Willem de Clercq werd den 15den Januarij 1795 te Amsterdam geboren. Zijne ouders, Gerrit de Clercq en Maria de Vos, waren in 1792 gehuwd. Hun eerste kind was reeds voor de geboorte van hunnen Willem overleden.
Huiselijken omgang had hij slechts met zijne ouders en eene zuster van iets jongeren leeftijd. Eerst verscheidene jaren later werd het gezin nog met een zoon en eene dochter vermeerderd.
De Clercq's dagboek begint in 1810. Omtrent zijne eerste levensjaren heeft hij echter later eigene herinneringen en mededeelingen van anderen opgeteekend, waaraan wij het volgende ontleenen:
Zijne vroegste indrukken betreffen het vieren van zijn derden jaardag en zijn eerste bezoek als vierjarig kind op Rupelmonde aan de Vecht, het buitengoed zijner grootouders. Zijn overgrootvader Gerrit Bosch, die in 1798 overleed, herinnert hij zich eens gezien te hebben. In 98 ontvangt
hij van jufv. Dinger het eerste onderricht in het lezen. Uit het volgend jaar is het doortrekken der gekwetsten, bij den inval der Engelschen in Noord-Holland, de gebeurtenis, die hem levendig in het geheugen blijft. Op zijn vijfden jaardag heeft hij een kinderboekje en eene blikken buitenplaats ontvangen, en den brief kunnen lezen, dien zijn vader hem daarbij schrijft. Dat hij dien brief later onder zijne familiepapieren heeft kunnen opnemen, bewijst zeker hoe vroeg de zucht, geschreven stukken te bewaren, hem eigen was. Voor zijne vroege ontwikkeling getuigt een opstel zijns vaders, geschreven met het doel om hem tegen de gevaren te waarschuwen op later leeftijd aan liefhebberij komediegezelschappen verbonden. Het opstel vangt aldus aan:
Waarde Zoon! Gij zijt heden vijf jaar oud en reeds bestaat uw grootste vermaak in zulke zaaken, die betrekking hebben op Tooneel en Comedie. Uw aangenaamste uitgang is na de comedie, aldaar zijt gij voor een kind van uw jaren zeer oplettend, de herinnering en nabootsing van 't geen gij gezien en gehoord hebt is u eene geliefde uitspanning.
‘Uw speelgoed, als stad, dorp, leger enz. die op zig zelve voor geheel andere spellen geschikt zijn, worden door u als zoovele middelen ter nabootsing gebezigt, daar 't opzeggen van vaersjens uit van Alphen, Thoen, vertellingen uit almanacken en 't reciteeren van grafschriften in den mond gelegt van houte of suijkerde poppetjes u onophoudelijk bezig houden en een geheel formeeren, 't welk blijken draagt dat de comedie en deszelfs gevolgen nu reeds een onuitputtelijke bron van vermaak voor u is.’
Op zijn zesde jaar bezoekt hij het eerst de school, en wel de zoogenaamde fransche school bij Jufvrouw Ansieaux. Dienaangaande teekent hij aan: ‘eigenlijk niets geleerd’. Hij ontvangt nog afzonderlijke schrijflessen; doch.... ‘altijd
slecht geschreven’. Het schoolgaan wordt echter in hetzelfde jaar vervangen door partikulier onderricht van Van Wijk Roelandszoon, te zamen met de Gildemeesters. ‘Rekenen, fransch en geographie van hem geleerd, heet het, vooral in het laatste genoegen gekregen door zijne gewoonte mij te laten reizen in verbeelding.’ Zulk reizen werd in later leeftijd dikwerf in de Improvisatiën herhaald. Zijne eerste aanteekening omtrent boeken houdt in, dat hij met genoegen Robinson Crusoë en Salzmann Grondbeginselen der zedekunde gelezen had. De gewoonte om de titels der werken die hij las op te schrijven, en uittreksels uit die werken te maken, had de Clercq reeds van zijne vroegste jeugd. Zij is hem zijn geheele leven bijgebleven. Uit die aanteekeningen werden dan later weder adversaria en registers samengesteld.
Als vroegste kennissen worden (1801) genoemd P. Bel, H.C. Gildemeester, P. van Eeghen, A. Fock, P. de Clercq en Pieter en Jan ten Cate.
't Volgend jaar komt hij bij Byrde op school. ‘Fransch en geographie uitmuntend geleerd, rekenen slecht.’ Rekenen is nooit zijne geliefkoosde studie geweest. Hoewel later hoofd van een handelshuis en direkteur van een groot handelslichaam, erkende hij openhartig in de leer der dubbele boekhouding nooit volkomen te huis geweest te zijn. ‘Op eigen verzoek, van Byrde wat Latijn geleerd, doch dat bleef gebrekkig.’ Schoolkennissen, die later vrienden bleven, zijn thans C.D. Crommelin, J. van Oosterwijk Bruyn, P. Bel, W.A. Buse en M.C. Schröder. Met den laatste is hij ‘zeer intiem.’ De eerste letterkundige, meest dramatische proeven dagteekenen uit dit en het vorig jaar. Met name wordt vermeld de gelukkige terugkomst, dat de jeugdige schrijver zelf voor zijn zusje speelt; voorts Cesar, Cleopatra, de lastige minnaar. Van deze proeven, meest met
potlood vrij onleesbaar en slordig geschreven, is nog veel overig.
Na den dood van Byrde, wordt de school weder vervangen door huisonderricht van Tissot. ‘Hij leerde mij Latijn, maar meer nog Franschen stijl en nadenken over vele zaken.’ In het laatst van 1806 gaat hij op nieuw ter school bij Wertz, waar hij ongeveer twee jaren blijft; ‘daar nog al rekenen en physica geleerd, maar weinig fransch meer’. De voornaamste schoolvrienden zijn J.C. Biben, A. Hazeu, met wien hij verzen maakt, en Crommelin van Haarlem. De gewonde jongeling door wraak, een gelegenheidsdrama, een verhandeling over Hannibal en verzen (met Hazeu) op het Y, Karel den eerste, Miltiades in den kerker enz. zijn de litterarische oefeningen uit dit jaar.
Het schoolonderricht wordt tegen het laatst aangevuld door het houden van kollege bij Prof. Hesselink over Geometrie, ‘met eenig nut’, bij Jan Kops over het lezen, door huislessen van Tissot, en door bijzonder onderwijs in Duitsch en Engelsch. Bij Prof. Koopmans gaat hij ter katechisatie.
In den zomer van het volgend jaar (Juni 1809) dus in zijn 15de jaar, heette de voorloopige opvoeding voltooid.
Aanvankelijk waren zijne ouders voornemens geweest, hem aan het Seminarie der Mennonieten tot predikant te laten opleiden. Doch het overlijden van een neef, die in de firma S. en P. de Clercq, graanhandelaars te Amsterdam, had moeten komen, bracht hierin verandering. Willem de Clercq scheen thans de aangewezen persoon om zijn grootvader en vader in de handelszaak ter zijde te staan en hen later op te volgen. Op dit kantoor vond hij zijne eerste maatschappelijke werkzaamheid.
‘In de eerste jaren alleen gecopieerd’. Hij volgde dus de ouderwetsche gewoonte volgens welke men geen goed koopman worden kon, wanneer men niet een paar jaren aan
het kopijboek had gezeten. Hij hield echter veel vrijen tijd over. De ledige kantooruren werden hoofdzakelijk besteed met het uitschrijven van verzen uit tal van hollandsche, fransche, engelsche en duitsche dichters. Groote stapels katernen werden in dien tijd volgeschreven. De Clercq nam ze met al zijne overige boeken en papieren bij elke verhuizing getrouw weder mede. Hij heeft ze altijd bewaard. Met het maken van eigene verzen en dramatische stukken, zooals een Hannibal in drie bedrijven, bleef hij voortgaan. De Clercq's groote vaardigheid als improvisator in maat en rijm was dus niet enkel gevolg van bezieling, ook van langdurigen arbeid en oefening. Veelvuldige letterkundige briefwisseling, vooral met J. van Oosterwijk Bruyn, wordt uit dien tijd vermeld. Weldra volgden letterkundige vereenigingen: eerst in 1812 eene krans met A. Fock, J.G. Kruimel, G.J. Boissevain en H.C. Gildemeester; in het volgend jaar K(unst) en V(riendschap), waarvan J. Bosscha, T.J. Kerkhoven en J. van Oosterwijk Bruyn leden zijn. In dit genootschap werd vooral de dichterlijke vaardigheid geoefend; het maken van verzen op rijmende eindwoorden of op bepaalde onderwerpen was de voornaamste bezigheid. Met Claude Crommelin wordt de studie van het latijn, met J. Bosscha die van het Grieksch onderhouden. Thans geeft hij zijn eerste vers uit: Hulde aan Kemper.
4 Aug. 1814 schrijft Prof. Siegenbeek aan de Clercq's grootvader. ‘Bij het onlangs plaats gehad hebbend verblijf van uwen kleinzoon te Leiden heb ik mij onder anderen op mijn kamer eenige uuren zeer genoegelijk met hem onderhouden en over allerlei onderwerpen van smaak en studie gesproken. Ik heb daarbij zijne ongemeene vorderingen en zijn juist en bondig oordeel bewonderd en meermalen den wensch niet kunnen onderdrukken, dat hij zich aan de wetenschappen voor welke hij een zoo uitstekenden
aanleg heeft geheel mogt kunnen toewijden. Intusschen wensch ik u van harte geluk met een afstammeling op wien gij met volle regt den hoogsten roem moogt dragen.’
De Clercq's verdere uit- en inwendige levensgeschiedenis vindt men nu in de hier volgende bladen, op verzoek der familie door mij samengesteld, 1o uit het dagboek dat hij 1 Januari 1810 aanving en tot zijn dood, in 1844, voortzette, 2o uit zijne mij welwillend meegedeelde brieven.
September 1869.
a. pierson.