terug  begin  verderprepost
[p. 220]

X. Zijne Excellentie Miel Van Dievoet(23)

Op de feestdag van de heilige Krispijn, patroon van de leerlooiers en schoenmakers, en van de Ministers van Landbouw, zijnde de vierde zondag van de maand oktober en tevens de dag nà mijn verjaardag, in het jaar negentienhonderd eenendertig, werd in de Lovenstee Zijne Excellentie de heer Miel Van Dievoet, Minister van Landbouw, gehuldigd door leden en oud-leden van het Leuvens rechtsgenootschap.

Het was mooi weer, het banket niet te duur en daar in de aristocratische wereld van al deze ministeriële vrienden en kennissen vooralsnog geen crisis noch vermindering van honoraria voelbaar is, waren de scharen flink opgekomen voor het feestmaal: advocaten en politici, ministers en professoren, burgemeesters en volksvertegenwoordigers, mitsgaders wat kleinigheid als daar zijn: ambtenaren, studenten en meer andere geïnteresseerde personaliteiten, want een minister is altijd voor het een en ander bruikbaar, in die wereld.

Zo zaten ze daar dan, in het ‘Hotel des Brasseurs’ te Leuven op die zondag 25 oktober, een dag waarop de meeste studenten naar het moederlijk vaderhuis zijn getogen, met zich meenemend alle gevaar voor geweld en wallebakkerij.

Er zaten aan die rijke tafelen:

1)Professor Sencie. Er is geen goed, dat ik over professor Sencie niet zou zeggen. Er zijn in Vlaanderen veel mensen, die ik evenzeer acht, maar niemand die ik méér acht. Evenwel, naar mijn oordeel en jarenlange ondervinding, heeft Onze-Lieve-Heer
[p. 221]
professor Sencie opzettelijk geschapen, om in Vlaanderen banketten te presideren. Ik ken geen gezicht, dat meer appetijt geeft, geen ogen die u meer aanzetten tot het gebruik van overvloedige drank. Er gaat van hem iets uit als van een fles Rijnse Liebfrauenmilch, die de brand van Leuven heelhuids heeft doorstaan.
2)Professor Noyons. Die is nog altijd maar voor één tiende ver-Utrechtst en blijft negen tiende flamingant. Zijn plaats was en is hier. Des te meer, daar hij met zijn verleidelijke blonde manen me onweerstaanbaar doet denken aan Pee Dierckx, een fameus Leuvens katholiek student uit mijn tijd. Ik kan professor Noyons geen groter eer aandoen, dan hem te vergelijken met mijn vroegere wisselvallige en tussentijdse kameraad, al heeft hij hem nooit gekend. Merk wel, die vergelijking slaat alleen maar op het uiterlijke. - De macht van professor Noyons vriendelijkheid grenst aan het miraculeuze.
Ik heb eens gehoord van een zieke, die zich voor de derde maal door hem van de appendice liet opereren, alleen maar om door hem behandeld te worden. En iedere keer heeft professor Noyons die blindedarm consciëntieus weggenomen. Weze dit een les voor alle toekomstige dokters van Leuven!
3)Minister Van Isacker. Die zat daar juist zoals hij twintig jaar geleden de banketten bijwoonde van Moeder Westvlaamse. Niet beter of niet slechter. Sedert hij minister is, denkt hij vreselijk serieus te moeten kijken, wat niemand gelooft. Hij blikt naar de kostbare spijzen van de Brasseurse keuken, precies of dat voor een minister maar zeer gewone kost is. Het is een feit, dat het gezicht van minister
[p. 222]
Van Isacker op een banket tot ernstige overwegingen stemt, als bijvoorbeeld de kwitanties voor postabonnementen die allemaal tegelijk afkomen. Het is geen plezant ministerie, dat hij zogenaamd te leiden heeft, veel minder dan dit van Miel Van Dievoet, waarin meer variatie is.
4)Frans Van Cauwelaert, die met zijn gewijde baard over de tafel burgemeestert en zodanig aan banketten gewoon is geraakt, dat Madame Van Cauwelaert met hem geen huis meer kan houden, als hij acht dagen zonder moet blijven. Het doet hem goed, daar te zitten, bij allemaal trouwe vrienden en lachlustige politici en professoren als prof. Van Goethem naast prof. Fransen, als Rik Borginon naast monseigneur Luytgaerens. Het is voor Frans Van Cauwelaert, dat Rabindranath Tagore schreef: ‘It is the moon which has room for stains, not the stars.’ Voor mij bent u een blanke maan, Frans.
5)Monseigneur Luytgaerens. Sedert ik hem ken, is de kin van monseigneur Luytgaerens mij een raadsel geweest. Het is een uitdagende kin, die beter zou passen bij een fascist. Dank zij die kin, is hij in de Boerenbond gekomen en het is alleszins eerbiediger, over monseigneurs kin te spreken, dan over zijn voeten. Ik zou overigens niet weten, wat ik in verband met deze laatste lichaamsdelen zou kunnen zeggen, tenzij, dat ze op opvallende wijze aangeduid zijn voor de positie, die monseigneur bekleedt. Waar de kin van monseigneur onder de boeren verschijnt, komt er zonnigheid.
6)Prosper Thuysbaert. Toen hij student was, ging hij door voor de dikste student van het Zoete Waasland. Sedertdien is hij in aanzien, geleerdheid, dikte, toegenomen. Beziet hem. Je mag recht
[p. 223]
uit China komen, je raadt onmiddellijk dat hij notaris is. Ik ken geen mensen, op wier gezicht een zo doorlopende glans van voldaanheid ligt als bij de notarissen. Zij bezitten fysieke, biologische en morele kwaliteiten, die aan hun vak verbonden zijn. Politieke christen-democraten als bijvoorbeeld minister Heyman en pater Rutten, kunnen met de beste wil van de wereld niet die uitdrukking van naïeve eerlijkheid en cruciale onbaatzuchtigheid op hun gezicht leggen als een goed notaris dat kan doen. Een notarisgezicht als dat van Prosper Thuysbaert boezemt mij meer vertrouwen in, dan een kluis van de Société Générale, dan een winst-en-verlies balans van de Nationale Bank. Op een banket maakt dat gezicht het eigenaardig effect op de garçons: dat zij niet te lang zullen moeten lopen om alle consumpties betaald te krijgen, iets wat volksvertegenwoordigers, burgemeesters en pastoors nog wel eens vergeten, hebbende te veel beslommeringen van de andere kant. Een notaris nooit.
7)Ja, dat is 'm! Rik Borginon. Al is hij dan nationalist, hij is toch zijn oud-kameraad mee komen huldigen, en dat is schoon van hem. Andere dingen zijn lelijk van hem. Ik voeg dat er dadelijk bij, om niet te laten veronderstellen, dat ik de fronters verdedig. Rig Borginon is als fronter in de wieg gelegd. Ik ken een portret van hem, een mooi - (ja, ja, mooi!!) - ventje met blonde krullen en blote knietjes, ‘unbedingte reine Unschuld’, te midden van... vijfhonderd pensionaatsmeisjes. En hij zit daar met een snuit zo onnoemlijk zuur, azijnachtig, venijnig, terwijl de hem omringde jeugdige maagdekens gelukzalig op hem neerzien. Hoe de tijd iemand veranderen kan! Toen was hij al
[p. 224]
fronter, te Pamel. Hij was fronter in het college, aan de universiteit, aan het front, en op het justitiepaleis. Als de frontisten ooit verdwijnen, terugkerend tot de katholieke partij, dan is Rik Borginon de laatste fronter, Ward Hermans de voorlaatste, Meester Butaye de eerste.
Nu het Vlaams mouvement gaat gesolutioneerd worden is daar veel kans toe.
Verder zaten daar nog grootheden velerhande, die ‘De Standaard’ in zijn verslag van 26 oktober vernoemd of niet vernoemd heeft, naargelang ze medewerker, abonnent of aandeelhouder in de zaak zijn. Er werd goed gegeten en gedronken, vooral gedronken, en gespeecht en gepraat. Iedereen deed zijn uiterste best om geestig te zijn en al beloofde Jan Boon in ‘De Standaard’ daar 's anderendaags nog op terug te zullen komen, fatsoenlijkheidshalve heeft hij dat niet durven doen. Zo zijn nu eenmaal de gazetten.
Sap was er niet. Ik ook niet.

Door een samenloop van onverklaarbare omstandigheden, en doordat niemand van de inrichters eraan gedacht had mij uit te nodigen, - zelfs niet professor Sencie, - ben ik op dat banket niet aanwezig geweest.

Achteraf heb ik verklaard, uit ‘dépit’, dat ik ergens had moeten zijn, een leugen waarvan ik wel meer een nuttig gebruik maak om weg te blijven van een feest. Maar ditmaal was ik er graag geweest. Mijn tafelspeech had me drie dagen werk gevraagd en ik kende hem zo goed van buiten,

[p. 225]

dat het zeker zou geleken hebben of het zo voor de vuist eruit kwam.

Verloren moeite.

Om nu de vele vrienden die er waren, het genoegen van die mislukte speech niet te ontnemen, verklaar ik hier wat ik daar op 25 oktober zou gezegd hebben, ter ere van Zijne Excellentie de Minister van Landbouw.

Monseigneur,
Mevrouwen,
Excellenties,
Mijne Heren.

Nu u er mij toe dwingt, hier gans onverwacht en onvoorbereid, het woord te voeren, zal ik u in de eerste plaats zeggen dat ik een vriend heb wiens zuster getrouwd is met een staatsagronoom, en ik daardoor wel met enige kennis van zaken over het Ministerie van Landbouw kan meespreken.

Van mijn standpunt uit beschouwd, Monseigneur en Mijne Heren, zie ik in het huidig Ministerie van Landbouw twee polen. Aan het ene eind: de heer minister; aan het andere eind: een koe. Het zal u misschien tamelijk verbazen, als ik zeg, dat er tussen de twee wel enig onderscheid bestaat, al ben ik niet zo dwaas uit het oog te verliezen, de menigvuldige punten van gelijkheid en overeenkomst.

Immers, Mijne Heren, is onder de tegenwoordige volksvertegenwoordigers, Vlaamse en Waalse, katholieken en liberalen, socialisten en frontisten, van de listige Van der Velde tot de onschuldige Ward Hermans, de heer Minister van Landbouw, niet de allervoornaamste, de eerste?

[p. 226]

Staat onder het vee, onder de ossen en stieren, de koeien en kalveren, de vaarzen en varen, van de geprimeerde provinciale stier tot de onschuldige ‘mutte’, de nobele koe niet vooraan in de rij? Is er een nuttiger minister dan de Minister van Landbouw? Is er een nuttiger dier dan de koe? Moest men een nieuwe regering vormen zonder Minister van Landbouw, het ware een kabinet zonder kop en de ‘Boeren’ in de Kamer gaven meteen hun ontslag.

Probeer het maar niet! Het gaat nu al slecht genoeg in de Kamer en in de veestapel.

Zoals verder alle volksvertegenwoordigers hopen, Minister van Landbouw te worden, zo hopen alle vaarzen, kalveren, ‘muttes’, eenmaal koe te worden.

De sociale rol van beiden is ontzaglijk, loopt ineen, op ieder punt van beider programma; in al hun ondernemingen, successen, tegenslagen, ontmoeten de Minister van Landbouw en de koe elkaar, staan ze naast elkaar, zijn ze onafscheidbaar. Op elk punt van de begroting hebben ze gemeenschappelijke belangen: hij als gever, zij als afnemer, behalve inzake artikel 1: ‘Le traitement du Ministre’. En er is geen koe in België, geen volksvertegenwoordiger in de Kamer, die daartegen zal protesteren.

Daar ook is trouwens weer de gelijkenis: het onderhoud van een Minister van Landbouw is geperekwateerd, dit van een koe eveneens en zelfs in een voordeliger verhouding voor laatstgenoemde.

De Minister van Landbouw zegt: ‘Je ne ris jamais.’ Hij heeft daartoe alle reden. In deze tijd zou een lachende landbouwminister een affront zijn voor

[p. 227]

de ‘Boeren’. Aan de andere kant zou een lachende koe, in deze dagen van goedkope boter, kaas, vlees, vet, huiden, een ‘boer’ hels maken. Daarom lachen de koeien ook niet meer, tenzij op kaasdoosjes. De ‘Boeren’ zijn kwaad op de minister, omdat hij niet meer ‘geeft’. De ‘boeren’ zijn kwaad op de koeien, omdat ze niet meer ‘geven’. Als de boeren zo solidairlijk naast mekaar staan, is het dan te verwonderen, dat de minister en de koe, hunnerzijds, ook dichter bij mekaar staan?

Klassenstrijd! ‘Offre et demande!’

Er zijn, monseigneur, waarde toehoorders, ook trekken van gelijkenis van andere en diepere aard. De armoede van onze taal, de kwaadwilligheid van zogenaamde achtbare collega's, de beperkte spreektijd die mij is verleend, beletten mij echter deze sociale vergelijkingen tot hun uiterste consequenties door te drijven. Maar u, monseigneur, die hier moraliter en op zo vrome wijze de belangen van de Boerenbond vertegenwoordigt, - komen de patatten en de groenten, die wij eten en waarover u de zegen hebt uitgesproken, niet van een der leden van de Boerenbond? - en u, Frans Brusselmans, die door uw bloeiende welvarendheid een levend bewijs bent hoe gezond de rooms-katholieke partij en de kerk nog op hun voeten staan, u zult toegeven, dat er niet de minste kwade intentie mijnerzijds bestaat, wanneer ik het als een dynamische waarheid verklaar, dat het de Minister van Landbouw goed gaat, wanneer het ook voor de koeien goed gaat, dat de heer minister niets zou zijn, uiterlijk gesproken, zonder zijn jacquetje, zoals een koe op de markt enorm van haar waarde verliest, als ze geen horens heeft; zelfs een koe met één

[p. 228]

hoorn is als een minister met één broekspijp, en evenmin als de koe heeft de minister er schuld aan, dat het ammoniaksulfaat zo duur kost...

Maar, om te antwoorden op het hatelijk glimlachje dat ik hier rond de tafel bespeur op de gezichten van enige ‘achtbare’ partijgenoten, wil ik dadelijk toegeven, dat er tussen een Minister van Landbouw en een koe ook wel enig onderscheid bestaat. Morgen kan de Minister van Landbouw vallen, dan komt er een ander, dan is hij ex-minister. Een koe blijft een koe. Nooit gehoord van een ex-koe, zelfs niet te Brussel. Ook nooit gehoord van een minister, die leed aan mond- en klauwzeer zoals een koe dat kan. Een koe blaat, een minister niet, een volksvertegenwoordiger soms.

Het onderstel van een Minister van Landbouw heet: benen. Bij een koe: poten. De minister loopt op twee, de koe op vier. De produktiemogelijkheden, als daar zijn: leder, knopen enz., laat ik buiten beschouwing, daar ieder van de hier aanwezigen wel zoveel van de landbouw begrijpt, dat hij daarover bij de komende begroting een redevoering kan houden...

Monseigneur, Dames, Heren, hier eindig ik, al heb ik op verre na niet gezegd wat ik te zeggen had. Was het niet, dat ik aan de geachte jubilaris een bijzonder bewijs van mijn genegenheid wilde schenken, zou ik zoveel tijd niet in beslag genomen hebben. Maar ik ben een van zijn trouwe kiezers in het arrondissement Brussel. Ik heb het mijne willen bijdragen, met het oog op de komende verkiezingen. Ik heb kwaadwillige tafelgenoten de mond willen stoppen en willen bewijzen dat, zo de ex-Excellentie Minister Baels, uitstekend het onder-

[p. 229]

scheid kende, - zijnde van Oostende en bedreven in het vissersbedrijf, - tussen een kabeljauw en een schelvis, de huidige minister misschien met dezelfde voldoening een makreel of een haring verorbert, maar uitstekend op de hoogte is van de eigenlijke landbouw, van veeteelt en paardenfokkerij, van hop en vlas, en dat hij, komende uit het Payottenland, weet waar zijn plaats is.

En nu zwijg ik, om het woord te laten aan de heer Frans Van Cauwelaert.

 

Is het niet spijtig, dat ik die speech niet heb kunnen uitspreken? De schuld van professor Sencie!

(23)In ‘Hooger Leven’ van 20-12-1931. (E.v.C.)
prepostterug  begin  verder