terug  begin  verderprepost
[p. 20]

Bij sneeuw.

 
Er is wat sneeuw gevallen;
 
De lanen schitteren.
 
Doch koud zijn boom en steen,
 
Mijn dorre hart meteen,
 
Daar korte vreugde schallen
 
Die lang verbitteren.
 
 
 
Ik voel den winter wegen
 
Spijts al 't geflonker:
 
En zie in liefs gelaat,
 
Dat mij tot spiegel staat,
 
Mijn hoop op lentezegen
 
Nog immer donker.
 
 
 
Steeds moet de dag gedoogen,
 
Bij strak verstrengen,
 
Wanneer hij over 't land
 
Zijn grijze bogen spant,
 
Dat hij niet kan verhoogen,
 
Alleen verlengen.
[p. 21]
 
Hoe lang nog moet ik derven
 
Mijn roode beuken,
 
Mijn berk, mijn hagedoorn,
 
Mijn leeuwrik boven koorn,
 
Het bosch in al zijn verven,
 
En al zijn reuken?
 
 
 
Hoe lang de Vlaamsche vlassen
 
De wiedsters, wiederen?
 
Het land der Leye, waar
 
De luchten diep en klaar,
 
En verten plots verrassen
 
Met galm van liederen?
 
 
 
Naar heel de wereld reiken
 
Mijn vrome wenschen.
 
Toch voelt mijn hart alleen,
 
Vol troost, de Lente trêen
 
Beneden eenzame eiken
 
Naar moede menschen.
[p. 22]
 
Daar moest de dag weer blinken,
 
Tot liefs verheugen,
 
Zoodat wij, vroom berâan,
 
Ten zoelen zomer gaan
 
En zon en vriendschap drinken
 
Bij volle teugen.
prepostterug  begin  verder