terug  begin  verderprepost
[p. 52]

Boden

Aan C. Gerretson.
 
Mijn liederen zijn in 't gejoel des winds
 
een scheurende wolk van trekkende vogelen.
 
Zij willen hier, zij willen ginds,
 
slaan ruischend hun sterke vlogelen.
 
 
 
Mijn liederen tuimlen, in forsche vaart,
 
de zon in 't gezicht, de hemelen open,
 
alover Brabant Vlaanderenwaart,
 
met een stroom van leven en hopen.
 
 
 
Als de wind scherp waait en de zon klaar schijnt
 
en er ruischt een geweld in de noordluchtstreken,
 
mijn liederen, Vlaanderen, mijn liederen zijn 't,
 
't is uw Lente die door komt breken.
prepostterug  begin  verder