Het is ongelooflijk wat er op zo'n grote baan, Antwerpen-Brussel, al niet te zien is op een zondagvoormiddag. Maar het is eigenaardig, de ene keer zie je het en de andere keer zie je niets.
Natuurbeschouwingen, sociale overwegingen, morele bedenkingen, alles is mogelijk, op voorwaarde dat je er vooraf niet aan denkt ‘er iets over te schrijven voor de krant,’ want dan zie je opeens niks meer.
Zie, daar rijden fietsers langs de weg. De jongens dragen korte broeken, dus blote knieën. De meisjes dragen ook korte broekjes, dus ook blote knieën, met de medehulp van Broeder Wind. Zijn daar nu voor een moralist geen zeer gewichtige besluiten uit te trekken? Bijvoorbeeld: over moderne zeden in verband met fietsen en goedkope kleren.
En hoe mooi is dat, zo'n jong meisje op een fiets, de wangen blozend, een heldere blik in de verte. De beentjes...
‘Waar kijk jij zo naar?’ vraagt mijn vrouw, die me telkens weer ziet achterom blikken.
‘Wat is Vlaanderen toch een mooi land,’ zeg ik. En ik vertel over mijn broer, die na een vijftienjarig verblijf uit Congo terugkwam en die, op mijn vraag wat zijn indruk was bij het terugzien van het eigen land, mij antwoordde: ‘Het is precies of je hier woont in een grote tuin.’
Nu kijk ik ook werkelijk naar dàt soort natuur. Appelbomen en perebomen. Propere huizekens en huizen, met zondagse aanblik. Koetjes en kalfjes in de weiden, in de volle zon, met een air of ze pas
gewassen zijn. Een bende kippen, met een grote haan als verkeersagent. Onder een boom twee jonge mensen. Hun fiets ligt in het gras. Die hebben elkander gezoend, zo pas, dat raad ik onmiddellijk... En langs alle kanten is Vlaanderen even mooi, nu vooral...
Auto's, fietsen, motorfietsen, op weg naar de wereldtentoonstelling te Brussel. Bijna allemaal Hollanders. Zij zijn de beste klanten onzer expositie. Als bij toverslag verstaat men daar nu in alle restaurants en cafés Nederlands. Plezante mensen, die Noordbrabanders, ze konden wel Vlamingen zijn. Ik denk aan Groot-Nederland.
Zondagvoormiddag. Tien uur. Nu gaan de mensen naar de hoogmis. De klokken luiden. De zomerzon straalt.
Mechelen. - Over Mechelen is niets anders te zeggen, dan dat daar de bisschop woont.
Leuven. - De universiteit. Ben er student geweest. Dààr, zie, woonde ik! Dàt was een studentencafé! Daar woonde Lucietje Kempeneers... We zijn Leuven al door, we zien links de toren van het oude norbertijnenklooster van Perck. Een kwartiertje verder, het krankzinnigengesticht van Lovenjoel, ook met een toren. Achter mij zegt nu iemand, doelend op dit gesticht: ‘Dat is het klooster van Perck’. (In zijn boekje stond dat, maar hij sloeg een toren over). De man naast hem knikte en zei: ‘Je kunt zien, dat daar paters wonen.’
Tienen. - Suikerstad. Vele franskiljons. Ik heb er in mijn jonge jaren eens een hanengevecht bijgewoond, en mijn vinger geplet tussen een deur. Nu zijn hanengevechten door de wet verboden, maar iedere zondag hebben ze nog plaats... Wijde
landouwen, heuvelland zacht tot aan de horizont, met groen van tuinen rond kerktorentjes. Nu kaal en verlaten. Het graan is af, de oogst is binnen. De aardappelen vormen groene vierkanten, laag tegen de grond.
Sint-Truiden. - Ik heb eens gehoord, dat de Sint-Truidenaars over het algemeen een moeilijk karakter hebben. Ergo... We moeten aan onze gids melden, hoeveel geld we op zak hebben. Dit voor de Duitse douane. ‘Ik moet elke morgen mijn stukske spek hebben,’ hoor ik achter mij zeggen, ‘anders voel ik me de hele dag flauw.’
De motor ronkt en Free kijkt stijf voor zich uit.
Tongeren. - Albertkanaal. Reuzenwerk. Belgische grens. Een luie douanier zit, in de zon, tegen een brug te slapen. Free toont zijn triptiek. De douanier komt vragen: ‘Waar rijd je naartoe?’ - ‘Naar Nürenberg.’ - ‘Amai! En kun je daar op één dag komen?’ - ‘Jawel, en vanavond zijn we terug.’
De vent moet zijn geografie herzien.
Hollandse grens. Een blozende douanier, die probeert streng te kijken, vraagt: ‘Niks aan te geven?’ Wij allemaal samen: ‘Nee... Niks!’ Die man gelooft ons, op ons woord.
Begin ook maar eens dertig à veertig valiezen te onderzoeken, opgestapeld achter in een autocar, in de gloeiende augustuszon, met een overweldigend druk verkeer. De beste manier om te smokkelen. En bovendien mensen zoals wij, met een absoluut eerlijk gezicht, nog eerlijker bij het naderen van een tolkantoor.
Hollands grondgebied. De huizen zijn anders.
Maastricht. - Over het Vrijthof. Daar wandelt de
high life van Sint-Servatius weg en weer. Zien er allemaal deftige luiden uit, de Maastrichtenaars, als ze zo wandelen. Het vrouwvolk vooral. Schone meisjes! Modieus gekleed. Dunkt me toch, zo van uit een autocar gezien. Vele dikke heren. Erwtensoep met worst. Over de Romeinse brug. Achter mij: ‘Die heeft Julius Caesar nog gebouwd.’
Zuid-Limburg. - Weten de Hollanders, dat hier het schoonste stuk van hun vaderland ligt? Het Gooi kan niet zo fris, zo verscheiden, zo schilderachtig zijn. Een droomland. Het Geuledal.
Mijn vrouw zegt zeer verstandig: ‘Waarom trekken de Brusselaars toch naar de zee? Hier is veel mooiers te zien.’ - ‘Och, de Brusselaars gaan toch niet met vakantie om mooie dingen te zien... De vrouwen vooral niet... Die gaan met vakantie om elders te laten zien hoe mooi ze zelf zijn.’
Vaals. - Grens. Men zou zeggen, een luxestadje ergens in Zwitserland. Daar kom ik bepaald terug. De grens met Duitsland is hier afgesperd door een drietal dikke slagbomen. Langs hier loopt de Duitse grens waarschijnlijk het meeste gevaar. Onze gids en onze chauffeur verdwijnen in het Zollamt. Talrijke auto's wachten daar. Een tiental douaniers staan voor de slagboom.
Links, Duits grondgebied, is het kermis. Schietkraam.
‘Halt! Hier muss man schiessen!’ Daarachter draait een paardenmolen. In plaats van paardjes zijn het reusachtige witte zwanen waarop de liefhebbers plaatsnemen. Iemand stelt voor, daar eens eventjes op te kruipen. Een vrouw zegt tegen haar man: ‘Ga eens op zo'n zwaan zitten, Jan, dan zal ik je eens fotograferen.’
‘Ja,’ zegt de man, ‘en dan kan je denken dat je met Lohengrin getrouwd bent.’
Brandend heet.
Ik loop even op straat. Tegen een paal is een krantenknipsel met ‘Der Stürmer’ aangeplakt, waarop ik lees dat een zekere Baruch zo-en-zo een boef, een afzetter, een Schweinhund is. Nog een andere meneer komt dat lezen. En die lacht in zijn eigen. Een Duitse douanier komt vragen: ‘Niets aan te geven, meine Herrschaften?’
Wij allemaal samen: ‘Nein! Nichts!’ (Plus ons eerlijk gezicht).
En we rijden Duitsland binnen. Germania Magna. Das grosse Vaterland.