auteur: Willem de Clercq
bron:
Willem de Clercq, Verhandeling van den heer Willem de Clercq ter beandwoording der
vraag: welken invloed heeft vreemde letterkunde, inzonderheid de Italiaansche,
Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde,
sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen? Pieper & Ipenbuur, Amsterdam 1824
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Vierde Tijdperk.
Van het midden tot het einde der zeventiende eeuw.
Het voornaamste doel bij het afscheiden van de zeventiende
eeuw, welke men anders in de Letterkundige Geschiedenis gewoon is, met eenen
blik te overzien, in twee tijdperken, was de wensch, om die rigting, welke vondel aan onze Poëzij gaf, en welke zoo geheel
verschillend van den vorigen geest was, meer bepaaldelijk te schetsen. Zoo
iemand, behoorde vondel voorzeker onder die mannen, die hunne
eigene baan wisten te kiezen, en dat hij waarachtig Dichter was, dit bewijst
iedere bladzijde zijner menigvuldige schriften. Hooft en vondel worden gewoonlijk in onze Letterkundige Geschiedenis
gelijktijdig genoemd. Belangrijk was echter het onderscheid tusschen beiden. Hooft was de man van smaak, die het schoone, hetwelk hij bij
de verschillende Volken van zijnen leeftijd wist op te merken, in onze Taal
trachtte over te brengen. Vondel was meer genie, in den
eigenlijken zin des woords, minder wijsgeer, geen Letterkundige en
Geschiedschrijver, gelijk deze, maar oneindig meer Dichter. Alle onze groote | | | | mannen waren tot hiertoe in verschillende standen geplaatst
geweest. Coornhert was werkzaam in de betrekkingen van
Vaderland en Godsdienst, spieghel was Handelaar, barlaeus Geleerde, huygens Hoveling, cats Staatsman, vondel was geheel zanger,
en maakte geene andere aanspraken, dan die, waarop hem zijn naam van Dichter regt gaf. Van daar dan ook, dat vondels loopbaan en die van hooft geheel van elkander
verscheiden waren. De eene, tot de toenmaals meest bevoorregte standen van de
Maatschappij behoorende, Ambtenaar van den Staat, met eenigen uiterlijken
luister bekleed, stond aan het hoofd van eene der eerste letterkundige kringen
van ons Vaderland, en had door zijne bekwaamheden en verdienden roem eenen
invloed verkregen, welke thans in eenen tijd, waarin Maand- en Tijdschriften
hunne pijlen in het duister scherpen, en zelfs de grootste letterkundige namen
voor derzelver meesterachtige afkeuring of spotternij niet veilig zijn,
moeijelijk kan begrepen worden. Als Vertaler van tacitus, als
Schrijver der Nederlandsche Geschiedenissen ware zijn naam
onsterfelijk geweest, wanneer ook geen dichterlijke lauwerkrans hem was te beurt
gevallen. Daarbij bezat hij een dier zachtgestemde gemoederen, welke alles ten
beste willen plooijen, en ten hoogste alle openlijke ergernis schuwen. Vondel, daarentegen, heftig van aart, wrevelig door de
menigvuldige moeijelijkheden, welke hem het dagelijksche leven, waarin hij
slechts eene geringe plaats bekleedde, aanbood, vatte met geestdrist iederen
indruk op, waardoor zich zijn geest kon verheffen, of waardoor hij zijne
hekelzucht den vrijen teugel kon laten. Zijn dichtgeest was eenen bruisenden
stroom gelijk, die door geenen dam ingetoomd kan worden. Zoodra hij eens een | | | | onderwerp aangegrepen had, verliet hij het niet, zonder eerst alle
kleuren aan hetzelve gebezigd te hebben. Zoo gaat hij in het Decretum horribile, om hetgeen hij als de leer van calvyn beschouwde, te bestrijden, beurtelings van den gemeenzaamsten
dagelijkschen toon tot de verhevenste beeldspraak over, en schildert de zwartste
schriktooneelen en tevens de heerlijkste tafereelen van Engelenvreugde, die onze
Taal tot nu toe kende. Waar hij onregt geloofde te aanschouwen, kende hij geene
overeenkomsten en betrekkingen; hij hanteerde het dichterlijk zwaard, en kende
geene vrees, hetzij maurits of salmasius
als vijand voor hem stond. Hierdoor was het dan ook onmogelijk, dat de twee
bovengenoemde groote mannen steeds de zaken op dezelfde wijze beschouwen konden.
Van daar, dat de onverwachte overgang van vondel tot de
Roomsche Kerk zijnen vriend ergernis veroorzaken moest, terwijl daarentegen
deze, met hart en ziel tot de Moederkerk te rug keerende, geene redenen kon
bevroeden, waarom hij niet openlijk voor zijne gevoelens zou uitkomen, terwijl
hem zoowel zijne staatkundige als godsdienstige begrippen tegen de Hervormde
Geestelijkheid verbitterden.
Zoodra men nu, van den anderen kant, onze Dichters met die der vreemden
vergelijkt, staan vondel en shakespeare
elkander in den aart van hunnen aanleg nader, dan men zulks gewoonlijk vermoedt.
Beide in een' burgerlijken stand geboren; beide van eene vroegere geleerde
opvoeding verstoken, hadden zij alleen aan hun eigene genie hunne vorming te
danken; beide, eindelijk, genieten zoodanig eene hulde van het nakroost, dat er
nog eenige van hunne werken op het Schouwtooneel hunner landgenooten opge- | | | | voerd worden, terwijl die der andere toenmalige dichters geheel aan
het stof der boekverzamelingen prijs gegeven wierden. De weg, dien beide
insloegen, was echter geheel verschillend. Shakespeare vond
in zijne Letterkunde, tot éénig rigtsnoer, de menigvuldige
vertalingen der Italiaansche Novellen, en tevens de navolging
van eenige der oude klassieke Schrijvers, doch deze laarste veelal in dien
romantischen vorm, waaronder dezelve in de middeleeuwen overal verspreid waren.
Van daar ontstond bij hem die zonderlinge vermenging van oude en nieuwe
denkbeelden, doch ontwikkelde zich ook tevens de behoefte, om die personen, die
zijne boeken hem hadden leeren kennen, te bezielen. Minder dan vondel tot het werkelijk leven behoorende, bleef hij meer beschouwer,
meer schilder, en dit was bij hem de oorzaak van die oneindige afwisseling van
ruwheid en verhevenheid, welke hem voor zijn Land en Volk onvergetelijk maakt.
Geheel anders was het lot van vondel. Bij de eerste
ontkieming van zijnen dichtgeest met geleerder mannen in kennis gekomen,
trachtten deze hem spoedig van de onbepaalde voortreffelijkheid der Ouden te
overtuigen, en hij bewees door de moeijelijke aanleering der Latijnsche Taal
zijne onderwerping aan dezen raad. Hieraan moeten wij dus die mindere
weelderigheid en tevens de meerdere regelmatigheid van zijne werken
toeschrijven. Vondel zag den mensch door den spiegel, dien de
Ouden van denzelven hadden opgehangen: shakespeare meer door
eigene oogen. Doch van den anderen kant wonnen wij daardoor ook heerlijke
overzettingen van de schoonste stukken der Ouden, en in den Gijsbrecht de verhevenste overstorting van het tweede boek der Eneis, welke misschien in eenige Taal gevonden wordt. Echter
kon het genie- | | | | van vondel, toen dit deszelfs
schitterendst tijdperk bereikte, in de Latijnsche Letterkunde zijne geheele
bevrediging niet vinden. Hoewel het uit verscheidene plaatsen blijkt, dat hem de
andere Europesche Talen (bij voorbeeld, Fransch en Hoogduitsch) niet onbekend
waren, konden deze toen nog weinig voedsel voor eenen geest als den zijnen
opleveren, en ofschoon hij nu en dan ook aan de smaak voor woordspelingen, die
in zijne eeuw heerschte, offerde, konden de spitsvindigheden van marino geenszins zijnen innige behoefte tot Poëzij en
uitstorting van zijn gevoel vervullen; doch er bleef hem nog eene bron over, in
zijnen leeftijd dikwijls alleen ter bestrijding of bevestiging van godsdienstige
stelsels gebezigd, namelijk de Bijbel. Vondel was bij ons de eerste, die denzelven met een dichterlijk oog
beschouwde, en deszelfs schoonheden in welluidende Nederduitsche verzen kleedde.
De ruwe beginsels der eerste Rederijkers, die zich ook, gelijk wij voorheen
zagen, op Bijbelstoffen oefenden, behelsden meer de voorstellingen van
Bijbelsche personen en hunne lotgevallen, dan wel eene dichtkundige voordragt,
waarin de geest des Bijbels heerschtte. Deze gaf vondel. Als
echt toonbeeld van den nederlandschen smaak, was hij van wezenlijk godsdienstig
gevoel doordrongen. In dezen kring van denkbeelden schiep hij dus vooral
behagen, en wat hij ook in andere vakken leverde, niets overtreft bij hem die
oogenblikken, waarin de stem der Profeten of der gewijde Dichters in zijne
zangen weergalmde. Prachtig is het tafereel, dat hij in eene rij der verhevenste
dichtstukken, van Lucifer tot Salomo, van de
leidingen Gods met de menschen, ophangt, en heerlijk vooral is de ontsluiting
van dit tooneel in het eerstgenoemde stuk. Daar is | | | |
vondel tegelijk de shakespeare en milton van Nederland. Al het ongerijmde, dat in een dergelijk
onderwerp, menschelijk behandeld, moest voorkomen, kon hier niet ontweken
worden; doch men moest zelve engel zijn, om den eersten indruk, welken de
aanblik van het menschenpaar, in den stand van volmaaktheid beschouwd, zelfs bij
een geestelijk wezen verwekte, beter dan vondel zulks door
Apollion deed, te kunnen uitdrukken. Veel heeft men
getwist, of vondel en milton met elkanders
schriften hebben kunnen bekend wezen, hetgeen ik geenszins geloof, daar miltons
Verloren Paradijs in het eerst, zoo als dit met de meeste
werken, waarop de stempel der onsterfelijkheid gedrukt werd, het geval is, door
zijne tijdgenooten miskend werd, en eerst later zijne lofredenaars vond. Milton, daarentegen, heeft waarschijnlijk nimmer de
Nederduitsche Taal beoefend, en, naauwelijks uit de woelingen der twistende
staatspartijen gered, werd zijn ouderdom door blindheid verbitterd en daardoor
natuurlijk zijn geest tot onderzoek beperkt, terwijl alleen de voorlezingen
zijner dochters uit den Bijbel en homerus,
onuitputbare bronnen van het ware en schoone, de vonken van zijnen dichtgeest
ontvlamden. Beiden, hetzelfde onderwerp behandelende, door hetzelfde licht
bestraald, konden zich ligt, ook zonder eenige gemeenzame denkbeelden uit hugo de groots
Gebannen Adam (Adamus exsul) ontleend te
hebben, in vele opzigten ontmoeten(85). | | | |
Milton zelf had vroeger, bij zijne reis in Italie, het
voornemen opgevat, om dit onderwerp dramatisch te behandelen. In den heerlijken
rei der Engelen van vondel ligt echter eene verhevenheid
opgesloten, die door milton niet overtroffen werd, en mag men
met regt dit meesterstuk als een der onstoffelijkste gedichten
bewonderen, in eenige Taal ter eere van den ontzaggelijken Schepper des Heelals
uit eenen Godsdienstigen boezem opgerezen. Vondel moge dan in
zijne Bijbelsche stukken, op vele plaatsen, aan zijne helden de gevoelens zijner
eeuw in den mond hebben gelegd, welk Treurspeldichter bleef er immer van dezen
eigenaardigen invloed vande wereld, die hem omgaf, geheel bevrijd? Doch wie zal
daarentegen ontkennen, dat wij aan dit godsdienstig en zedelijk gevoel de twee
schoonste plaatsen van vondels meesterstuk te danken hebben.
Want ontroerde ons ooit de Kindermoord van herodes ergens
meer dan in den Zang der Klarissen, en bewonderden wij ooit
die nieuwere heilige dichtkunst, welke aan het Christendom zijnen oorsprong te
danken had, levendiger dan in dien onvergetelijken beurtzang Waer
wert opregter trouw? Voorwaar het voorbeeld tot dit lied heeft vondel noch in de erotische lierzangen van horatius, noch in de elegien van tibullus en propertius gevonden.
Doch het is hier geenszins het doel, om eene lofrede op de | | | |
treurspelen van vondel te houden; maar alleen om de werken
van onzen grootsten Dichter eenigzins in verband te brengen met de gelijktijdige
Letterkunde bij andere Volken. In zijne wereldlijke treurspelen sloeg vondel meer den weg der navolging in, doch jammer was het,
dat hem sofokles en euripides alleen uit
latijnsche vertalingen bekend waren, en hij voorts seneca
vooral, of liever die rij van treurspelen, welke de Ouden ons onder dien naam
hebben nagelaten, tot voorbeeld schijnt genomen te hebben. Vondel, gelijk meer mannen van genie, was gelukkiger wanneer hij navolgde,
dan wanneer hij vertaalde. Het meer gezwollene en overdrevene van seneca schijnt op hem veel invloed gehad en met de denkbeelden, die
hij van de Dichtkunst voedde, meer te hebben ingestemd, dan wel de eenvoudigheid
van eschylus en sofokles, tot wier
oorspronkelijke taal hij nimmer doordrong. Een der eerste stukken van dien aart
was de Amsterdamsche Hecuba, door hem met behulp van eenige
andere vernuften uit den Latijnschen Troades vertaald. Op dit
stuk slaat de aanmerking van boileau, in zijne Art Poëtique op het oorspronkelijke gemaakt:
Que devant Troie en cendre Hecube desolée,
Ne vienne pas pousser une plainte ampoulée,
Ni sans raison de dire, en quels affreux Pays
Par sept bouches l'Euxin reçoit le Tanais.
Ook de Hippolijtus was naar seneca gevolgd.
Aan dezen hebben wij ook den heerlijken, hoewel misschien in de velden van | | | | Troje ongepasten rei der Eubeërs te danken uit den Palamedes. Dit stuk is een diergene, waarin vondel zich het meest aan zijne geestdrift overgaf. Misschien zijn de
toespelingen op den tijd, waarin hij leefde, te weinig omkleed, maar ieder regel
leert ons hier, hoe vol hij van zijn onderwerp was, en de verhalen,
alleenspraken, reijen, bevatten eene kracht en welluidendheid, welke men in
verscheidene zijner andere stukken te vergeefs zoude zoeken. In zijne Maagden werd zijne geestdrift door den Godsdienst, waartoe hij
kort geleden was overgegaan, en de zucht om eene eerzuil voor zijne vaderstad op
te rigten, aangewakkerd. In de Leeuwendalers toonde hij, dat
indien hij Blijspeldichter had willen zijn, gelijk shakespeare en corneille, die dien roem met den
tragischen lauwerkrans vereenigden, hem de gaaf daartoe geenszins ontbrak, en
misschien gaven de Granida en hetgeen hem zijne vrienden
voorts van de Italiaansche herdersspelen verhaalden, gelegenheid tot de
vervaardiging van dit Landspel, waarin vondel echter geene
Arkadische denkbeeldige herders, maar wezenlijke dorpelingen geplaatst heeft.
Denzelfden geest, die in vondels Treurspelen de overhand had,
vinden wij in alle zijne schriften weder. Vóór hem was de
toon van alle onze Dichters geheel verschillend geweest; want er bestaat
voorwaar een groot onderscheid tusschen de zangerige eentoonigheid van cats, den duisteren kernvollen dichtstijl van huygens of de beeldrijke liefelijkheid van hooft.
Na vondel, die alle vorige Dichters verduisterde, heerschte
er maar één toon, namelijk de zijne. De
sporen van zuidelijken invloed, wel is waar nog in verscheidene zijner kleinere
stukken, sonnetten en madrigalen, zoo als, | | | | bij voorbeeld, in dat
op roscius en meer anderen, als ook in vele woordspelingen
zigtbaar, waren uit zijne groote stukken veelal verdwenen, en dezelve werd
geheel vervangen door de meer gezette navolging van den hoogdravenden stijl der
Latijnen, die sedert dien tijd meer en meer veld won, en alles, wat niet in dien
stijl gestemd was, door de bewonderaars van denzelven als laf en krachteloos
deed beschouwen. Het ontbrak vondel echter, bij zijnen
verhevenen dichterlijken geest, aan den noodigen smaak, om, waar hem zijne
dichterlijke geestdrift verliet, dit gemis uit de schatten van belezenheid of
menschenkennis te kunnen aanvullen; hiertoe had hem zijne opvoeding en studie
niet opgeleid, en van daar ook dat weinig Dichters meer ongelijkheid, meer
afwisseling van de verhevenste uitboezemingen met de platste uitdrukkingen
behelzen, naarmate de bezielde Dichter of de Amsterdamsche Kousenhandelaar der
zeventiende eeuw tot ons spreken.
Groot waren de verdiensten van vondel ten opzigte van het
tooneel, en nadat wij het weinige gezien hebben, wat daarin
vóór zijnen leeftijd loffelijks gedaan werd, moeten wij
bekennen, dat, indien men op dezen weg voortgegaan ware, wij ons veelligt hadden
mogen verheugen, eene nationale school in het vak der dramatische Dichtkunst te
bezitten; eene hoop, naderhand door de indringende Fransche Letterkunde geheel
uitgedoofd. Wij hebben vroeger van de treurspelen van hooft
gewaagd; ook bij vondel was het nog slechts het verbeterde
kamerspel, waaraan echter de nabootsing der Ouden eenen geheel anderen toon gaf.
Deze navolging van de treurspelen der Grieken, die hem door | | | |
vertalingen eenigzins gemeenzaam geworden waren, straalt in alle de stukken van
vondel door. Gelijk corneille wilde
hij ook zoo gaarne, om de toejuiching der Geleerden tevens met die van het
algemeen te verwerven, zich naar de regels van aristoteles
schikken, en inderdaad was de tijd, waarin hij leefde, daartoe ook nog meerder
geschikt. Men moet ondertusschen nimmer vergeten, dat aristoteles zijne wetten naar de treurspelen der Atheensche Dichteren, en
deze geenszins hunne dichtstukken naar zijne regels gemaakt hadden. Van daar zal
ieder volk, dat het grieksche treurspel aanneemt, zich bij het volgen van die
regels uitmuntend bevinden; doch welk oneindig onderscheid is er niet tusschen
het grieksche treurspel en het onze. Het eerste was een dichtstuk, waarin alles tot de harmonie van het geheel medewerkte, en waar
de Dichter steeds den voorrang boven den speler behield. Gelijk echter in alle
kunsten is het gevoel van den mensch langzamerhand verstompt geworden, en heeft
men gedurig sterker en sterker moeten treffen, om nog eenigen indruk te
veroorzaken. Men vergelijke slechts den stijl van den Cid of
dien van de Zaïre, de muzijk der volksliederen, of
die der nieuwste Hoogduitsche en Italiaansche Componisten.
Het denkbeeld van het treurspel, zoo als de Romeinen zich hetzelve hadden
gevormd, was mede zeer verschillend van dat der Grieken. Bij de eersten was het
eene vereeniging van zang-poezij en eeredienst. Bij de Romeinen, daarentegen,
waar de Godsdienst wel met den Staat, echter geenszins met de Letterkunde, in
eenig verband stond, behoorden de Zwaardvechters en jagten op wilde dieren tot
de spelen van den Circus, en waren deze | | | | voor de bloeddorstige
meesters der wereld beter geschikt, dan de meesterstukken van sofokles of euripides. Dit was ook de reden, waarom
men de belangstelling van het Romeinsche Volk nimmer aan deze uitheemsche
navolgingen kon boeijen, en hetzelve dikwijls, in de belangrijkste oogenblikken,
om zwaardvechters riep. Corneille was de eerste, die het
zoogenaamde grieksche treurspel in Frankrijk schiep, hoewel dit treurspel
slechts, zoo als wij vroeger zagen, eene vereeniging van den roman der
middeleeuwen, met de navolging van seneca en vooral der
Spanjaarden, was. De galanterie van het Hotel van Rambouillet straalt in alle
zijne stukken door, en niettegenstaande de bewondering, welke ons de
verhevenheid van zijn genie afperst, herinneren zijne Cleopatra en Caesar geenszins aan Griekenland, en nog
minder zijn Edipus, waarin hij het onderwerp van het
heerlijkst treurspel van sofokles met eene partie quarrée van Fransche minnaars uit de zeventiende
eeuw vereenigd heeft. De latijnsche en spaansche stukken waren hem tot
voorbeeld. Medea, zijne eerstelinge, is ook weder uit seneca geput, en de onmiskenbare invloed van de castro is in zijnen Cid duidelijk te erkennen(86). Ook vondel, zijn tijdgenoot, was met de navolging der Latijnen begonnen;
doch hij gevoelde, wat het treurspel zijn moest, om nationaal te kunnen | | | | worden. Onze eigene Geschiedenis vóór de
omwenteling was toen te weinig bekend, om daarin een Cyclus van gebeurtenissen
te vinden, voor dichterlijke ontwikkeling vatbaar. De Franschen van die eeuw
waren daarentegen, door de aldaar steeds zoo geliefkoosde romans, met de helden
van Rome en Griekenland meer bekend geworden, en er werd eene conventionele
Geschiedenis aangenomen, waarin aan Achilles en Orestes vaste karakters werden toegekend.(87).
Vondel begreep, dat alleen de stukken uit de Heilige schrift
genomen, op den duur, met den toenmaligen volkssmaak konden instemmen, daar hij
te veel eerbied voor het gevoelen zijner geleerde vrienden had, om, waartoe zijn
geest anders misschien niet ongeneigd zoude geweest zijn, den zoogenaamden
klassischen vorm te verwerpen. Hij bleef aan denzelven getrouw, en vondt bij
deze onderwerpen in zijne toehoorders des te gretiger bewonderaars, daar de rei
der door hem voorgestelde gebeurtenissen hun geheel bekend was. In deze stukken
zocht hij den griekschen vorm na te bootsen, en gelijk de Prometheus en Orestes in drie op elkander volgende
treurspelen door de Ouden behandeld werden, zoo | | | | behandelde hij op
eene dergelijke wijze het leven van Joseph en dat van David. Ware de Godsdienst dezer Landen toen nog de Roomsch
Katholijke geweest, zoo lijdt het geen twijfel, of deze Godsdienst, die
dergelijke voorstellingen vergunt, welke nog in de vertooningen der Italiaansche
Kloosters en in de Autos Sacramentales der Spanjaarden zijn
bestaan gebleven, zoude dezelve begunstigd hebben, en wij hadden dan in vondel onzen calderon gevonden, daar
dezelfde geestdrift voor den Godsdienst, en geneigdheid tot het geheimzinnige
bij den Dichter der Altaargeheimenissen heerschte. Wij hebben
reeds vroeger de redenen aangestipt, welke, naar ons inzien, de verbittering
tusschen vondel en de Protestantsche Geestelijkheid te weeg
bragten, en behoeven daarop niet te rug te komen; doch genoeg is het, dat vondels treurspelen, het zij uit gegronde redenen, of uit
lagen naijver, langzamerhand van het Tooneel weken. Zonderling, echter, is het,
dat, terwijl de Engelen uit den Lucifer, en met eenig regt,
uit onzen Schouwburg geweerd werden, die van den Gijsbrecht
nog tot den huidigen dag het voorregt bezit, ons op het einde van het jaar te
bezoeken, alsof men oordeelde, dat er wel een engel noodig was, om den roem van
zulk eene stad, als Amsterdam, waardiglijk te kunnen voorspellen.
Het treurspel, zoo als vondel hetzelve behandelde, had echter,
zoo als wij reeds vroeger aanmerkten, nog veel meer dan het fransche van den
geest des griekschen overgehouden. Toen nog bezat het treurspel meer den vorm
van een dichtstuk, en men ging zoo wel om te hooren als om te
zien. Aan karakter en zedenschildering werd nog weinig
gedacht, en er is een groot onderscheid | | | | tusschen den meer
geschiedkundig waren Gijsbrecht van bilderdijk, in den Floris den Vijfden, en dien van vondel, die inderdaad niemand anders is, dan de pius Eneas, en zelfs den raad van Raphael noodig
heeft, om ook niet, op diens spoor, zijne Creusa achter te
laten. Voorts vindt men in deze stukken vele van die rasse tweespraken, in de
Maagden en in de Geschiedenis van Absalom zoo juist gebezigd, en welke bij de Franschen bijna geheel
onbekend waren(88). De expositien geschiedden geenszins door mededeelingen, aan
vertrouwden gedaan, gelijk bij de Franschen, maar meest door alleenspraken,
terwijl verhalen en reijen, naar het voorbeeld der Ouden, alle de heerlijke
kleuren van epische en lijrische Dichtkunst ten toon moesten spreiden. Veel is
er sedert in dezen vorm veranderd, dewijl men thans door een treurspel veel meer
iets verstaat, dat tevens oog en oor treffen, en veel meer eene wezenlijke
voorstelling uit het dagelijksche Vorstenleven, dan een tooneel uit eene
geidealiseerde wereld opleveren moet, Gijsbrecht van aemstel
heeft nimmer zoo bedaard de gebeurtenissen van den nacht aan
zijne vrouw verhaald, terwijl zijn slot door de Kennemers aangevallen werd; doch
nero
heeft in zulke stuiptrekkingen kunnen
sterven. Dat de kunst daardoor langzamerhand verloren gaat, is
ontegenzeggelijk. Men dient in dit opzigt
| | | | tusschen de zoogenoemde klassieke en romantische school eene
beslissende keus te doen. De laatste heeft de vrijheid gegeven, de natuur in
alle vormen na te bootsen, terwijl de eerste nog in hare conventionele wereld
blijft; en onze tegenwoordige school, onder het voorwendsel den Ouden getrouw te
blijven, begint reeds naar het romantische over te hellen, dewijl ieder Dichter
zich naar den geest zijner tijdgenooten, trots meer of minder tegenstand,
eenigzins schikt, en vijf en twintig jaren omwenteling, bij zoo vele onverwachte
gebeurtenissen, aan het tegenwoordig geslacht eene zucht van meer te zien en te weten medegedeeld
hebben, die niet meer door die genoegens, welke de uitspanning hunner vaderen
uitmaakte, geheel bevredigd kan worden.
Opmerkelijk is nog bij vondel de mindere afscheiding tusschen
den toon van het blij- of treurspel, en was dit, zonder van shakespeare te spreken, bij wien zich beide soorten dikwijls
vereenigden, het geval bij de meeste herstellers van her tooneel. De Cid van corneille is nog eenvoudig in den
stijl zijner zamenspraken, en slechts weinige tooneelen toonen eene bijzondere
verheffing. Hetzelfde vindt men, bij voorbeeld, in vondels
Joseph in Dothan, en deze eenvoudigheid, die wij nu platheid
zouden noemen, was het echte kenmerk van het herlevende treurspel, dat toen alle
vakken en geschiedenissen omhelsde, dewijl vondel de broeders van Joseph niet als de zonen van
Atreus kon laten spreken. Bij de Spanjaarden waren lang treur- en blijspel
dikwijls alleen door den afloop onderscheiden, dewijl er nog eene tusschensoort,
of comédie héroïque, bestond,
waarvan corneilles
Don Sanche d'Arragon en | | | |
molieres
Don Garcie de Navarre nog het voorbeeld opleveren. Nog zelfs
na corneille bleven vele stukken in den spaanschen trant, zoo
als, bij voorbeeld, de Wenceslas van rotrou(89). Corneille liet nog aan zijne Sabina, de gade van Horatius, tegen Camilla zeggen: Ma soeur entretenez Julie,
waarop deze antwoordt, qu'elle a tort de vouloir que je vous
entretienne(90). Voltaire merkt daarop aan, dat
dergelijke uitdrukkingen in een treurspel ongeschikt zijn; doch het treurspel
van corneille was nog geenszins dat van voltaire, en het was naderhand, toen de beoefening der Ouden meer en
meer veld won, en de betooverende stijl van racine over alles
eenen bevalligen plooi wist te werpen, dat deze gewoonte, om alles op dezelfde
hoogdravende en dichterlijke wijze uit te drukken, geheel de overhand verkreeg;
weshalve dan ook de Fransche Dichters door de Duitschers deswegen vooral
aangevallen werden, daar deze laatsten, wier Taal eenen dergelijken stijl niet
veroorlooft, het aan racine niet vergeven konden, dat hij Fedras voedster in deze woorden hare gebiedster laat
herinneren, dat zij in drie dagen niet gegeten had:
Et le jour a trois fois chassé la nuit obscure
Depuis que votre corps languit sans nourriture.
| | | |
Wij vinden voorts nog in eenige stukken van vondel die stomme vertooningen, waarvan de moord der Nonnen in Gijsbrecht, nevens Klaas van Kyten, die zich
op hunne lijken vertoont, het laatst op het tooneel overbleef. Naar mijn inzien
waren deze vertooningen uit den tijd der Rederijkers afkomstig, toen de
verschillende Kamers, bij iedere vertooning, de door hen gekozene spreuk, of het
onderwerp van hun kamerspel, zinnebeeldig moesten voorstellen. Vondels
Palamedes was ook met dergelijke vertooningen vergezeld, doch
schijnt men dezelve naderhand meer en meer nagelaten te hebben. Ook de sprekende
personaadjen en zinnebeeldige vertooningen, bij gelegenheid van de inhuldigingen
of bezoeken van Vorstelijke Personaadjen, zijn van denzelfden oorsprong, gelijk
men daarvan bij kops vele beschrijvingen ontmoet. Wij vinden
dezelve bij ons bij de komst van leicester, en misschien
behooren wel onder de laatsten die, welke bij de komst van maria
de medicis de geschiedenis van brutus voorstelden,
en waarvoor hooft bijschriften vervaardigde.
Reeds te lang misschien, naar het voorgesteld bestek, hielden wij ons bij vondel op, doch des te verhevener scheen ons zijn roem, daar
hij denzelven aan geenen invloed der Schrijvers van het overig gedeelte van
Europa te danken had. Men zoude wel kunnen bewijzen, dat gryphius en andere hoogduitsche Dichters uit zijne
schriften, geenszins dat hij uit de hunne
geput heeft. Navolgingen der Ouden zijn steeds bij de Nieuweren als veroveringen
aangezien, en welken lof verdient hij dan niet, die, ofschoon reeds bij het
afnemen zijner bekwaamheden, virgilius en ovidius vertolkte, de schoonste lier- | | | | zangen van horatius navolgde, en wien misschien slechts de begunstiging
van eenige gelukkige omstandigheden ontbrak, om door zijnen Constantijn den grond ook tot eenen Europeschen
letterroem te leggen. Nevens cats was hij de eenige,
die in onze Letterkunde eenen gevestigden roem bij alle standen verkreeg.
Gemakkelijker is het, zijne misslagen te bemerken, dan zijne schoonheden te
evenaren, en hoezeer wij zulks dan niet in den uitgestreksten zin des woords
kunnen aannemen, zoo heeft hij wel verdiend, dat de echte Nederlander, bij het
beschouwen zoowel van zijne meesterstukken, als van zijne uitgebreide loopbaan,
die zoo veel invloed op de vorming der Taal en de ontwikkeling van het genie in
onze Letterkunde had, dankbaar instemme in den eersten regel van zijn
grafschrift:
Virgiel en Sofokles en Flakkus dekt dees steen. -
Bij het verlaten van vondel moeten wij nog een oogenblik bij
zijnen zonderlingen mededinger naar den tragischen lauwerkroon, den Glazenmaker
jan vos namelijk, stilstaan. Hoe zeer ook reeds de latere
Letterkundigen hem naar eisch op zijne waarde gesteld hebben, zoo baart niets
meer verwondering, dan de ophef, dien deze man te weeg bragt, in eenen tijd,
waarin het geenszins aan groote mannen in elk vak ontbrak; en indien men zich
met regt verwondert, hoe de Fedra van pradon een oogenblik door het kiesche Fransche Publiek, boven die van racine, verkozen werd, zoo moet het niet minder bevreemden,
dat een Publiek, hetwelk een' schouwburg bezocht, door vondels
Gijsbrecht ingewijd, met | | | | geestdrift de
vertooning van eenen Aran en Titus bijwoonde: voorwaar een der
meest barbaarsche schouwspelen, ooit door het menschelijk vernuft uitgedacht,
waarin de opvolging der gruwzaamste martelingen alle verbeelding te boven gaat,
waarvan de walgelijkheid alle beschrijving overtreft, en hetwelk, in
één woord, trots alle regels van kunst, geschiedenis en
gezond verstand, met bloed schijnt geschreven te zijn. Eeuwige schande ware het,
indien een vreemdeling, met onze Taal bekend, dezen bundel magtig wierd, en voor
dezelve de vleijendste lofverzen door niet onbekende mannen dier eeuw zag
opgezongen, op eenen even belagchelijken als overdrevenen toon. Gelukkig is dit
monster niet van Nederlandschen oorsprong, en wordt hetzelve bijna geheel in den
Titus Andronicus, onder de werken van shakespeare geplaatst, weder gevonden(91). Volgens het
algemeen gevoelen der Engelsche Letterkundigen behoort echter deze misgeboorte
geenszins onder de werken van den Engelschen Bard, doch dezelve is misschien,
gelijk zulks met vele schilderijen van rubbens of
standbeelden van canova het geval was, op rekening van den
meester gesteld, die aan derzelver vervaardiging eenigzins de behulpzame hand
geleend had. Ook deze Titus is niet minder wreed, dan de Nederlandsche, ofschoon deze laatste inderdaad de kleur niet
verzacht heeft, en den onzin en wansmaak | | | | daarin nog heeft
vermeerderd. Het blijft nu steeds een letterkundig vraagstuk, hoe vos, die gezegd wordt, geene andere Taal dan Duitsch verstaan te hebben, die monster in de Taal onzer naburen is
gaan opvisschen, en hoe, indien hij inderdaad Engelsch gekend heeft, niet liever
zijne opmerkzaamheid op eene der stukken van shakespeare
gevallen zij; doch dit blijft tot nu toe een geheim, moeijelijk te ontdekken,
dewijl vos het stuk stoutelijk op zijnen eigenen naam heeft
uitgegeven. De gelijkheid met het engelsche stuk is intusschen te groot, om de
mogelijkheid van een derde stuk, waaruit beide zouden hebben kunnen putten, toe
te laten. Geene zedeleer hoegenaamd is uit dit stuk op te maken, als alleen dat
hij, die beleedigd is, zich weder mag wreken; eene leer, die hier dan ook
loffelijk nagevolgd wordt. Aran is een allerafschuwelijkst
gedrocht, een tragische Don Juan, die dan ook eindelijk door
Titus, die op hem het afkappen zijner hand, den dood van
drie zonen, en de onteering en mishandeling zijner dochter te wreken heeft, in
eenen oven gesmoord wordt; doch in een treurspel, waarin van veertien personen,
zoo schuldige als onschuldige, er twaalf gedood worden, kan zeker de dood niet als het werktuig der poëtische
regtvaardigheid gebruikt worden. Vos had voorts, zonder op
eene regtstreeksche wijze de Ouden of Nieuweren te kunnen navolgen, op eene
zijdelingsche wijze alle mogelijke gebreken der zuidelijke School overtroffen,
en die spelingen van het vernuft, verschoonbaar onder de minnekozerijen der
liefde, in het midden van heldendicht en treurspel willen overbrengen. Titus, de Romeinsche Veldheer, beroemt zich in het verhaal van
zijnen legertogt, de sarrende Sarmaten, | | | | de godlooze Gothen, de overvinnige Vinnen, en
de ongeruste Russen overwonnen te hebben. Geene bladzijde
zijner Gedichten, of dezelve krielt van dit ontijdig vernuft, en zelfs in zijnen
Zeekrijg verlustigt zich vos, door
zijne matrozen op eene uitgezochte wijze te laten sterven, van de zonderlingste
bijzonderheden vergezeld. Een' krachtigen stijl en rollende versmaat kan men
voorzeker dezen Dichter niet ontzeggen; doch moet dit tegen zoo veel onzin
opwegen?
Ten bewijze strekke, onder anderen, de volgende aanspraak, van Titus aan zijnen kleinzoon, die hier ingelascht wordt, dewijl dezelve
misschien minder bekend is.
Gy moet met Vader thans na 't Roomsche Raadhuis gaan.
De Vorst heeft my ontboôn, en bouwt er zelf zoo wakker,
Aan 't huis te Weezenbloedt, op aller weeuwen akker.
In 't midden van de zaal, die overgoten is
Met weeuw- en weezenbloedt, zult gy den Vorst een disch
Van weeuw- en weezenbeen, met allerijl gaan stellen,
Die alzins is bespreit met weeuw- en weezenvellen,
Hy heeft zyn wrede muil en tanden al gewet
Om zijn vervloekte balg, op 't gruwzaam moortbanket
Van weeuw- en weezenvleesch, tot walgens vol te vreten
Terwyl hy in 't geraamt der weeuwen is gezeten,
En zuipt het lauwe bloedt by 't holle harsenvat
Vos is voorts niet alleen wegens zijne Gedichten, maar ook
uit hoofde van den opgang, dien dezelve toen bij het Amsterdamsch Pu- | | | | bliek maakten, merkwaardig. Verder had hij ook eene eigene theorie, om zijne
praktikale vergrijpen, tegen de vroegere instellingen in het vak der Dichtkunst,
te verdedigen. Hij weidt hierover in de voorrede vóór
zijne Medea uit, durft zelfs de zoogenoemde regels der
Dichtkunst van horatius aanranden, die, toen hij deze
geestige vereeniging van ernst en boert aan zijne vrienden de pisoos zond, misschien nimmer gedacht had, een wetboek der Dichtkunst
te schrijven, en toont in vele opzigten een gezond oordeel, dat hem echter meer
eers bij het nageslacht verschaft zoude hebben, indien zijn Aran en
Titus niet tegelijk tot hetzelve overgekomen was(92).
Wat nu verder de Tooneeldichters van mindere bekendheid betreft, deze hielden
zich nog geheel aan den vroegeren vorm, eenigzins meer naar de voortgaande
beschaving gewijzigd. Alles bleef hetgeen de Franschen pièce d'intrigue noemden, en er heerschtte eenige
gelijkvormigheid, vooral met het gewone engelsche tooneel, waaraan ook kalbergen zijn Muliassus den Turk te danken
had. Overal ontmoet men het overdrevene en gezwollene, schaars echter het
inderdaad verhevene van die school. Wat de kluchten betreft, de kunst had daarin
weinig vordering gemaakt. Zij bleven nog de uitdrukking van de taal van het
gemeen, en leverden het tafereel van de | | | | slordigste zeden. In paffenrodes
Hopman Ulrich heerscht meerder eenheid en vernuft, schoon ook
dit stuk van de bovengemelde gebreken niet vrij te pleiten is.
Niets is er zeldzamer in eenige Letterkunde, dan dat dezelve lang op eene gelijke
hoogte blijft; rijzen en dalen is ook hier even gewoon als in de Geschiedenis
der Volken. Het is echter eene algemeene opmerking, dat een tijdvak van
natuurlijke verheffing spoedig door opgezwollenheid en overdrijving gevolgd
wordt, daar in het algemeen de menschelijke geest niet geschikt schijnt, lang
aan het eenvoudige getrouw te blijven. Geleerdheid neemt dan gewoonlijk de
plaats van het genie in. Zoo verving bij de Grieken, na de regering van alexander, de Alexandrijnsche school die van de tijdgenooten
van pericles; bij de Latijnen volgde de meer gezwollen stijl
van seneca en juvenalis op de vroegere
eenvoudigheid van virgilius en horatius;
en zoo ontstond, na de schoonste eeuwen der Letterkunde van Italien en Spanje,
in beide Landen, de wansmaak van marino en gongora(93). De stijl van hooft
verschilde nog, zoo als wij gezien hebben, naar gelang van de | | | |
voorbeelden, die hij ter navolging koos. Reeds in vondel
heerscht eene meerdere doorgaande hoogdravendheid, die echter met zijn genie in
verband stond, maar door zijne navolgers overdreven werd. De voornaamste onder
deze navolgers was voorzeker antonides van der goes. Hij
behoorde onder die weinige Dichters, welke bij ons eene nationale geestdrift
opwekten. Zijne Bellone aen bant werd, volgens de
Geschiedschrijvers, algemeen bewonderd, door duizenden van buiten geleerd, en
maakte eenen opgang, die slechts door dengenen geëvenaard werd,
welken de Hollandsche Natie in onze dagen bij hare
verschijning gemaakt heeft. Antonides was inderdaad Dichter,
en hiervan overtuigt ons iedere bladzijde van zijne werken. Geheel in de school
der Ouden en in die van vondel gevormd, hadden de uitheemsche
Muzen weinig invloed op zijnen dichtgeest gehad. Ongelukkig schijnt de zucht bij
hem ontstaan te zijn, om de kracht van vondel nog te willen
overtreffen, en van daar dat hij te vaak in overdrijving en opgeblazenheid
vervalt. Doch deze opgeblazenheid zelve was geen vreemde tooi, of valsch
vernuft, gelijk bij jan vos: het was slechts de onmagt, om
den gloed, die hem vervulde, geheel uit te storten. Zijn Ystroom, de eersteling van alle Stroomzangen, die naderhand door onze
Dichters gezongen werden, was geene ongelukkig gekozene dichtstof in een Land,
dat vrijheid en welvaart aan de zeevaart te danken had. Het denkbeeld, om den
roem en de Geschiedenis der Nederlanden, in zijnen tijd, met dit onderwerp aan
een te schakelen, gelijk camoens in zijne Lusiadas de grootheid van Portugal met den togt van gama in verband gebragt had, was grootsch. Zelfs de wedstrijd tusschen | | | | de hoofdrivieren van Europa mee het Y, in het paleis der Goden,
was eene vinding, den Zanger van den Adamastor niet
onwaardig(94). Men moge dan hier en daar op plaatsen
stuiten, waarin de gelijkenissen de vereischte juistheid missen, waar men meer
kieschheid en smaak verlangen zoude, men zal echter in de dwalingen van antonides steeds die van eenen waarachtigen Dichter vinden.
In zijn Trazil of overrompelt Sina, ofschoon door vondel geprezen, heerscht, naar mijn inzien, meer de
navolging van den Aran en Titus, dan die van den Lucifer, en schijnen de martelingen en tooneelmoorden van vos den jeugdigen Dichter, door het handgeklap, dat dezelve
verwekten, medegesleept te hebben.
Wij moeten bij dezen Dichter nog aanmerken, hoe nadeelig de invloed was, dien de
kwalijk geplaatste navolging der Ouden, vooral wat het invoeren van hunne
Fabelkunde betrof, te weeg gebragt had. Eene halve eeuw vroeger heerschten nog
de zinnebeelden, naar de Rederijkers en de tijden der middeleeuwen gevolgd. Bij
antonides, daarentegen, is alles reeds met het te
weelderig gebruik der Mythologie besmet, hetwelk hem zelven tot het ongelukkige
en ongepaste denkbeeld bragt, om, bij gelegen- | | | | heid dat het Y de
heldendaden zijner zonen in de laatste spaansche en engelsche oorlogen,
verhaalt, zulks op de bruiloft van Peleus en Thetis te doen plaats hebben. Wij merten dit hier alleen op, om aan te
stippen, hoe deze Mythologie, die wij naderhand, bij de invoering der fransche
school, nog onbepaalder zullen zien heerschen, ook reeds vroeger, uit zucht tot
navolging der Ouden, was ingevoerd geworden.
Onder de overige Dichters van die school, die den ouden vondel
op het spoor traden, behoort vooral reynier anslo, door
zijnen overgang tot de Katholijke Kerk en zijn verblijf in Italien bekend. Ook
bij hem ontmoet men de schoonheden en gebreken zijner voorgangers. Stoutheid van
vlugt en schilderachtigheid van verbeelding zal niemand hem ligtelijk ontzeggen,
doch ook gezwollenheid en veelvuldige woordspelingen heerschten nog in zijne
Gedichten. Hij behoort echter tot die Dichters, die, zelfs nadat de tijd alle de
onderwerpen, die toenmaals hunne geestdrift ontvlamden, voor ons van waarde
beroofd heeft, met genoegen herlezen worden. In eenige zijner Lierzangen
heerscht een geest, eenen navolger van horatius niet
onwaardig. In zijne Pest te Napels boezemt zelfs het
schrikverwekkend onderwerp belangstelling in; eindelijk in zijne Parijsche Bruiloft vinden wij een treurspel, misschien meer dan eenige
van dien tijd thans ter opvoering geschikt, en waarin het, hoewel de gedachte,
om, bij het einde des stuks, de grootheid van het Huis van Oranje door karel, den IX te doen voorspellen, wat ver gezocht zij,
vooral in de rol van den Koning, aan geene gelukkige oogenblikken ontbreekt.
| | | |
Ondertusschen had zich, gedurende dit tijdvak, meer en meer eene rij van
stichtelijke Dichters vertoond, die in alle meer dagelijksche onderwerpen de
ernstige en dichterlijke zijde zochten op te sporen, de genoegens van het
huisselijk leven schilderden, en den indruk, dien Godsdienst en huwelijksliesde
op hun gemoed gemaakt hadden, in hunne Gedichten trachtten te ontwikkelen.
Zoodanig was vooral jeremias de decker, in vreemde Talen
ervaren, doch die echter in zijne schriften de tolk van den oorspronkelijken
nederlandschen geest geweest is. Wij bewonderen vondel, als
hij zijne echtgenoote of kinderen betreurt, als Dichter; doch wij gevoelen met
de decker, als hij, bij den dood van zijnen vader, zijnen
overleden broeder gelukkig prijst, die van 't Javaansche zand
bedekt dit bitter treurtooneel niet aanschouwt, of als hij ons zelf
belangstelling voor eene te vroeg ontluikende bloem inboezemt.
In zijnen Goeden Vrydag vinden wij een der verhevenste
Gedichten, welke tot nu toe bij ons aan den Christelijken Godsdienst hunnen
oorsprong verschuldigd waren. Zijn Lof der Geldzucht werd
waarschijnlijk in navolging van den Lof der Zotheid van erasmus vervaardigd. Spoedig werd deze wijze van dichten, die
meer met de onderwerpen der dagelijksche ondervinding of bespiegeling
overeenkwamen, algemeen, maar paarde zich ongelukkig welras aan de zucht tot gelegenheids-gedichten, die gedurig toenam. Alleen onze
Duitsche naburen hadden dit zwak, van alle dagelijksche gebeurtenissen te willen
bezingen, met ons gemeen, en hoewel het gelegenheids gedicht bij ons niet tot
die laagte zonk, waartoe hetzelve, volgens de schildering van bouterweck, in dien tijd, bij de Duitschers | | | | vervallen
was, het getal van diergelijke gedichten heeft zich niettemin in onze
Letterkunde te veel vermeerderd. Het was eene gewoonte, die inderdaad aan de
aloude Barden herinnert, om geene geboorte, bruiloft, of verhefsing tot
eerambten, zonder jubellied, geen droevig afsterven zonder eenen gepasten
rouwtoon voorbij te laten gaan; doch men had moeten inzien, dat aan het
nageslacht de tijd en de belangstelling zouden ontbreken, deze zangen naar
behooren te waarderen, en dat de noodzakelijkheid, om steeds den overleden,
beminnenden of burgemeesterlijken held met dezelfde schitterende kleuren van
verdienste, ligchaams-schoonheid en bekwaamheden te versieren, aan deze
gedichten eenen zoo gelijken vorm gaf, dat dezelven bij een volgend geslacht
geheel onder de ongelezenen geplaatst zijn geworden. Meer en meer werd het dus
de heerschende smaak, zich niet opzettelijk tot het opstellen van een gedicht te
verledigen, maar alleen dan te dichten, wanneer vriendschap of
betrekkingen zulks vereischten, en naderhand deze stukken in een of meer
kwartijnen te verzamelen. Aan dergelijke mannen, wier tijd door de drukke
bezigheden van een regelmatig en werkzaam leven bezet werd, waren natuurlijk de
hevigheid van vondels hekeldichten, of de overdreven geest
der minnekozerij, die toen reeds uit den smaak begon te geraken, geheel en al
onbekend, en een flaauwer stijl, die slechts zelden ten tolk van het waarachtig
gevoel strekte, begon meer en meer in deze gelegenheids - gedichten te
heerschen, want men vond het gemakkelijker, om, gelijk in Ockenburg en vele andere buitenplaats-gedichten van dien
tijd, de onderwerpen, die dagelijks voorkwamen, in navolging van den Hofwyk en Zorgvliet van | | | |
huygens en cats, te bezingen, dan in het
treurspel de diepte van het menschelijk hart te peilen. De invloed der
zuidelijke Talen was weldra geheel geweken. In die stemming, die nu begon plaats
te grijpen, was ariosto te luchtig, tasso
te fabelachtig. De Talen van de oevers van Taag en Tiber werden hoe langer hoe
minder beoefend, en de navolging van den Amintas, door wellekens en zijnen vriend vlaming, tegen
het einde van deze eeuw, is het eenige spoor, dat wij nog in dit tijdperk van
den invloed der Italiaansche Letterkunde ontdekken. De Parnas
van trajaan bocalin, waaruit hooft reeds
putte, werd echter in dit tijdperk ook nog uit die Taal overgezet. Uit alle deze
oorzaken derhalve, nam de verflaauwing, welke in dezen tijd heerschte, haren
oorsprong, en hoezeer vollenhoven en brandt in hunne gedichten blijken van hunnen ijver voor Godsdienst en
Vaderland gaven, reeds bij hen kan men deze laauwheid overal bespeuren. In den
Veinzenden Torquatus, een treurspel van dezen laatsten,
vondt de Heer van kampen blijken van overeenkomst met den Hamlet, die echter niet genoeg afdoen, dewijl er, zoo lang
geene volstrekte navolging van shakespeare bewezen kan
worden, altijd nog de mogelijkheid bestaat, dat het verhaal, hetwelk gelegenheid
tot den Hamlet gaf, ook onder de oogen van brandt gekomen zij, of dat een of ander Hollander, bij de veelvuldige
reizen en gezantschappen naar Londen, dit stuk hebbe zien voorstellen, en
daarvan aan den Dichter van den Torquatus een algemeen
denkbeeld gegeven(95).
| | | |
Wannneer men tegen het einde dezer eeuw den staat der Letterkunde beschouwt,
wordt men weldra gewaar, dat de navolging beide van hooft en
vondel hare kracht had verloren, en een nieuwe geest onze
Letterkunde bezielen moest. Men begreep, dat het tooneel onmogelijk, door
hetgeen de Dichters der zeventiende eeuw in dit vak geleverd hadden, kon
opgehouden worden; dat de smaak te verfijnd was, om de gebeurtenissen van den
Bijbel, reeds door twijfelzucht aangevallen, op het
Schouwtooneel aan de spotternij der kwalijkgezinden bloot te stellen, en te
kiesch, om de ergerlijkheid van onze vroegere kluchten te dulden. Was het dan te
verwonderen, dat, bij het gevoel van deze behoefte, zich de blik naar Frankrijk
rigtte, toen met al den luister, dien de roem van Letteren en Wapenen geven
konden, verheerlijkt? Hier toch had zich een tooneel gevormd, dat zich beroemde,
den onbesmetten glans van het grieksch tooneel te rug te kaatsen; hier werden de
zeden der groote wereld op de fijnste wijze gegispt, en hier, eindelijk,
heerschtte in de uitdrukking eene beschaafd- | | | | heid, welke uit het
gebied der Kunsten alles weerde, wat aan Staat en Kerk eenige ergernis konde
geven. Nu voegden zich hierbij de herroeping van het Edict van
Nantes en de overkomst van zoo vele vreemdelingen, die, hoezeer zij den
beheerscher van Frankrijk als hunnen vervolger vloekten, desniettemin de
Fransche Letterkunde als de voortreffelijkste, die immer bestaan had, bleven
huldigen. Tevens viel weldra een nieuw en werkzaam middel, om den smaak van het
algemeen te leiden, dat, namelijk, der tijdschriften en recensiën,
die toen voor het eerst bij onzen landaard bekend werden, onder hun beheer, en
nu konden zij naar wensch den geesel der spotternij zwaaijen, of hunne
oordeelen, naar den geest der fransche kunstwetten ingerigt, als godspraken doen
eerbiedigen. Dergelijke beginsels, door mannen, gelijk eenen bayle, le clerc en basnage voorgestaan, moesten
spoedig eenen gereeden ingang vinden bij eenen landaard, die, helaas, uit eene
eigenaardige bescheidenheid, zich zoo vaak tot eene overdrevene bewondering van
het vreemde liet medeslepen. Hadden er in dien tijd waarlijk groote mannen aan
het hoofd van onze Letterkunde gestaan, men zoude, gelijk in het vorige
tijdperk, van de uitheemsche Letterkunde datgene, hetwelk inderdaad
voortreffelijk was, hebben overgenomen; doch er werden nu meer omvattende
eischen gedaan, en men vorderde niet alleen eene volstrekte onderwerping aan de
nieuwe letterkundige beginselen, maar tevens eene verzaking van onzen geheelen
vroegeren letterroem. Een man gelijk antonides, te spoedig
aan zijn Vaderland ontrukt, kon dezen voortrukkenden stroom niet bedwingen. Pels en zijne kunstbroeders sloegen met eenen held- | | | | haftigen moed de hand aan het werk, ter verbreiding van de
navolging onzer fransche naburen. De steile rots, waartegen zij, op de
zinnebeeldige voorstelling van hun Nil volentibus arduum,
opklimmen, schijnt het beeld van dien stapel van fransche treur- en
kluchtspelen, die zij in onze Taal trachtten over te brengen(96). Daar pels nog tot het volgend tijdperk
behoort, besparen wij tot hetzelve de nadere beschrijving van den invloed der
Fransche Letterkunde, en hebben wij hier alleen het ontstaan van dezelve willen
mededeelen. Bij de Franschen heerschtte toen reeds de zelfde eigendunkelijke
waan, die hun nog tegenwoordig geenszins vreemd is geworden. Reeds lang hadden
zij de verpligtingen vergeten, die zij aan Spanjaards en Italianen verschuldigd
waren: zij vergenoegden zich, met de eerste van opgeblazenheid, de tweede van
woordspelingen te beschuldigen, terwijl zij den zuiveren smaak slechts bij hunne
eigene Schrijvers waanden te vinden. Aan de Ouden, als aan hunne onmiddellijke
voorgangers, bragten zij eenigen wierook toe, en bleven voorts volkomen
overtuigd, dat er vóór hunne eeuw van lodewijk den XIV geene Letterkunde, zoo min bij hen als ergens anders,
bestaan had, en dat dus het overig Europa zijne beschaving slechts tot het
Regentschap van mazarin, of ten hoogste tot de eerste
voorstelling van den Cid kon doen opklimmen. Indien zulks tot
eenige verschooning voor onze voorouders kan strekken, mag men gerustelijk
opmerken, dat | | | | wij toen het eenige Volk niet waren, dat zich onder
den scepter der Fransche Letterkunde moest buigen, en dat de invloed van deze de
grenspalen, welke Alpen en Pyreneën aan denzelven schenen te stellen,
geenszins eerbiedigde, ja zelfs tot in de gezellige kringen van Engeland
doordrong. Tot aan den vrede van Munster was het Latijn de taal der Diplomaten
geweest. Lodewijk de XIV gevoelde echter weldra het nut,
hetwelk hij van de behendigheid zijner onderhandelaren kon trekken. Er werd eene
algemeene Taal vereischt, voor het dagelijksch onderhoud geschikt, en meer in
staat, om de menigte van nieuwe voorwerpen en betrekkingen, uit eene
ingewikkelde Staatkunde geboren, beknopt en bevallig uit te drukken. Bij de
toenmalige Staat- en Letterkunde van Europa was geene andere, dan de Fransche
Taal, hiertoe geschikt, en zij werd hetgeen de Italiaansche in de zestiende, en
de Latijnsche in de zeventiende eeuw geweest waren. In Gravenhage, gedurende zoo
vele jaren het middelpunt der Europesche Staatkunde, alwaar een d'estrades, een d'avaux hunne bekwaamheden ten toon
spreidden, kon aan den invloed dezer Taal niet vreemd blijven, en deze werd
weldra door allen, die zich boven den burgerstand onderscheiden wilden, als ook
door den geest der Aristocratie gehuldigd. In geheel Europa ging deze zucht tot
navolging van de Vorsten tot de Volken over. De kleine hoven van Duitschland,
zoo als, bij voorbeeld, dat van den Keurvorst van Brandenburg, waren op de
Fransche leest geschoeid, en later zocht gottsched, hoewel
met goede inzigten, aan de Duitschers eene Letterkunde op te dringen, die de
vernietiging van hunne nationaliteit te weeg moest brengen. In Ita- | | | | lien scheen het geslacht der groote mannen geheel uitgestorven, en met
geestdrift werd aldaar door de beschaafde standen eene Letterkunde beoefend, die
ten minste een steviger voedsel aan hunnen geest verschafte, dan de
onuitputtelijke woordspelingen hunner Sonnetten-dichters. Zelfs in Engeland,
alwaar karel de II de Fransche ligtzinnigheid, zonder
derzelver beminnelijkheid, had overgebragt, traden weldra de opkomende vernuften
in het spoor der Franschen, en zelfs pope, het hoofd der
Engelsche Dichters in het tijdperk van Koningin anna, legt
een streven naar fransche regelmatigheid en geestigheid aan den dag, hetzij hij
in zijn Essay on Man en on Criticism de
Wijsbegeerte en Letterkunde in een bevattelijk gewaad zocht voor te dragen, of
in zijn Rape of the Lock den Lutrin trachte
te evenaren.
Zie daar dus eene korte ontwikkeling, wegens het ontstaan van den uitgebreiden
invloed der Fransche Letterkunde, die haar gezag gedurende de volgende eeuw niet
alleen bleef behouden, maar zelfs te weeg bragt, dat vreemde Vorsten Fransche
Geleerden bezoldigden, ten einde deze, door eene letterkundige briefwisseling,
hen van de minste gebeurtenis, die in de Coteris der Parijsche
letterkundige wereld voorviel, toch vooral niet onkundig zouden laten.
Was deze invloed noodlottig voor onze Dichtkunst, zij was het nog meer voor onzen
prozastijl. Eene regtmatige verwondering bevangt voorzeker iederen onpartijdigen
lezer, die, bij het lezen dezer bladeren, eene zoo veel naauwkeuriger
beschouwing ontmoet van hetgeen de eeuw onzer vaderen, met opzigt tot de
Dichtkunst, opgeleverd heeft, dan wel van hunne geschriften in den ongebonden
stijl. De reden ligt daarin, dat de Dichtwerken, bij het | | | | meerder
aantal, en ook in het algemeen bij hunne hoogere voortreffelijkheid, beter
geschikt zijn, om een denkbeeld van den geest des tijds, en den invloed der
vreemde Letteren op denzelven te kunnen geven. De Dichtkunst werd als eene kunst
beschouwd, gelijk Schilderen Beitelkunst behandeld, en velen, die zich in
dezelve oefenden, stonden buitendien door hunnen stand of hun beroep met de
geletterde wereld in geene betrekking. Het Proza, daarentegen, was binnen eenen
meer bepaalden kring omschreven, en de zucht, om door welgeschrevene opstellen
over Godsdienst, Staatkunde of Wijsbegeerte, eenen invloed op de gemoederen der
tijdgenooten te verkrijgen, begon zich eerst zeer langzaam te ontwikkelen. Meer
dan in eenige andere Europesche Taal had zich de prozastijl bij de Franschen
gevormd. In deze Taal had bossuet de lessen der
vergankelijkheid aan de Grooten dezer aarde doen hooren; in haar verhief zich
pascal tot de verhevenste vereeniging van Godsdienst en
Wijsbegeerte, of drukte sevigné de verrukking der
moederliefde uit. Zelfs vreemdelingen erkenden de algemeene bekendheid dezer
Taal, en het was daarom, dat leibnitz zijne Theodicé in dezelve opstelde. Daar, waar de
Poëzij wezenlijk haar doel zal bereiken, moet zij eene uitstorting
van de geestdrift des Dichters zijn, en verheft zich dan de uitdrukking als van
zelve, terwijl, daarentegen, het Proza meer door het gebruik beschaafd en tot
volmaaktheid gebragt wordt. Hoe uitgebreider dus het gebied is, waarin eene Taal
gesproken wordt, en hoe meer mannen van vernuft zich met derzelver veredeling
bezig houden, des te grooter zal ook de aanwinst voor Proza en Welsprekendheid
zijn. Wij zouden echter te vergeefs bij onzen land- | | | | aard, in dit
tijdperk, eene schoone Letterkunde in het proza willen zoeken. Waar toch zoude
men bij ons eene school voor de Welsprekendheid gevonden hebben? Zonder ons in
te willen laten met de beslissing der vraag, of de Stadhouderlijke of de meer
Republikeinsche tijdperken het meest tot den luister der Letterkunde toegebragt
hebben, moeten wij opmerken dat men zich een valsch denkbeeld van den
toenmaligen staat onzer Republiek vormt, indien men zich dezelve als een
Gemeenebest der Ouden, of wel als eenen constitutionelen regeringsvorm
voorstelt, waarin welsprekende redenaars tot vertegenwoordigers van den Staat
verkoren werden. De aristokratische regeringsvorm was, even min als de
Stadhouderlijke, ooit de voedsteres der Welsprekendheid, en de ciceros en demosthenessen ontwikkelden zich even
min onder het gebied van den Nederlandschen Leeuw, als onder dat van dien van
St. Markus. De Lijkrede, die hier alleen bij zeldzame gelegendheden uitgesproken
werd, kon zich nimmer tot die hoogte verheffen, waarop flechier en bossuet dezelve in Frankrijk gebragt
hebben. De lijkklagt van brandt op hooft,
hoewel misschien te zwellend, hetgeen echter in den gevoelvollen jongeling, die
hooft betreurde, ligtelijk verschoond kan worden, maakt
hierin eene vleijende uitzondering. In de Godgeleerdheid was de vertaling van
het Oude Testament, thans nog door velen, met opzigt tot Taal en Letterkunde,
als klassiek vereerd, een der belangrijkste gedenkstukken van het vorige
tijdperk geweest. De leerredenen van vollenhoven en van de
zonen van brandt werden boven die van hunne tijdgenooten
geroemd, doch overal bleef nog het leerstellige de hoofdzaak, en kon derhalve,
daar de stijl slechts eene | | | | ondergeschikte rol bekleedde, deze
voordragten nog niet tot het gebied der schoone Letteren gerekend worden. De
Regtsgeleerdheid bleef geheel onder de barbaarsche vormen en de verbasterde taal
der Gerigtshoven bedolven, en een enkel stuk, dat, gelijk de Verdediging van
pieter de groot, wat den inhoud betrof, hierin eene
uitzondering maakte, bleef desniettemin door de onzuiverheid der Taal en het
gebruik der uitheemsche woorden besmet(97). De
wetenschappelijke onderwerpen werden nog bijna uitsluitend in het Latijn
behandeld, en nieuwentyt was een der eerste, die het in zijne
Wereltbeschouwing ondernam, het bewijs van het bestaan van
God uit de natuur, hetgeen voor die eeuw reeds noodzakelijk was geworden, in
onze Moedertaal aan te dringen. Sedert de Kerkelijke woelingen in het begin
dezer eeuw, toen Gomaristen en Arminianen over verschillende punten des
Christendoms geschil voerden, ontstond de eerstvolgende scheuring door de
Wijsbegeerte van cartesius, waarvan de stichter zich een
langen tijd in Nederland ophield en een tijdgenoot van de
groot was. Zijne begrippen werden toen door velen voor zoo gevaarlijk
gehouden als naderhand, en met meer regt, de Duitsche Neologie. Naderhand
ontstonden de partijnamen van Voetianen en Coccejanen. Onbetwistbaar is het, dat
de overkomst der Fransche vluchtelingen een vrijer onderzoek ten gevolge had.
Onder hen bevond zich echter de gevaarlijke bayle; een man,
wiens scherpzinnigheid de twijfel- | | | | zucht tot een stelsel verhief,
dat weldra algemeen verbreid werd, en die aan de Godgeleerden veel meer onrust
berokkende, dan vroeger cartesius gedaan had. Bekker toonde door zijne Betoverde Wereld, dat de
geest van onderzoek ook in den boezem der Geestelijkheid was doorgedrongen, doch
zijn werk maakte meer opgang wegens den inhoud, dan wegens den stijl. In de
Geschiedenis vondt de kernachtige welsprekendheid van hooft
geene navolgers. Brandts verdiensten vereischen onze hulde,
doch men vindt in zijne geschriften geenszins den schilderachtigen wegslependen
stijl van hooft, en alles zinkt meer tot den toon van een
gewoon verhaal te rug. De verdiensten van brandt, ten aanzien
van onzen stijl, zijn belangrijk geweest, en ook zij, die thans zich eenen
eenvoudigen en kernrijken stijl zoeken te vormen, kunnen met vrucht zijne werken
beoefenen. Ik heb het echter minder noodzakelijk gevonden, hier in eene
wijdloopiger uiteenzetting zijner schriften te treden, daar vooral het Proza bij
hem, hoewel op eene minder zigtbare wijze dan bij hooft, nog
meer eene navolging van den stijl der Latijnen is, hetgeen naderhand bij de
volgende Schrijvers, door den toenemenden invloed der Franschen, langzaam afnam.
De toenmalige Prozaschrijvers der overige Volken van Europa schijnen op de onze
nog zeer weinig invloed gehad te hebben. Ook swinnas(98), de
bezielde Schrijver onzer zeeslagen, dient hier niet vergeten te worder. | | | | Voor den Geschiedvorscher zijn de brieven van jan de witt geenszins onbelangrijk. In het theoretische der Kunst zijn de
weinige bladzijden van vondel, in zijne Aanleiding tot de Nederduitsche Dichtkunst, onschatbaar. Zij spreiden
eenen rijkdom van gezond verstand en eene kracht van taal en gevoel ten toon,
welke niet voor die van den wetgever boileau behoeven te
wijken. Genoeg zij het dus op te merken, dat in de prozaïsche
Letterkunde een meerder leven heerschte, en in sommige vakken zich eene meerdere
zucht tot verheffing van stijl begon te ontwikkelen. Zegenrijk ware misschien
deze ontwikkeling geweest, indien niet de Fransche Letterkunde, in de plaats van
den toon eener vriendin, dien eener meesteresse had aangenomen; en het is de
invloed dier overheersching op Taal- en Letterkunde, welke ons het volgende
tijdperk voor oogen zal stellen.
|
(85)Vondels
Lucifer werd 1654 vervaardigd. Miltons
Paradise Lost werd niet vóór 1667
bekend. Deze bijzonderheid, reeds door den Heer van
kampen opgemerkt, zoude, indien er navolging van de eene of andere
zijde, plaats kon vinden, de schaal geheel ten voordeele van onzen
Vaderlandschen Dichter doen overstaan.
(86)Belangrijk zijn, ten dezen opzigte, de twee
Verhandelingen van den Heer bilderdijk, onder den titel:
Verstag van het Spaansche Treurspel van Don
guillem de castro, de heldendaden van den
Cid, thans in de Bijdragen tot de
Tooneelpoëzij uitgegeven.
(87)Berchoux heeft in zijne Elegie, die dus begint: Qui me delivrera des Grecs et des Romains, de gedurige
verschijning derzelfde personen op den Franschen Schouwburg berispt. Hoe
vele Elektras en Orestessen hebben
denzelven niet betreden? Men berekende kortelings, dat de familie van Agamemnon alleen meer dan dertig stukken aan het Parijsche
tooneel geleverd had.
(88)Men vindt er echter twee heerlijke voorbeelden van in de
tweespraak tusschen Polyeuctus, die als martelaar ter dood
gevoerd werd, en zijne echtgenoote, bij corneille, en de
voortreffelijke zamenspraak tusschen Athalia en Joas, bij racine.
(89)Dit stuk moest bewijzen, qu'on ne peut pas être à la fois Pere et
Roi.
(90)Zie hierover voltaire, in zijne Commentaires sur
corneille, bij gelegenheid van den Horace.
(91)In de
laatste uitgave van shakespeare, reeds vroeger
aangehaald, wordt verondersteld, dat de stof van dezen Titus
Andronicus uit eene oude ballade ontleend is.
(92)Onder het afdrukken dezes komen de Bijdragen tot
de Tooneelpoëzij van den Heer bilderdijk uit, welke een belangrijk stukje over den Aran
en Titus behelzen. Ik heb daarvan geen gebruik willen maken, en
vergenoeg mij, mijne Lezers tot meerdere inlichting derwaarts te
verwijzen.
(93)Don louis de gongora
y argite leefde te Cordua van 1561-1627. Met veel grond kan men hem
den marino van Spanje noemen. Ook hij onderscheidde zich
door eenen gezochten en duisteren stijl, welke door velen niet alleen
geprezen, maar, ongelukkig genoeg, nagevolgd werd. Dit is ten minste het
algemeen gevoelen van de meeste Schrijvers, die zich met de Spaansche
Letterkunde bezig hielden.
(94)De Adamastor is een
reusachtig spook, dat, in den vijfden Zang van de Lusiadas
van camoens, aan gama verschijnt, en
als de Genius der Oostersche Zeeën, hem aan de Kaap de Goede
Hoop, toen Kaap der Stormen ( Cabo de los tormentos)
genoemd, de rampen voorspelde, waarmede hij, als hij zijne reis voortzette,
te worstelen zoude hebben.
(95)De Engelsche uitgever van shakespeare gelooft, dat deze de stof voor dit treurspel
gevonden heeft in de Histoires tragiques van françois belleforest, eene fransche verzameling van
Verhalen uit de middeleeuwen. Indien dit echter waar is, schijnt dezelfde
belleforest slechts eene vertaling van het verhaal
van den Deenschen Geschiedschrijver saxo grammaticus
gege-geven te hebben, en door het uittreksel van dit verhaal, in de Vaderlandsche Letteroefeningen van December 1822, blijkt
het genoegzaam, dat deze de oorspronkelijke bron dier Geschiedenis geweest
is, en heeft derhalve brandt zeer gemakkelijk, in den
bovengenoemden Schrijver, den grond van zijn treurspel kunnen
vinden.
(96)Men zie de titelplaat van de stukken, door dit gezelschap
vertaald.
(97)Zie die stuk
in scheltema's
Letterkundig Magazijn, II Deel, 3de stuk.
(98)Zie over swinnas, scheltema
Letterkundig Mengelwerk, III Deel, 1ste stuk.
|
|