Dit is maar een incidentje, zo in het voorbijgaan... Ik drukte 's morgens op de belknop, om te vragen het ontbijt op onze kamer te brengen. Niemand kwam. Nog eens. Geen Heinrich. Een derde maal, vijf minuten later. Carl en Anton sliepen zeker nog.
Woedend - (ik kan werkelijk zeer toornig worden, wanneer het nodig is) - trok ik de deur open. Een kamerknecht stond op het eind van de gang te vrijen met een snoezig Stubenmädchen en ik bulderde: ‘Himmeligel... Kreuzdonnerwetter-nochmal...’ (Ik ben niet voor niets soldaat geweest). Het snoezige Stubenmädchen, - ik heb achteraf maar gezien, dat ze zo bijzonder snoezig was - greep haar emmer en borstel en was weg. Carl Himmeligel vloog de trap af.
Een deur ging open en een dame in roze pyjama kwam zien wat er gaande was. Op dat buitenkansje had ik niet eens gerekend... Vijf minuten later was het Frühstück daar. Mijn vrouw vond dat ik onbeleefd geweest was en dankte Carl Himmeligel met een vriendelijk woord.
Ik behield mijn waardigheid en bezag hem niet. Himmeligel was de onderdanigheid zelve.
Ik herhaal: 't is maar een incidentje van de reis.
Wat me te Koblenz opviel, en wat mij in alle Duitse steden, te Frankfurt, Neurenberg, München, Stuttgart is opgevallen, dat is de drukte die er heerst, de beweging van mensen, het rijden en
jagen van auto's en vrachtwagens, het leven in alle straten, in de cafés, de restaurants, de winkels. Werkelijk, Duitsland maakt op een buitenlander de indruk in volle economische activiteit te leven. Ik neem wel aan, wanneer men zo vluchtig door de straten van een grote stad wandelt, zonder navraag te doen, zonder huizen binnen te treden, zonder de keerzijde die toch ook wel zal bestaan, van de dingen te zien, dat men aldus niet anders dan een oppervlakkige indruk van mensen en toestanden opdoet.
Toch treft u het verschil met onze eigen steden, met de Franse vooral. De winkelramen zijn hier rijkelijk van alles voorzien, ook van 't duurste, de cafés zitten 's avonds en gedeeltelijk in de namiddag, goed vol, de slagerswinkels, de patisserieën, stallen een weelde en overvloed van lekkere dingen uit, de mensen zijn goed gekleed, zien er gezond, wel gevoed uit, de straten zijn behoorlijk onderhouden, de huizen idem. Het is een waar genot, in die steden rond te lopen. Ik wil er niet aan twijfelen, dat er een keerzijde is, daar zal hier ook wel verborgen gebrek heersen, gevolg van werkloosheid, van geldnood, van vele andere dingen, maar men merkt het niet zo zeer als bij ons. Dit volk leeft en laat leven, het is opgeruimd, blijmoedig, wat men ons ook vertelde. Als men echter langs een fabriekswijk voorbij rijdt, dan merkt men wel dat er bijvoorbeeld van de tien schoorstenen maar vier roken, en dan kan men wel raden wat er achter de niet-rokende schoorstenen schuilt. In ieder geval, het doet een mens goed de dag van vandaag in een restaurant te constateren, dat er nog een smakelijke fles wijn kan gedronken wor-
den, en door straten te wandelen waar je niet om de drie, vier huizen een plakkaat leest: ‘Huis te huren of te kopen’ zoals te Brussel.
Alles is relatief, en zo zal de ‘Duitse armoede’ ook wel min of meer relatief zijn.
We reden die morgen langs de Lahn. Het is er niet zo wild en zo groots als bij de Rijn, maar het is veel mooier, zachter, en staat dichter bij u.
De zon stond hoog aan de hemel, rustige mensen keken ons aan en knikten; we klommen hoog in het Taurus-gebergte en op een mooi punt stonden we even stil om het landschap te bewonderen. Bad Ems, een kuurstadje, juist gelijk alle andere stadjes met miraculeus water.
Ik ken dat: hotels, dokters, park met bronnen, vier keer per dag water drinken, concert voor- en namiddag, concert 's avonds, casino, speeltafels, mooie lanen en wandelingen, autocars - overal juist hetzelfde, van Spa tot Vichy, van Neuenahr tot Karlsbad.
Het ziet er naar uit of het elke dag met zeepsop bewerkt is. De eerste indruk van zulk een stadje is: Wat is dat hier mooi, en wat moet het heerlijk zijn hier een tijdje te verblijven. Maar na enkele dagen vind je het saai, triestig, met al die mensen die beweren, om hun familieleden genoegen te doen, dat hun toestand na een week reeds ‘werkelijk beter’ is, maar die nooit kunnen zeggen dat ze ‘genezen’ zijn.
Ik heb ze, helaas, allemaal moeten doen, die ‘villes d'eau’, gelukkig niet voor mijn eigen gezondheid. Ik heb me er schromelijk verveeld, ik heb er mijn vakantiegeld zonder plezier moeten verteren. Ik heb er bridge, roulette, petits-chevaux en boule
gespeeld, politieromans en kranten gelezen, vruchteloos geprobeerd een brief te schrijven, onnoemlijk veel pijpen gerookt en nog meer pintjes bier gedronken, en uit alle badsteden met hun wonderwaters ben ik ziek naar huis teruggekomen, zonder dat ikzelf een enkele maal van dat water heb geproefd.
Als ik dus aandrong om in Bad Ems, in Bad Schwalbach, zelfs in Wiesbaden, ondanks de mooie tuintjes en lievigheidjes van alle aard, niet langer stil te staan dan feitelijk nodig was, had ik daarvoor mijn gegronde redenen.
Toen we daarboven op het Taurus-gebergte stil stonden, hoorden we beneden in het dal, zeer diep, voortdurend schreeuwende commandostemmen.
De Hitler Jugend was daar bezig militaire oefeningen te doen. Links! Rechts! Eins, zwei, eins, zwei... Lopen, springen, vallen, roepen!
Mooi! La jeunesse, c'est l'avenir. Pax hominibus bonae voluntatis...