[Deel 1]
Voor meer dan vijf en twintig jaren ontviel onze geliefde vader, Willem de Clercq, aan zijn gezin en zijne vele vrienden. Van het door hem geschrevene is weinig in druk verschenen; daarentegen waren de eigenhandige aanteekeningen van verschillenden aard, door hem nagelaten, van grooten omvang.
Meermalen kwam bij onze moeder en ons het denkbeeld op, of niet uit dit vele althans iets voor zijne nakomelingschap en verdere belangstellenden tot een blijvend aandenken kon worden bijeenverzameld; maar de eigenaardige bezwaren, aan de uitvoering verbonden, weêrhielden telkens de verwezenlijking, zonder dat daarom de wensch verflaauwde. Integendeel, want, terwijl allengs een aantal vrienden van onzen vader door den dood was weggenomen, verrees in de kinderen zijner zonen een nieuw geslacht, en wilde men zoowel voor nog overgebleven tijdgenooten als voor het nageslacht werkzaam zijn, dan was nu daartoe de tijd aangebroken.
Konden wij ons zelven in de eerste plaats aangewezen achten om dezen arbeid te beproeven, wij meenden nogtans dat daartoe een meer onbevangen blik werd vereischt dan de onze zijn kon, en toen Dr. A. Pierson, door zijn huwelijk in naauwe familiebetrekking tot ons staande, na van een deel der aanteekeningen kennis te hebben genomen, met de meeste welwillendheid zich hiertoe aanbood, werden door onze moeder en ons volgaarne de nagelaten geschriften in zijne handen gesteld. Het is waar, persoonlijk heeft hij niet dan op zeer jeugdigen leeftijd onzen vader gekend, en mogten anderen zich geroepen achten om, in navolging van Da Costa in zijne uitstekende ‘Herinneringen uit het leven en den omgang van Willem de Clercq’, de ervaring mede te deelen van veeljarig verkeer, of den indruk te schetsen van bezielde en bezielende