|
|
|
| |
| | | |
Claes als taalkundige
Frans Claes s.j.
In de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde staat Désiré Claes bekend als een voorman van de
particularistische strekking, als iemand die streed voor het goed recht van
eigen Vlaamse woorden, uitdrukkingen en uitspraak1. Als onderwijzer, leraar en lid van de Vlaamse Academie
beschouwde hij het als zijn taak de eigen taal bij het Vlaamse volk in eer te
herstellen. Volgens hem had het Zuiden even goed als het Noorden het recht om
bij te dragen tot de gezamenlijke Nederlandse taalschat. In felle polemieken
verdedigde hij dit standpunt2. Deze houding van mijn streek- en naamgenoot wil ik
aan de hand van zijn voornaamste taalkundige publikaties nader toelichten.
| |
1. Verdediging van de Vlaamse volkstaal
Aan zijn eerste lezing voor de Vlaamse Academie gaf
Désiré Claes de sprekende titel
Eenige volksuitdrukkingen verdedigd en aanbevolen
3. Hierin wijst hij eerst op de overvloedige, rijke oogst aan
‘zoogenoemde gewestelijke uitdrukkingen’, die verzameld
en gerangschikt werden in woordenboeken, eerst in het
Algemeen Vlaamsch Idioticon
(van Schuermans), later in die van De Bo, Tuerlinckx, Joos en anderen. Speciaal wijst hij ook op
‘het zanten (gelijk het nu heet) van door het
volk gebruikte, maar in de woordenboeken verwaarloosde
uitdrukkingen’ door Guido Gezelle4.
Hoewel hij toegeeft dat er soms te veel gewestelijke woorden gebruikt worden,
in plaats van de juiste en algemeen geldige, vindt hij ‘er ook
eene menigte, welke door oudere schrijvers gebezigd, en onder 't volk
voortlevende, in de woordenboeken of niet gemeld of als verouderd worden
veroordeeld; andere, in vroegere tijden niet bestaande, maar ter gelegenheid
van moderne toestanden of uitvindingen door de “spraakmakende
gemeent” in het leven geroepen, worden evenmin erkend, maar zien
hunne plaatsen ingenomen door bastaardwoorden of lamme
omschrijvingen’. Met zijn lezing wil hij de Academie aan- | | | | sporen om ‘tot de wettige inburgering of
herinburgering’ te besluiten van ‘die groote menigte
verstootelingen’5.
Bij de ca. 50 ‘volksuitdrukkingen’ die hij verdedigt en
aanbeveelt, wijst hij er telkens zoveel mogelijk op dat ze niet alleen bij
het volk leven, maar ook door oudere schrijvers (vooral Kiliaan en Ten Kate) gebruikt worden.
Ons valt op dat de meeste ervan slechts in een klein gebied gebruikelijk
zijn, vooral in de Getestreek, de geboortestreek van Claes.
Enige woorden beveelt hij aan wegens de duidelijkheid en de
schilderachtigheid ervan. Zo noemt hij het woord heuling
als de benaming van de eerste ondergrondse spoorweg in ons land te Kumtich:
een naam, zo zegt hij, ‘die toch aan ons vlaamsch verstand meer
zegt dan tunnel; waarom zouden wij dan dergelijke
kunstwerken anders dan heulingen noemen? De zucht naar het
nieuwe doet ons menigmaal schilderachtige uitdrukkingen verwerpen tot groote
schade voor onze taal’. Voor het werkwoord heulen (holen of hollen) verwijst hij naar Kiliaan en Ten Kate6.
Een woord dat hem aangename herinneringen uit zijn kinderjaren opwekt is rijschok (‘rijzjok’ uitgesproken),
waarvoor de woordenboeken o.a. touter, schommel, slingerkoord, schopstoel
opnemen. Maar, zegt hij, ons rijschok ‘is toch
wel zoo schilderachtig als die andere gewestwoorden, en rijschokken (rijzjokken) zoo schoon als schommelen of touteren’. Hij vermeldt
hiervan de vorm rijd-schot bij Kiliaan en Ten Kate7.
Andere woorden beveelt hij aan om de eigen betekenis die ze hebben. Zo noemt
hij kettel (of kertel) ‘een woord, dat wij
volstrekt noodig hebben. Lompen, lappen, vodden, zeggen
hetzelfde niet als kettelen... kettelen zijn ook franjes, de franjes der armoede, der haveloosheid, der
slordigheid’. Bij Ten Kate en Kiliaan vindt hij o.a. de vormen kertel, kertelen en kerte8.
Van het woord reen, (akker)grens, zegt hij dat Kiliaan en
Ten Kate het als verouderd opgeven en dat latere woordenboeken het niet
vermelden. ‘En toch het woord leeft: die muur, die
heg staat in den reen: welk ander woord wil men daar beter
gebruiken?... Er is groot onderscheid tusschen reen en grens, reenen en grenzen, reensteen, en
grenspaal. 't Is niet genoeg die woorden zoo maar
verouderd te heeten, zoolang zij nog goeden dienst bewijzen, vooral wanneer
men niets beters, zelfs als men in 't geheel niets weet in hunne plaats te
zetten’9.
Het woord schoep, volgens Ten Kate verouderd, wordt in het
dialect van de Getestreek duidelijk onderscheiden van de woorden schup en schob. ‘Eene schup dient om den grond mee te graven... Met eene schoep, laadt men ko- | | | | len en gruis: beiden zijn
van ijzer of staal. Met eene schob zet men op zolder den
koornhoop om, ten einde er de kalanders uit te houden. Drukken deze drie
woorden door hunnen vorm en hunnen klank niet treffend den meerderen of
minderen wederstand uit, dien men bij het gebruik dier werktuigen
gewaarwordt? Waarom dien rijkdom langer miskennen?’10.
Claes besluit dit pleidooi voor erkenning en gebruik van woorden die
‘bij ons springlevend’ zijn en waarvan ‘de
echtheid van den nederlandschen oorsprong bewezen’ is, met de
volgende uitspraak: ‘Elke plaatselijke studie over onze taal doet
ons eenen dieperen blik in haar wezen werpen; en hoe grondiger wij haar
leeren kennen, des te hooger zullen wij haar schatten, des te inniger zullen
wij haar aankleven, des te standvastiger zullen wij haar
beminnen’11.
| |
2. Polemiek met Meert
In 1891 publiceerde Claes
Gemengde taal- en letterkundige aanmerkingen
12, om
‘ons taal- en letterveld van onkruid te zuiveren’, zoals
hij in zijn inleiding schrijft. Hierin oefent hij kritiek uit op
woordgebruik, stijl en zinsbouw van verschillende auteurs, zowel uit
Nederland als uit Vlaanderen. Hij merkt bijv. op dat ‘om het
meisje te overhalen’ fout is voor ‘over te
halen’ en dat ‘geïnkwartierd’ fout
is voor ‘ingekwartierd’ (p. 25-26), maar verdedigt
anderzijds ‘echt Vlaamse’ wendingen als ‘op
verlof’ (p. 63) en ‘verkoud’ (op grond van de
afleiding ‘verkoudheid’, p. 82). Ook gebruikt hij soms
verouderde of gewestelijke woorden, bijv. wanneer hij een slecht gebouwde
zin afwijst met te zeggen ‘daarmeê is de verkroeste zin
nog niet gelfsch geworden’ (p. 72)13. Hippoliet
Meert, die zich voor het taalgebruik naar Nederland wilde richten
en in 1895 het Algemeen Nederlands Verbond zou stichten, reageerde tegen dit
werk van Claes met een artikel in het tijdschrift
De Toekomst
, onder de titel
Taalpolitie toegepast op Cato Censorius
14. Hij klaagde Zuidnederlandse schrijvers in het algemeen,
en Claes in het bijzonder, aan omdat ze over hun moedertaal schrijven en
fouten bij andeten opmerken, zonder zelf hun taal goed te kennen.
| | | |
Claes antwoordde op dit artikel met een bijdrage Taalpolitie
toegepast op Cato Schabletter15, waarin hij nogmaals opkomt voor
het goede recht van woorden uit de Vlaamse volkstaal. Duidelijk is dit al in
zijn titel met het woord schabletter, ditmaal geen woord
uit het dialect van Claes, maar uit het Westvlaams. We vinden het in het
Algemeen Vlaamsch Idioticon
(1865-70) van Schuermans als
gebruikelijk te Brugge, Roeselare ‘en elders’ met de
betekenis ‘sjampetter’, veldwachter. Het is een
samentrekking van schade-beletter. In het
Westvlaamsch Idioticon
(1873) en het Bijvoegsel (1883) op Schuermans
wordt het opgegeven als naam van de politiebediende of politieagent te
Brugge.
Meert reageerde nog herhaaldelijk, eerst onder de titel
Cato Censorius komt in beroep
16, dan in allerlei tijdschriften en andere bladen,
zoals Het Belfort, Het
Volksbelang, De Nieuwe School- en Letterbode,
De Kunstbode, De Brugsche Beiaard
en
De Flamingant
17.
Een beeld van de polemiek krijgen we door het volgende voorbeeld. In zijn Gemengde aanmerkingen had Claes in 1891 geschreven:
‘Van welk geslacht is het woord gedacht? Het
Woordenboek der Nederlandsche Taal
antwoordt: van 't vrouwelijk, voorheen ook van 't onzijdig
geslacht. - In het Zuiden heeft het zijn oorspronkelijk geslacht bewaard;
waarom moeten wij het dan opofferen?’
In zijn eerste antwoord schrijft Meert hierover: ‘Dit is
één van de woorden bij welke Zuidnederlandsche
pseudogeleerden zich op het oorspronkelijk geslacht beroepen. Eén
onder hen, D. Claes...’
Volgens Meert is de bewering dat dit woord oorspronkelijk onzijdig was,
volstrekt ongegrond en is het vanouds vrouwelijk. Hiervoor verwijst hij naar
het Oudhoogduits en het Oudsakisch. In het Middelnederlands komt het naast
vrouwelijk ook onzijdig voor, meest in de vorm gedachte of
gedochte, minder dikwijls in de vorm gedacht. Nu is het woord in Zuid-Nederland alleen onzijdig,
‘maar het heeft hier allerminst zijn oorspronkelijk geslacht
behouden. De beschaafde Nederl. taal heeft daarentegen wel aan den
oorspronkelijken vorm vastgehouden. Wie Nederl. schrijven wil, behoort dan
de gedachte te gebruiken’18.
In een latere repliek beroept Claes zich dan weer op Weiland, volgens wie ‘ook beschaafde
schrijvers’ dat woord onzijdig gebruiken ‘met de
weglating van den uitg. e’, bijv. Hooft, Stoke, Van Hoogstraten, Kiliaan
en Ferguut19. | | | | Deze laatste
repliek vinden we in de uitvoerigste bespreking die Claes aan het werk van
Meert wijdt, in een lezing voor de Vlaamse Academie, De
onkruidkunde van H. Meert gewikt en gewogen, die in de
Verslagen niet minder dan 136 bladzijden in beslag
neemt20. Met deze uitvoerige lezing wilde Claes voorkomen dat de
Academie het boek van Meert, Onkruid onder de
tarwe, volledig zou uitgeven. In de eerste honderd
bladzijden, die toen pas verschenen waren, had Meert o.a. geschreven:
‘op al onze Zuidnederlandsche schrijvers kleeft de erfzonde, geen
schrijft onberispelijk; allen zijn de slachtoffers der historische
verbastering; ze schrijven Zuidnederlandsch. Een half dozijn, weinig meer,
zou men vinden, die zich door hun gekuischte taal gunstig
onderscheiden’21.
In zijn lezing stelt Claes dat de Academie zich door Meert heeft
‘laten verschalken’ om de eerste honderd bladzijden van
zijn Onkruid uit te geven. Een gevolg hiervan is, zo zegt
Claes, dat ‘op last der Academie ligt gedrukt, dat er nauwelijks
zes - niet zes academieleden op de vijf-en-dertig - maar zes Vlamingen,
“weinig meer”, in heel België gevonden
worden, die hunne taal behoorlijk kunnen schrijven. En tot die zes behoort
natuurlijk hij zelf, en de heeren OBRIE, STIJNS en BRANS - die
noemt hij met hunne namen - en de heer GITTEE,
die daar niet aan twijfelt. Waar is nu de zesde? In de Academie of er
buiten?’22.
Claes bouwde zijn betoog verder op rond de volgende stellingen: de Vlamingen
hebben wél iets te zeggen in het beheer van de Nederlandse
taalschat: de redenen die de heer Meert aanvoert om ons, Vlamingen, bij
buren en vreemden voor sukkelaars te doen doorgaan, zijn of ongegrond of
kleingeestig; de beste Hollandse schrijvers, en zelfs de heer Meert, begaan
flaters, die hem moeten doen nadenken, eer hij het waagt zijn plak zo hoog
over de Vlamingen te zwaaien23.
De argumenten van Claes maakten blijkbaar zoveel indruk op de leden van de
Academie, dat het vervolg van Onkruid onder de tarwe niet
door de Academie werd uitgegeven. Pas in 1941 verscheen het volledige werk
postuum, bezorgd door Constant Peeters24.
| |
3. Oude rijkdom van de taal
Herhaaldelijk komt Claes op voor het gebruik van woorden die bij oude
schrijvers en in oude woordenboeken voorkomen en die nog in de Vlaamse
volkstaal | | | | leven. Dat ze nu in het Noorden verouderd zijn en
niet meer in de woordenboeken staan, is voor hem geen argument. Als deze
woorden in het Zuiden nog gebruikt worden, zijn ze volgens hem niet
verouderd en zouden ze ook in de hedendaagse woordenboeken opgenomen moeten
worden.
In zijn lezing
Eenige volksuitdrukkingen verdedigd en aanbevolen
verwijst hij voor het bijwoord daal, in Limburg
en (Oost-)Brabant gebruikelijk in de betekenis ‘beneden,
onder’, naar oude schrijvers, naar Kiliaan en zelfs naar een
citaat bij Ten Kate in ‘'t
Frank-Theutsch of Alamannisch: Er dera Sunna in Se
dalkange, dat is Eer de zon in zee daalga’.
Van de woorden breusem, kruim, breuzelingen, kruimels, en breuzelen, kruimelen,
zegt hij dat we ze tevergeefs in onze woordenboeken zoeken. ‘Bij
Ten Kate en Kiliaan staan zij als verouderd aangehaald, maar zij staan er.
't Is gemakkelijk zeggen: die woorden zijn verouderd! Wat recht geeft dat,
als zij op vele plaatsen nog frisch voortleven? Of zou er voor de talen ook
eene soort mode de Paris bestaan, waar elkeen zich hoeft
naar te regelen?’25.
Opmerkelijk is dat Claes in zijn
Gemengde taal- en letterkundige aanmerkingen
opkomt voor het schrijven van lidwoorden en voorzetsels aan het
begin van familienamen met een kleine letter, ‘niet als een teken
van adel, maar als een bewijs van eerbied voor een eeuwenoud
gebruik’26. In
de schrijfwijze met een kleine letter van namen als J. van
Meer en A. de Roose ziet hij dus een oude traditie,
terwijl anderen hierin juist een ‘Noordnederlands
systeem’ zien27.
Het zoeken van Claes naar oude bewijsplaatsen voor Zuidnederlandse
dialectwoorden ligt ten grondslag aan zijn studie over woorden bij Kiliaan.
Hieraan gaf hij de sprekende titel
Lijst van bij Kiliaan geboekte en in Zuid-Nederland
voortlevende woorden die in de hedendaagsche woordenboeken niet
opgenomen of onvolledig verklaard zijn
28. In zijn inleiding op dit werk betreurt hij dat de
Nederlandse taal verarmd en verzwakt werd doordat ‘een hoop
eigenaardige uitdrukkingen, vroeger tot de algemeene taal behoorende, maar
door geene Vlaamsche schrijvers levend gehouden, in Holland meer en meer
verwaarloosd, allengskens door de woordenboeken werden weggelaten en maar
alleen in den mond van het Vlaamsche volk voortleefden’. Hij
betreurt dat ‘de voorstanders van de taalherstelling... voor
particularisten uitgemaakt’ worden en meent ‘dat wij met
recht de woorden, door Kiliaan geboekt en in den | | | | mond van ons
volk voortlevende, mogen aanbevelen. Daartoe hebben wij onze volksspraak
zorgvuldig aan zijn
Etymologicum Teutonicae Linguae
getoetst’29.
De meeste woorden uit de Lijst komen als dialectwoord in de
streek van Tienen voor, zoals blijkt uit de
verwijzingen naar de woordenboeken van Tuerlinckx
(Hagelandsch Idioticon, eigenlijk voor
de streek tussen Tienen, Linter en Zoutleeuw) en Rutten (Haspengouwsch Idioticon, eigenlijk voor de
streek tussen Tienen, Zoutleeuw en Sint-Truiden).
Typisch Oosthagelandse vormen zijn bijv. gluntig,
gloeiend, heulenteer, vlierboom en heurts, mallejan30. Voor sommige van die woorden geeft hij
echter ook verwantschap met het Duits aan, bijv. voor heulenteer (Holunder), gescheer, allerlei gereedschap (Geschirr), en grellig, schrikkelijk (gräulich). Deze verwantschap moet het oude
recht van deze woorden kracht bijzetten.
Claes neemt in zijn Lijst echter ook woorden uit andere
dialecten dan het zijne op, bijv. kal, praat, en kallen, spreken, praten, die volgens hem in Hasselt, Limburg gebruikt worden en die Kiliaan o.a.
Hollands noemt. Claes schrijft dat deze woorden ‘dus Hollandsch
én Vlaamsch’ zijn. Dat ze vroeger in het Noorden bekend
geweest waren, is voor hem blijkbaar een argument om ze weer aan te bevelen.
Ook in zijn
Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Hagelandsch
Idioticon
31 verwijst Claes geregeld naar Kiliaan en naar andere oude
bronnen, om het oude recht van een aantal dialectwoorden aan te tonen.
Hierin komt hij overeen met Gezelle, die ook ‘van sommige onder
die schoone oude woorden weer gangbare spreek- en schrijfmunte’
wilde maken32 en die schrijft: ‘Wel hoe! een woord of een
zegswijze is Grieksch, Latijn, Hoogduitsch, Engelsch, Yslandsch, Deensch,
Zweedsch, Fransch zelve, en 't en zou geen Vlaamsch mogen zijn, enkel omdat
het in zulk of zulken woordenboek niet meer staat! Is een schilderij dan
Memmelinck's of Ruben's niet meer, om dat ze Mr A. of Mr B. in zijn kataloge
vergeten heeft’33.
| |
Besluit
Omdat hij het gebruik van woorden uit de Vlaamse volkstaal verdedigde, wordt
Désiré Claes een
particularist genoemd. Zelf wees hij die naam echter af. | | | | Hij
beschouwde zich als een ‘voorstander van
taalherstelling’. Evenals de zogenaamde Westvlaamse
taalparticularisten wilde hij goede woorden uit de volkstaal en uit oude
bronnen (liefst uit beide samen) opdiepen om het Nederlands te verrijken.
Hij haalt met instemming de woorden van M. de
Vries in zijn inleiding op het
Woordenboek der Nederlandsche Taal
aan ‘dat gewestelijke en plaatselijke woorden er hunne
plaats moeten vinden’, maar beklemtoont dat men door naar de
levende volkstaal te luisteren ‘de eenheid van taal in alle
gewesten, zoowel van Zuid- als van Noord-Nederland’ bevordert34.
Minderbroedersstraat 11 3000 Leuven
|
1T.J.
Suffeleers, Taalverzorging in Vlaanderen. Een
opiniegeschiedenis. Brugge-Nijmegen, 1979, p. 105, 136-137,
169-170.
2R. Haeseryn, De pennetwist om het algemeen Nederlands in België omstreeks
1900, in Taal en Tongval 11 (1959), p. 84-91,
inz. 85-87 en 90.
13Verkroesen heb ik nergens kunnen vinden; verkroezelen, omkrullen, van blaren, wel in het Algemeen Vlaamsch Idioticon van Schuermans, het Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon van
Claes en het Idioticon van het Antwerpsch dialect van
Cornelissen en Vervliet. Gelfsch, schuin, scheef, komt
voor bij Kiliaan, in het Nederduitsch-Fransch
Woordenboek van Van de Velde en Sleeckx en bij Schuermans, zonder
vermelding van het dialect waarin het gebruikt wordt. In Oost-Brabant
blijkt het woord onbekend te zijn.
14De Toekomst, 1891, p.
385-406.
16Ibid., 1892, p. 149-162
en 181-192.
17D. Claes, De onkruidkunde van
H. Meert gewikt en gewogen, in VMKVA, 1899,
p. 385-386.
18H. Meert, Onkruid onder de tarwe. Proeve van
taalzuivering. Turnhout, 1941, p. 73; cf. de gedeeltelijke
uitgave in 1899, p. 25.
19VMKVA 1899, p. 435-436.
21H. Meert, Onkruid..., 1899, p. 36.
23Cf. de drie delen van
zijn lezing, ibid., p. 396, 415, 479.
24H. Meert,
Onkruid... 1941.
25VMKVA
1890, p. 131-132.
26D. Claes, Gemengde..., p. 115-116. Reeds eerder had hij dit standpunt
verdedigd in Over 't gebruik der hoofdletters, in Handelingen van het XIIIe Taal- en Letterkundig Congres te
Antwerpen 1873, verslag van voordracht en bespreking, p. 257,
tekst van de lezing als Bijlage I, p. 391.
27J.L. Pauwels, De alfabetische rangschikking der Van-namen, in Leuvense Bijdragen 38 (1948), p. 18-48, en De
spelling van de familienamen met ‘Van’ en
‘De’, in VMKVA 1958, p.
309-316.
28Kon. Vl. Academie, V, 11. Gent, 1902. 80
pp.
29D. Claes, Lijst..., p. 5-6.
30Zie mijn bespreking van deze
drie woorden in de reeks Hagelandse woorden, in Oost-Brabant 22 (1985), p. 43-44, 13 (1976), p. 79-80,
en 16 (1979), p. 137-138.
31Kon. Vl. Academie, V, 12. Gent, 1904. 298
pp.
32Cf. N. Bakker, Gezelle, de
taaldelver en de taalzorger, in Boeket voor
Gezelle. Handelingen van het symposium door het
Guido-Gezelle-genootschap en de Koninklijke Academie voor Nederlandse
Taal- en Letterkunde, Brugge 2 mei 1980. Antwerpen-Amsterdam, 1980, p.
47.
33G. Gezelle, Dichtoefeningen. 1892, p. XII, naar de tekst in Verzameld Dichtwerk. I. Antwerpen-Amsterdam, 1980, p.
58.
34D. Claes, De onkruidkunde van H. Meert
gewikt en gewogen, in VMKVA 1899, p.
400.
|
|