terug  begin  verderprepost
[p. 93]

III. De onaangenaamheden van een niet-Arisch hotel

Aken. - Eten in Berliner Hof. Schweinebraten. We wisselen daarna in het station Reise-Marken uit. Rijden dan verder, naar Keulen.

Ineens is alles stil in de autocar. Ik kijk even om, zie het gezicht van Dr. De Bie met gesloten ogen, van mevrouw idem, van al de anderen... En ik die zo gevochten had tegen de slaap, om geen gek figuur te slaan, sluit nu ook de ogen en dut.

Keulen. - Rond de Dom zitten alle terrassen vol. Waar is nu die Duitse armoe? Fijn gekleed volk. In de ‘Ewige Lampe’ ga ik mijn dorst lessen. Dat heb ik ook gedaan, in hetzelfde café, op onze huwelijksreis. Als we verder reizen, vertelt een professor over zijn reizen naar Riga, Krakau, Chicago... We voelen ons klein. Over Bonn, Bad Godesberg. Ik groet de gevel ‘Zur Lindenwirtin,’ het beroemdste studentencafé van Duitsland, neurie het oude liedje van het ‘Lindenmädchen’ en denk aan Anneke Schumacher en mijn eigen studententijd. Dan langs de Rijn naar Koblenz.

‘Hotel Continental’. - Het eerste wat ik hier zie, is het portret van Felix Timmermans tegen een pilaar, groot, met pijp in de mond en jongste spruit op de arm. De baas vertelt me: ‘Timmermans ken ik al tweeëndertig jaar, en heel zijn familie. Ik deed indertijd namelijk in kant...’

Ik moet daarna iets in een album schrijven, bij de namen van Breitscheid, Zweig, Thomas Mann, Ebert en andere grootheden.

Terwijl we aan tafel zitten, komen opeens drie

[p. 94]

nazi-mannen binnengestapt, lopen van boven tot onder door de eetzaal, zonder iemand te groeten, kijken iedereen scherp aan, uit de hoogte, eenvoudig onbeschoft voor de vreemdelingen die daar aan tafel zitten, en trekken op dezelfde wijze weer de straat op. We hebben ze verstomd nageblikt.

We vernemen daarna, dat het hotel niet als zuiver-Arisch staat genoteerd, en dat de politiek van tijd tot tijd komt controleren of er niemand van de partij is binnengegaan.

Het is mij onaangenaam, wanneer ik met mijn vrienden aan een tafel in een restaurant zit, dat een onderofficier - (hij moge Belg, of Fransman, of Duitser zijn) - mij en mijn tafelgenoten scherp komt bekijken om te zien wat er, als ras, op mijn gezicht geschreven staat. Dat kwetst mij. Als ik vijandige gevoelens koester tegenover een land, dan blijf ik er weg. Verdachte vreemdelingen zijn op andere manieren te controleren.

Als ik in een hotel, dat in de kranten van mijn land advertenties plaatst voor het aantrekken van vreemdelingen, bij het binnentreden op een plakkaat bots dat dreigend meldt: ‘Zo en zo soort mensen worden hier niet toegelaten,’ dan erger ik mij daarover terecht, en dan zou men er dit ook moeten bijvoegen in voornoemde advertenties.

Straatpolitie, tolbeambten, museumbewakers, zijn in Duitsland zeer beleefde, vriendelijke en hulpvaardige mensen, dat kan men in iedere stad ondervinden. De overdreven ijverige hotelbazen zouden aan hen een lesje mogen nemen. Kleinigheidjes, ja, maar het dagelijks leven bestaat uit kleinigheidjes.

[p. 95]

En als u op een zomeravond te Koblenz bent, laat dan niet na een wandeling te maken langs de Rijn. De witte maan staat hoog boven de nacht. Aan de overzijde van de stroom pinkelen de lichten van Ehrenbreitstein. Op de stroom schuiven andere lichtjes, als sterren, langzaam voorbij. Trillingen, met lange gouden straaltjes, gaan over het water en tegen de oever, vlak voor u, kabbelt het zacht. Het is wonderlijk schoon.

Achter u rijst het Kaiser-Denkmal in al zijn geweldige grootsheid op. Het is in de maneschijn niet zo zwaar en stug als in het harde daglicht. Het leeft. De ziel van een volk klopt in dit brons.

U begrijpt met uw hart vele dingen, waarvoor uw geest bleef stilstaan. In de verte klinkt muziek, als een roep in de nacht...

En ga dan terug de stad in. Niet naar een van de schitter-lichtende moderne hotels, maar loop even binnen in ‘Sankt Hubertus Weinstube - 1689’, vraag er een glas koele moezel- of rijnwijn, je zit er te midden van eenvoudige, goede mensen, die genot beleven aan hun avond, die het leven fijn vinden en die hardop zeggen wat ze denken, en die zingen van de Rijn en ‘Schöne Mädel gibt es überall.’

Dat zijn de echte Rijnlanders. Eer je 't weet zit je bij hen aan tafel, en als ze vernemen dat je een Vlaming bent, dan voelen ze zich dadelijk bij jou op hun gemak, want allen waren ze onder de oorlog in Vlaanderen...

Dan vergeet je gauw je ergernis over een hotelbaas of een overplichtbewuste nazi-onderofficier. Ik raad je echter ook aan, te voet naar het hotel terug te keren en niet met een taxi. Want de taxi-

[p. 96]

bestuurders van Koblenz zijn al even grote afzetters als die van Brussel. Vooral als ze horen dat je een vreemdeling bent.

En nog meer in de late uren van de nacht.

[p. t.o. 96]


illustratie
Zo werd er film gedraaid in 1934. De technici zijn aan het werk op de spoorbaan bij het huis van Wijnants te Zichem



illustratie



illustratie
Twee archieffoto's. Links Claes in gesprek met Nis, in de film de oudere broer van de Witte. Rechts de echte Witte, zoals hij later als klompenmaker te Averbode werkte

[p. t.o. 97]


illustratie
In de tuin van het ouderhuis te Zichem: Theresia Lemmens, de moeder van Ernest Claes, en haar kleindochter Anneke Taels

prepostterug  begin  verder