terug  begin  verderprepost
[p. 110]

VII. In een oud Beiers stadje

Voor de oorlog wist men in Frankrijk zeer weinig over het moderne Duitsland.

Daar werd zelden over Duitsland geschreven of gesproken.

Er is trouwens geen volk, waar men minder van andere landen, van hun innerlijk leven, van hun cultuur kent, dan in Frankrijk. Dat grenst aan het ongelooflijke, vaak aan het potsierlijke.

‘La France se suffit à elle-même.’

Ja, Bismarck, en dat ze in 1870 door de Duitsers waren geklopt geweest. ‘Mais c'était la faute de l'Empereur Napoléon III et des Gouvernants de la France.’

Maar in zekere lagen van het volk heerste nog onbewust, als een duister beeld, de mening dat het Duitse volk een achterlijk volk was, niet te vergelijken met het Franse, iets ‘barbaars’ moest er nog altijd bestaan. Er waren daar zeker nog uitgestrekte gebieden waar het licht der beschaving nog niet was doorgedrongen. Het waren meer gevoelens dan gedachten en daarbij hoorde ook: dat er van die kant voor La France altijd gevaar dreigde. Onder de oorlog waren de Duitsers opeens allemaal Hunnen; ‘des barbares’, wilden, erger dan menseneters. Van Duitse kunst, van Duitse cultuur spreken, was een bewijs van domheid en landverraad. In een Parijse krant heb ik toen gelezen dat Richard Wagner een onbeduidende musicus was, en toen in 1915, op een Londens concert, stukken van Beethoven werden uitgevoerd, werd dit in de Franse pers min of meer beschouwd als Duitse

[p. 111]

propaganda. Alles was samengevat in dat ene woord: ‘les Boches’, zonder dat iemand wist wat dit woord eigenlijk betekende.

Ja, wie tot de geallieerde naties behoorde, heeft daaraan meegedaan!

Gelukkig is die onzin eindelijk uit de wereld. Hij heeft echter nog jaren na de oorlog geheerst. Zelfs zijn er in Frankrijk en te Brussel nog milieus, waar het niet aan te raden is veel goeds over Duitsland te vertellen. Toch mag beklemtoond worden, dat het mensdom in onze gewesten opnieuw tot zichzelf gekomen is en er gezonder gedachten op nahoudt.

Ter ere van de Vlamingen mogen we wel zeggen, dat ze de eersten geweest zijn om de haat uit hun hart te bannen, om veel te vergeven en te vergeten, en opnieuw betrekkingen met Duitsland aan te knopen. De vriendschap kwam echter niet van een zijde: ook de Duitsers hebben begrepen, zonder het openlijk te erkennen, dat ze zich tegenover de Vlamingen vergist hadden. Tienduizenden Duitsers zijn deze zomer naar Brussel gekomen en hebben Vlaanderen bezocht, en niet één kan verklaren dat hij minder hartelijk werd ontvangen dan eender welke andere buitenlandse bezoeker.

Het is een verheugend feit, te midden van de troebele toestand waarin het politieke Europa op dit ogenblik verkeert.

 

De Vlamingen - (de Walen reizen veel minder, evenals de Fransen) - hebben de weg naar Rijnland, naar Beieren, naar Berlijn teruggevonden. En of zij daar iets ontdekken van de barbaarsheid, het

[p. 112]

gebrek aan beschaving, de achterlijkheid, ik geloof niet dat iemand er ooit maar aan denkt.

Ik geloof integendeel dat ze, evenals ik, bij iedere stap verrast staan door de hoge cultuur, de ontwikkeling, de ordelijke beschaving van dit volk. Die beschaving komt er op u af, van de oude monumenten tot de nieuwe pas aangelegde musea, u ontmoet ze langs de straten, in de gevels der huizen, in de klank van de stemmen en in de groet van het kind.

Het is een genot door Duitsland te reizen, langs de brede wegen te rijden, steden in volle bloei te bezoeken, door dorpen die als bloemtuilen langs de wegen staan. En waar u ook stil staat, ontmoet u mensen, zo vriendelijk en hulpvaardig dat u telkens langer blijft pleisteren dan uw plan was. Is dat nu speciaal ‘Beiers’? Er zijn er, die dat beweren. Ik weet het niet. Ik heb in ieder geval van mijn reis iets zo zonnigs meegedragen, als maar zelden een tochtje in het buitenland mij geschonken heeft.

Ja maar... Hitler!

Behalve de plakkaten, over de straten gespannen: ‘Joden zijn hier niet gewenst!’, behalve de ontelbare hakenkruisvlaggen, hebben we daar niets ongunstigs van gemerkt op onze reis.

Tenzij dat er in Duitsland gewerkt wordt, met koppigheid, met fanatisme. Maar dat is een andere historie en valt buiten de beschouwingen van dit relaas.

Rothenburg ob der Tauber...

Dit oud Beiers stadje met zijn acht- à negenduizend inwoners is alleen reeds een reis naar Beieren waard.

[p. 113]

Het is iets enigs. U valt er, als u er door de straten en steegjes wandelt, van de ene verrassing in de andere. U zou voor een ouderwets geveltje vol witte en rode bloemen willen in de handen klappen, door een openstaande deur zou u willen binnenstappen om er de mensen een ‘Grüss Gott’ toe te roepen.

De huisjes met de typische puntgevels, de rode daken, de bebloemde ramen, de torens van stadspoorten en kerken, de Markusturm en de Jacobskirche, de vele bronnen in witte steen, rijk versierd met beeldhouwwerk, de rijke gevels van oude patriciërswoningen, de vrolijke uithangborden, het goed onderhouden uiterlijk van alle dingen, tot zelfs de gotische letters op de winkelgevels, het geeft aan dat stadje iets pittoresks, waar u nooit genoeg naar kijken kunt.

Alle tien stappen blijft u staan, om elkaar iets aan te wijzen, iets te verklaren, en staat daar een man in de deur, dan schiet hij op u toe om u de nodige toelichting te geven.

De kerken zijn er meestal in zuivere gotiek, met een rijkdom aan prachtige beelden en schilderijen, de andere gebouwen, zoals het nieuwere gedeelte van het Rathaus, zijn van de beste renaissance die men in Duitsland wel vindt. Op mijn eentje ben ik er in de vroege morgen gaan rondkuieren langs de straatjes, die tegen de oude wallen uitlopen. Is er ergens een nieuw huisje gebouwd, het is volkomen in de stijl van de andere. Bestaat hier misschien een bouwcommissie, of bouwen de mensen uit zichzelf in de oude trant? Ik ben geneigd, het laatste te geloven, want ik kan me niet voorstellen

[p. 114]

dat iemand het in zijn hoofd kan krijgen, hier anders te bouwen.

Ik denk met weemoed aan Brugge en aan vele andere Vlaamse steden, die zo schandelijk werden verknoeid. Tussen die huizen hier zie ik meer dan een ‘boerderij’, in volle stad dus, maar u moet door een open poort kunnen kijken om te weten, dat het een boerderij is. Aan de voorgevel, met de bloeiende wijngaardranken, de kleine ruitjes en de groen geverfde deur, is daarvan niets te merken. Ik weet bijna zeker, dat ik u later nog eens schrijven zal: geachte lezer, uw Brusselse correspondent heeft voor een maand zijn intrek genomen in hotel Goldener Hirsch, te Rothenburg ob der Tauber.

prepostterug  begin  verder