terug  begin  verderprepost
[p. 101]

V. Iets over monumenten en cultuur

We zijn op een avond in het oude Beiers stadje Rothenburg aangekomen, door een middeleeuwse poort, dan nog door een andere poort. Het regende en we zagen door die regen links en rechts frisse, bloemige huizengevels. Hier en daar stond een rustig man tegen zijn deurstijl geleund en keek ons na.

Op de vraag van onze gids naar het hotel ‘Goldener Hirsch’ sprong een gedienstig jonkman in de autocar en bracht ons waar we zijn moesten.

Er is iets zo warms, zo hartelijks aan die oude Duitse hotels. Het heeft niets van het moderne hotel in de grote steden, met de geperfectioneerde instellingen, waar een ober of een directeur u met een volmaakt onverschillige beleefdheid en al te slaafse gedienstigheid te woord staat. Hier staat de eigenaar in de deuropening, met zijn handen in zijn broekzakken, die - de handen - hij eruit trekt om ze ons beide toe te steken. ‘So da haben wir unsere Vlamen!’ - Hij ontvangt ons als oude vrienden die terugkomen in zijn huis, dat toevallig een hotel is. Hij is de hartelijkheid zelve en ook zijn personeel beijvert zich om ons te doen voelen, dat we ‘thuis’ zijn. Neen, dat is geen commerciële kant van die mensen, het is hun aard.

 

Wat werd er over die ‘aard’ van de Duitsers, over het Duitse karakter, de Duitse ziel al niet geschreven? Daar is niets, waarover iemand, die de pen hanteert, hetzij als journalist, hetzij op een andere

[p. 102]

manier, gemakkelijker en lichtvaardiger schrijft dan over het karakter, de aard van een volk, waar hij vaak slechts oppervlakkig mee in aanraking komt.

De journalist, - en het strekt hem tot eer, - schrijft het liefst over uiterlijke dingen, die hij met de ogen ziet, met de oren hoort. Hij trekt daar dan wel enige conclusies uit, maar door de band waagt hij zich op dit stuk niet te ver of te diep.

De boekenschrijver wil interessanter zijn, hij wil tasten naar de ziel der dingen die hij opmerkt, hij wil de wortels van een volk blootleggen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat als wij lezen wat een buitenlander over onze eigen volksaard, over onszelf schrijft, wij het hoofd schudden, kwaad, geërgerd, of met een spotlach.

Gewoonlijk volgen we, onbewust misschien, bij het beoordelen van een ander volk, een traditie. Ieder volk heeft, in het algemeen, zijn vast epitheton. Een Engelsman is altijd zo, een Fransman zo, een Italiaan zo. Daar gaan we niet van weg en het bestaat reeds eeuwen. Ik zal niet beweren, dat daarin nooit een zeker deel of deeltje waarheid ligt, of liggen kan. Wij schrijven dat klakkeloos na, omdat het zo algemeen gezegd wordt. Maar nu stel ik de vraag: hoevelen die aldus over Engelsen, Fransen, Italianen schrijven, hebben persoonlijk iets van die gestereotypeerde eigenschappen geconstateerd? Waarin, waaraan hebben ze dit gemerkt?

Voor een Hollander is een Vlaming altijd ‘gemoedelijk, sappig, opgewekt.’ Lieve deugd! Als ze eens wisten hoe ons de haren te berge rijzen van ergernis als we dat ‘sappig’ en ‘gemoedelijk’

[p. 103]

op ons horen toepassen, op een toon of er bij de Vlamingen niets anders te vinden is.

De Vlaming: een wezen dat veel eet, veel drinkt, ja bijna bestendig overeten en halfdronken is, een wezen dat altijd luidruchtig lacht, zingt, vrolijk is, en een pot bier in de hand houdt. Zo iets zijn we voor vele Hollanders.

En als ik daartegen in Holland protesteer, op een lezing, of in een gewone conversatie, dan zie ik er altijd enkelen die mij ongelovig glimlachend aankijken met een airtje: ‘Ja, ja, meneer Claes, ik zie wel dat je ons wat wilt wijsmaken!’

Komen ze dan in Vlaanderen, in een milieu waar ze niets ontdekken van die veeleterij en veeldrinkerij, van die lawaaierigheid, van die ‘sappigheid’, dan vinden ze dat ze bij ‘geen echte Vlamingen’ zijn.

Het is nu eenmaal zo en we moeten ons dus bij die sappigheid maar neerleggen.

Anderzijds is de Hollander voor de doorsnee-Vlaming altijd ‘een stijve Hollander’ en in vele gevallen ook ‘een deftige Hollander’. Als je hem naast de ‘sappige’ Vlaming legt kan ik het geloven, anders niet. Ik laat het aan mijn noorder-broeders over, tegen deze kwalificatie te protesteren. Ik zelf heb van die stijfheid - en er gaat geen maand voorbij, zonder dat ik voor een of twee dagen in Holland verblijf - bitter weinig gemerkt, tenware men door ‘stijfheid en deftigheid’ wil beduiden, dat een Hollander over het algemeen een beleefde en wel opgevoede mens is. De Hollandse stijve deftigheid heeft in ieder geval een lelijke deuk gekregen in Vlaanderen door het buitengewoon talrijk bezoek van Nederlanders aan

[p. 104]

de Brusselse wereldtentoonstelling. De Vlamingen hebben ze daar aan de gang gezien in al hun losse vrolijkheid; van alle vreemde bezoekers waren ze de opgewektsten, met zang en muziek, met lach en scherts, en hoe vaak heb ik daar deze zomer niet gehoord: ‘Zijn dat nu Holanders?!’

Je zult het zien: binnen enkele jaren spreekt men in Vlaanderen van ‘de sappige Hollanders’.

Frankrijk, het land van de fijne beschaving, ‘la culture française’... Wie zou durven ontkennen, dat de Franse cultuur zeer hoog staat, een schitterend verleden heeft? Maar wie zou menen dat ‘iedere’ Fransman nu een cultuurmens is, met fijne manieren, met distinctie tot in zijn vingertoppen, wel, ik raad hem aan niet te veel in Frankrijk rond te reizen, als hij die schone illusie lang wil bewaren.

Ga maar eens acht dagen doorbrengen in de noordelijke departementen, in Normandië, Bretagne, Auvergne, of in het zuiden, een eindje weg van hotels en chique badsteden, en je zult er een achterlijkheid, een gemis aan cultuur constateren, zoals er in Europa nergens elders bestaat.

Cultuur is het eigendom van een zeer klein getal stervelingen. Ik ken Engeland te weinig om over de ‘trotse hooghartige’ zonen van Albion een oordeel te durven uitspreken. Maar ik ben een paar jaren in 't Engelse leger geweest, heb er geleefd onder de gewone eenvoudige Engelse jongens van stad en dorp, en bij dezen heb ik zeer weinig ontdekt van die trots en die hooghartigheid.

En zo zal het wel met alle andere volkeren gesteld zijn.

[p. t.o. 104]


illustratie
Zichem hield jarenlang Ernest Claes en zijn romanfiguren in eer. Hier de verkiezing van een nieuwe ‘Witte’ op de Wittefeesten van juli 1965

[p. t.o. 105]


illustratie
Tijdens zijn reizen in het vooroorlogse Duitsland genoot Ernest Claes van de charme van de middeleeuwse steden. De auteur merkte daarbij op: ‘Ieder volk, zoals ieder mens, heeft zijn goede en kwade kanten.’

[p. 105]

‘Ab uno disce omnes’ is nog altijd even waar. Ieder volk, zoals ieder mens, heeft zijn goede en kwade kanten. Niets is absoluut.

prepostterug  begin  verder