terug  begin  verderprepost
[p. 106]

VI. Het Ganzenmannetje en Dürer

Wat mij in Duitsland werkelijk een beetje jaloers maakte is: de toestand van alle openbare gebouwen en monumenten, kerken, kastelen, standbeelden, van alle schatten die de voorbije eeuwen hebben nagelaten, van de echte rijkdom dus van een natie, het kostbaarste erfdeel van het voorgeslacht. Dat alles is er bewaard gebleven in zijn oorspronkelijke, zuivere vorm, zoals de kunstenaars het hebben geschapen en geen andere tand heeft eraan geknaagd, behalve de tand des tijds.

En daarvoor bestaan er velerhande artsen, die bijtijds alle onheilen voorkomen.

Ja, het is om jaloers te worden. Vooral als men uit Vlaanderen komt. Te Wenen zal men, hoog in de zijgevel van de St.-Stefansdom, een rond balletje tonen met een jaartal eronder en verklaren, dat het een kanonbal is van toen de Turken Wenen belegerden in zestienhonderd-en-zoveel. In uw Baedeker leest u, dat de toren of de vleugel van dit slot, of van gene kerk, in het jaar X door brand geteisterd werd.

Wij vernemen, dat een deel van de oude stadswallen werd afgebroken om de een of andere reden, dat die of die kerk gebouwd is op de grondvesten van een nog oudere kerk. Ik zou dat verder kunnen uitwerken met standbeelden, schilderijen, monumenten van alle aard. Ook in Engeland, ook in het grootste deel van Frankrijk, zijn al die oude kunstschatten goed bewaard. En ontdekt men er al eens de sporen van barbaarse vernieling, in de kerken vooral, soms ook in de oude kastelen, dan zijn

[p. 107]

het de eigen landskinderen die zich daaraan hebben schuldig gemaakt, en niet de ‘vreemdelingen.’

In Vlaanderen? - Vlaanderen is in sommige streken een puinhoop. Ach ja, de dorpen en steden zijn er bloeiend en welvarend, maar wat is er niet al vernield van onze oude kunstschatten, van onze schoonste gebouwen, vernield door vreemden, die bij ons kwamen oorlog voeren. Als ik alleen maar bedenk, wat er werd vernietigd in de laatste oorlog, dan is het om te schreien van weemoed over zoveel verdwenen rijkdom van mijn arm land.

 

Neurenberg...

In de regen een stad bezoeken heeft ook zijn aantrekkelijkheid. Dan blijven de medereizigers beter bijeen. We eten in het restaurant van een bioscoop, eten er goed, en dat is het voornaamste dat ik in mijn levensherinnering van Neurenberg zal meedragen.

Ik tracht zoveel mogelijk een dagboek bij te houden van mijn reis, zoals ik op andere reizen telkens vruchteloos geprobeerd heb te doen. Het ligt hier naast me en ik lees:

‘Neurenberg - Eten - Gänsemänchen - Dürer - Regen.’

Ik heb wonderschone gebouwen gezien, zoals de Liebfrauenkirche, het Rathaus, de St.-Sebalduskirche, maar het mooiste van Neurenberg is toch de oude stad, met haar typische geveltjes, smalle straten en de bruggen die over de Preignitz liggen. In het grauwnevelige van die regendag heeft het een bijzondere poëzie. Het krijgt er zelfs iets

[p. 108]

innigers door, dichter bij u, en van naargeestigheid geen spoor.

Het Ganzenmannetje, het beeld van een boertje met twee water spuitende ganzen onder de armen, is meer beroemd door het mooie boek van Jac. Wassermann, dan door het aardig monumentje zelf.

Indrukwekkend is het Dürer-Haus.

Het heeft mij altijd diep ontroerd, binnen te treden in de woning, waar eens een groot kunstenaar of geleerde leefde en werkte. En ik heb er telkens weer door geleden, - dat is het juiste woord, - wanneer deze woningen openstonden voor Jan en alleman, dat toeristen, die zelfs nooit de naam van die kunstenaar hadden gehoord, er binnenvielen net zoals ze een modewinkel zouden binnenlopen.

Het is een schande.

Dat men kerken, musea, oude kastelen of versterkingen openstelle voor ieder die wil binnenkomen, mij goed, die zijn ervoor. Maar dat men heiligdommen, zoals de werkkamer en het ontroerend-eenvoudige sterfkamertje van Goethe, en ook beide kamers van Schiller, enige stappen verder, te Weimar, toegankelijk maakt voor de eerste de beste veekoopman of vishandelaar, als hij maar het voorgeschreven geldstukje betaalt, - ik vind er geen woorden voor om te zeggen wat ik erover denk. Het is een ontheiliging van het verhevenste, het hoogste, naast het Godswezen.

In Frankrijk is het nog erger.

Ik had geprobeerd, te Neurenberg het huis waar Albrecht Dürer heeft gewoond en zijn onsterfelijke meesterwerken gedeeltelijk schiep, alleen te bezoeken met mijn vrouw. Toen ik achter mij, in de

[p. 109]

autocar, hoorde vragen: ‘Wie was dat, Dürer?’ - (wat mij voor de honderdste keer deed besluiten: nooit meer een groepsreis meemaken!) - had ik opeens geen zin meer, het Dürerhuis te bezoeken en ik trachtte hen zelfs tot de overtuiging te brengen, dat het de moeite niet waard was. Maar jawel, het stond op het reisplan.

Het Dürerhuis is nu eigendom van de stad, en is in uitstekende toestand binnen en buiten bewaard. Een kenmerkend type van de zestiende-eeuwse burgerwoning, waaraan de Beierse steden zeer rijk zijn, overhangend dak, zwarte gevels, sterke kruisbalken in de muren en kleine ruitjes in de vierkante ramen.

Binnen is het op een domme manier ingericht, met toonkasten, vol reprodukties van Dürers werken, en de enkele oude meubelen zijn waarschijnlijk van elders overgebracht om het een schijntje te geven. Van Dürer zelf: niets!

Je voelt de kunstenaar daar niet in levende lijve, met al die kleinigheden, een stoel, een nagel waaraan een hoed hing, een wandelstok, die de ziel bijna uitmaken van de verdwenen mens. Zoals in vele dergelijke gevallen is het gedeeltelijk een desillusie. Ze mogen eens een lesje gaan nemen te Weimar!

En toch... toch!

Hier stond hij, hier blikte hij door het raam met die zware, peinzende blik, en zag hij dit stuk daar van de stadswallen en de Tiergärtner-Tor.

Hier groeide in zijn geniale brein het eerste beeld... ‘Ik bezoek toch liever een museum. Amai! Wat is daar nu aan te zien? Kom, we gaan...’

Ik had gelijk. Ik was er niet moeten binnengaan.

prepostterug  begin  verder