelden en zal ik er blijven op staan, dat mijn kronen daar blijven hangen.
Vrijdag vertrokken we dus uit Antwerpen naar Amsterdam.
Jefke Bruyninckx was nog maar pas terug van Ber-
lijn, waar hij was gaan meespelen in een nieuwe Vlaamse film.
Dat goeie Jefke. Hij is nu niet alleen het beroemdste ventje van Vlaanderen geworden, hij is op weg het in Holland ook te worden, waar de film in de eerste weken op een dertigtal plaatsen gaat gedraaid worden.
Jefke ziet overal zijn foto, hoort over zijn persoontje met lof spreken, voelt zich benijd door alle jongens van zijn jaren, wordt geïnterviewd, toegejuicht, in de bloemen gezet, enfin, hij beleeft de roem van een filmster.
En Jefke is met dat alles het eenvoudigste, meest pretentieloze, braafste ventje gebleven dat men zich kan voorstellen. Neen, die krijgt het nooit in zijn bol, daarover ben ik gerust. Hij leert een vak, een gewoon vak, en dat is hem niet uit zijn hoofd te praten.
‘Jefke,’ vraag ik, ‘wat denk jijzelf daar zoal over?’
‘Och, meneer, ik weet wel dat ik maar moet meegaan als reclame voor die filmmensen...’
In mijn valies steekt een fonoplaat: ‘De Vlaamse Leeuw’ en als de man van de douane mij vraagt: ‘Niets aan te geven?’ antwoord ik: ‘Ja, de Vlaamse Leeuw.’
Hij bekijkt me onthutst en vraagt of ik ook grote bagage heb. Ten slotte moet ik voor mijn fonoplaat niets betalen, omdat ze alleen dienen moet ‘om een feest op te luisteren te Amsterdam.’
En die avond werd dan de film gedraaid. De zaal zat gestampt vol, geen plaatsje bleef onbezet en
de ‘autoriteiten’ van de Amsterdamse gemeenteraad waren daar en ook de Belgische consul-generaal, de heer Van Haute, de vroegere consul te Batavia. Hij heeft mij met belangstelling gevraagd, hoe het daar ging in Batavia en ik heb geantwoord, dat alles er nog draaide en waaide als vroeger.
Dan heb ik ook een speech moeten houden, die buiten mijn weten door de radio ging. En sprekende, sprak ik daar in dezer voege:
‘Dames en heren van Amsterdam, ik moet een speech houden, en Jefke Bruyninckx moet hier naast mij komen staan, voor de reclame. De baas van 't spul heeft dat gevraagd.
‘Wat die eerste Vlaamse film waard is, daarover kunt u zelf oordelen, u bent allemaal zo verstandig hier te Amsterdam, - 't is wel niet waar, maar jullie zien er toch zo uit, - dat ik u mijn oordeel niet wil opdringen.
‘Ik dank de Hollandse pers, omdat ze de film zo gunstig beoordeeld heeft. Ik was daar trouwens zeer gerust in: ik had vooraf aan de Hollandse journalisten-confraters gezegd: Die film?... Betekent niets! Omdat ik wist, dat ze dan allemaal zouden schrijven: ‘Die film is heel mooi’, enkel en alleen om aan die Vlaming geen gelijk te moeten geven. Ik ken ze.
‘Deze film is een nieuw middel tot culturele toenadering tussen Noord en Zuid. Tot hiertoe bestonden onze culturele betrekkingen in het volgende: Wij kwamen samen, zogenaamd intellectuele Hollanders en Vlamingen, op wetenschappelijke en letterkundige congressen, en wij zaten daarna samen aan een feesttafel, we noemden elkaar in onze
tafeltoasten ‘Broeders en Zusters!’ Hoe later in de nacht het werd, hoe hartelijker wij verbroederden en vooral verzusterden, en uit deze culturele betrekkingen is toch wel veel goeds gevloeid voor Holland en Vlaanderen.
‘Een Hollander, die twee dagen in Vlaanderen is geweest en kan ‘Joa zulle!’ zeggen, zoals een Antwerpse straatveger ongeveer, denkt dat hij Vlaams kan spreken, en een Vlaming die 't weer altijd ‘schoon’ gevonden heeft, zegt in Holland: ‘'t Is mooi weer,’ en dan denkt hij, dat hij een Hollander geworden is.
‘Verder gingen onze culturele betrekkingen niet.
‘Maar nu komt de film. De Hollandse film die naar Vlaanderen gaat, en de Vlaamse film die naar Holland gaat. Ja, ja, wij Vlamingen, wij gaan ook films maken. Want de Hollanders mogen niet langer in de mening verkeren, dat zij alleen het recht bezitten, om pretentie te hebben.
‘Nee hoor, wij hebben ook onze pretentie...’
Toen heb ik niet verder kunnen spreken. De Amsterdammers betuigden hun instemming met mijn woorden door een zo oorverdovend handgeklap, dat de toneelknecht meende dat het afgelopen was en het gordijn neerliet.